ECLI:NL:PHR:2024:678

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2024
Publicatiedatum
24 juni 2024
Zaaknummer
22/01788
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 511h SvArt. 435 SvArt. 437 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen

De betrokkene was door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 84.963,55 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Tevens bepaalde het hof de maximale duur van gijzeling op 1080 dagen. Tegen dit arrest stelde betrokkene cassatieberoep in.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat de aanzegging van het cassatieberoep niet persoonlijk was betekend op 6 oktober 2022. Vervolgens heeft betrokkene niet binnen de wettelijke termijn van zestig dagen na deze aanzegging een schriftuur met middelen van cassatie ingediend. Hierdoor voldoet betrokkene niet aan de vereisten van art. 511h jo. art. 437, tweede lid, Sv.

De conclusie van de Procureur-Generaal is dat de Hoge Raad betrokkene niet-ontvankelijk moet verklaren in het cassatieberoep. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld en het arrest van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep van betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen van de middelen van cassatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/01788 P
Zitting25 juni 2024

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de betrokkene
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 10 mei 2022 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 84.963,55 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/01882, 22/01883, 22/01779, 22/01896, 22/01755, 22/01849 en 22/01897. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. De aanzegging ingevolge art. 511h Sv jo. art. 435, eerste lid, Sv is op 6 oktober 2022 niet in persoon betekend. Namens de betrokkene is niet binnen zestig dagen nadien een schriftuur, houdende middelen van cassatie ingediend.
Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 511h jo. art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG