Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
primairde niet-ontvankelijkheidsverklaring van het Openbaar Ministerie (…).
ter terechtzitting van hetgerechtshofDen HaagnevenzittingsplaatsArnhem-Leeuwarden, Walburgstraat 2-4 te Arnhem"
Het hof merkt daarbij nog op dat de verdachte voor de volgende zitting gedagvaard dient te worden om te verschijnen ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem Leeuwarden, Walburgstraat 2-4 te Arnhem. De dagvaarding dient in ieder geval, naast het BRP-adres, ook betekend te worden op het door verdachte laatst opgegeven adres [a-straat 1] [plaats] ."
primairop het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden en voert daartoe het navolgende aan. Kwalijk kan worden gesteld dat het herhaald onrechtmatige handelen als vormverzuim gezien dient te worden. Zelfs als dit verzuim zou worden gepasseerd kan er geen sprake meer zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. Immers, het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient te worden gewaarborgd.
van de bestraffingvan de voor de strafbare feiten veroordeelde persoon.
Bijlage 1) en (
c) cliënt tussen de veroordeling In eerste aanleg en de behandeling van deze zaak al jaren voor het grootste gedeelte zinledig in voorlopige hechtenis heeft gezeten en de vertraging in deze zaak geheel te wijten is aan het OM.
bijnavijf (5) jarenlater. Hoewel de verdediging de vaste rechtspraak van de Hoge Raad erkent dat (langdurig) tijdsverloop niet voldoende is om tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te komen, meent de verdediging dat - de mede hierboven uiteengezette - aanvullende omstandigheden dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Waarbij met name de reden van de vertraging van belang is. Deze vertraging valt in geen enkel opzicht te wijten aan het handelen van de verdachte, de verdediging of het stilzitten van het OM, maar valt simpelweg te wijten aan een opeenstapeling van zeer onnodige fouten en daarmee het herhaald onrechtmatig handelen van het Openbaar Ministerie. Ondanks de waarschuwingen die het Openbaar Ministerie van het Hof in al haar arresten ontving, bleef het Openbaar Ministerie keer op keer dezelfde fout maken.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Stb. 2022, 331) in werking getreden. Daarbij is het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter opgenomen in het nieuwe eerste lid van art. 17 Gw Pro. Deze bepaling luidt:
1. Inleiding
5.Reikwijdte van het recht op een eerlijk proces
7.Verhouding tot internationale regelgeving
3. Relatie met internationaal recht
NJ2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis over overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken en de daaraan te verbinden rechtsgevolgen onder meer het volgende overwogen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen respectievelijk het hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In zaken waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, dient de zaak te zijn afgerond binnen 16 maanden, behoudens bijzondere omstandigheden. Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De vermindering van de straf is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. De redelijkheid van de duur van een zaak is onder meer afhankelijk van de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Het staat de rechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM Pro. Het oordeel van de feitenrechter over de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet snel sprake zijn, omdat een dergelijk oordeel in de regel sterk is verweven met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.
NJ2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis samengevat zonder daarbij op te merken met die rechtspraak te willen breken. Integendeel, blijkens de nota naar aanleiding van het verslag in eerste lezing voldoen
de huidige wetgeving en de rechtspraakal aan art. 17 lid 1 Gw Pro.