ECLI:NL:PHR:2024:605

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juni 2024
Publicatiedatum
5 juni 2024
Zaaknummer
24/01101
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 lid 1 UitleveringswetArt. 28 UitleveringswetArt. 81 lid 1 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Conclusie procureur-generaal over uitlevering aan Servië ondanks termijnoverschrijding en vertrouwensbeginsel

De zaak betreft het cassatieberoep tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg die de uitlevering van een persoon aan Servië toelaatbaar heeft verklaard voor de uitvoering van een gevangenisstraf van 3 jaar en 10 maanden opgelegd door het Hoger Gerechtshof te Pirot.

De eerste klacht betrof de overschrijding van de termijn van artikel 23 lid 1 van Pro de Uitleveringswet, waarbij de officier van justitie niet tijdig het verzoek tot uitlevering schriftelijk in behandeling had genomen. De procureur-generaal stelt dat deze termijnoverschrijding niet leidt tot niet-ontvankelijkheid, omdat de wet hiervoor geen sanctie kent en het doel van de termijn is het bevorderen van spoedige afhandeling.

De tweede klacht richtte zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de Servische uitspraak onherroepelijk en uitvoerbaar is, terwijl de verdachte stelt dat hij niet op de hoogte was van deze uitspraak. De procureur-generaal benadrukt dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel de Nederlandse rechter niet mag toetsen aan de onherroepelijkheid van de buitenlandse uitspraak, zeker nu Nederland en Servië partij zijn bij het Europees Verdrag betreffende uitlevering.

Beide middelen worden verworpen en de conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging aangetroffen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Servië blijft toelaatbaar.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/01101 U

Zitting11 juni 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de opgeëiste persoon.

Inleiding

Bij uitspraak van 2 februari 2024 heeft de rechtbank Limburg de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Servische autoriteiten toelaatbaar verklaard “ter fine van tenuitvoerlegging van het resterende deel van de cumulatieve gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 10 maanden, die hem bij uitspraak van het Hoger Gerechtshof te Pirot (Servië) d.d. 11 oktober 2022 (Kv-138/22) is opgelegd”.
Namens de opgeëiste persoon heeft J.B.J.G.M. Schyns, advocaat in Venlo, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. Het eerste middel bevat de klacht dat de rechtbank, ondanks de termijnoverschrijding van art. 23 lid 1 van Pro de Uitleveringswet (hierna: UW), heeft beslist dat deze overschrijding niet zal leiden tot niet-ontvankelijkheid.
4. De raadsman van de opgeëiste persoon heeft op de zitting van 19 januari 2024 betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat de termijn van art. 23 lid 1 UW Pro is overschreden. De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak hierover het volgende overwogen:
“Artikel 23, eerste lid, van de Uitleveringswet schrijft voor dat de officier van justitie, uiterlijk op de derde dag na die waarop hij het verzoek tot uitlevering heeft ontvangen, schriftelijk vordert dat de rechtbank het verzoek in behandeling zal nemen. Uit de stukken volgt dat deze termijn in onderhavige zaak is overschreden met negen dagen. Anders dan de raadsman heeft betoogd, zal deze overschrijding niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie nu dit niet blijkt uit de Uitleveringswet en bovendien ook geen steun vindt in het recht (Hoge Raad 17 december 1991, NL [1] 1992, 344).”
5. Art. 23 lid 1 UW Pro, voor zover van belang, luidt:
“Uiterlijk op de derde dag na die waarop hij het verzoek tot uitlevering heeft ontvangen, vordert de officier van justitie schriftelijk, dat de rechtbank het verzoek in behandeling zal nemen.”
6. Voor de beoordeling van het middel is ten eerste van belang dat de wet niet voorziet in een sanctie op overschrijding van de termijn van art. 23 lid 1 UW Pro. Ten tweede geldt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 19 mei 1981,
NJ1981/518, heeft geoordeeld dat de stelling dat de termijnoverschrijding van art. 23 lid 1 UW Pro moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, geen steun vindt in tekst, systeem of geschiedenis van de Uitleveringswet en dat uit art. 28 UW Pro eerder volgt “dat voor een ontoelaatbaarverklaring op grond dat de termijn van artikel 23 lid 1 niet Pro in acht is genomen, geen plaats is”. Art. 23 lid 1 UW Pro is kennelijk niet bedoeld ter bescherming van de opgeëiste persoon, maar gericht op een zo spoedig mogelijke afhandeling van uitleveringsverzoeken in het belang van het internationale rechtshulpverkeer. [2] Gelet hierop is een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie bij overschrijding van de in art. 23 lid 1 UW Pro gestelde termijn niet aan de orde. [3]
7. De rechtbank heeft de beslissing tot het ontvankelijk verklaren van de officier van justitie daarmee genomen op gronden die deze beslissing kunnen dragen. [4] Het oordeel dat de termijnoverschrijding niet leidt tot niet-ontvankelijkheid getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Dat de door de rechtbank in haar overweging aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad volgens de steller van het middel “bijna 33 jaar oud en dus gedateerd” is, kan ik nauwelijks zien als een serieus argument en maakt mijn oordeel daarom ook niet anders.
8. Het eerste middel faalt.

Het tweede middel

9. Het tweede middel richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de gevraagde uitlevering toelaatbaar is. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de uitspraak van het Hoger Gerechtshof te Pirot (Servië) d.d. 11 oktober 2022 (Kv-138/22)), waarbij de cumulatieve gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 10 maanden is opgelegd, onbekend is bij de verdachte en dat het daarom onmogelijk is dat deze uitspraak onherroepelijk is geworden.
10. De raadsman van de opgeëiste persoon heeft ook bij de rechtbank betoogd dat de voornoemde uitspraak van het Hoger Gerechtshof te Pirot niet onherroepelijk is, nu deze uitspraak niet aan de opgeëiste persoon is betekend. De rechtbank heeft hierover het volgende overwogen:
“Op de uitspraak van het Hoger Gerechtshof te Pirot (Servië) van 11 oktober 2022 staan twee aantekeningen waaruit blijkt dat deze uitspraak onherroepelijk en ‘uitvoerbaar’ is. Anders dan door de raadsman is betoogd, is het in de uitleveringsprocedure niet aan de rechter om te toetsen of de die verklaringen juist zijn en de uitspraak daadwerkelijk onherroepelijk is, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel.”
11. De steller van het middel betoogt dat de rechtbank er “niet klakkeloos vanuit mocht gaan dat de aantekeningen op de uitspraak d.d. 11 oktober 2022 juist zijn en dat de uitspraak daadwerkelijk onherroepelijk is”. Hij voert in dat verband aan dat “Servië geen lid is van de Europese Unie en geen rechtstaat heeft zoals wij die in Nederland kennen” en dat daarom “het interstatelijk vertrouwensbeginsel op de verhouding met Servië niet van toepassing [is].”
12. Dat laatste is onjuist. De toepasselijkheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vloeit immers voort uit de tussen Nederland en Servië bestaande verdragsverhouding; in de voorliggende zaak is dat het Europees Verdrag betreffende uitlevering van de Raad van Europa, waarbij Nederland en Servië allebei partij zijn. [5] Het vertrouwensbeginsel brengt mee dat in beginsel vertrouwd moet worden op de juistheid van de door de verzoekende staat verstrekte mededelingen en informatie. [6]
13. De rechtbank heeft op grond van de door de Servische autoriteiten verstrekte informatie niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de uitspraak van het Hoger Gerechtshof te Pirot onherroepelijk en uitvoerbaar is [7] en heeft – gelet op hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt – terecht geoordeeld dat het in de uitleveringsprocedure, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet aan de rechter is om te toetsen of de uitspraak daadwerkelijk onherroepelijk is.
14. Het tweede middel faalt.

Slotsom

15. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
16. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de bestreden uitspraak aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Ik lees verbeterd: NJ.
2.Vgl. HR 19 mei 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7220 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl),
3.Zie HR 17 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:AD1560 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl),
4.Zie ook o.a. de conclusies van mijn voormalig ambtgenoten Vellinga, ECLI:NL:PHR:2003:AF4277, onder 5 (HR: 81 RO) en Machielse, ECLI:NL:PHR:2003:AN8265, onder 3.4 (HR: 81 RO).
5.Vgl. V.H. Glerum,
6.Zie HR 15 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9918, r.o. 3.5. Zo ook mijn conclusie van 26 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:846, onder 6.
7.Deze vaststelling vindt overigens niet alleen steun in aantekeningen op de uitspraak van het Hoger Gerechtshof te Pirot (Servië), maar ook in de overgelegde uitspraak van de Basisrechtbank te Pirot (Servië) d.d. 17 mei 2018.