Conclusie
Nummer22/01705
Inleiding
opzettelijk valse bankbiljetten uitgeven", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 dagen, met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro. Tevens heeft het hof de opheffing bevolen van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis en, ingevolge artikel 86 lid 3 Sv Pro, bevolen dat de gestorte zekerheidsstelling ten bedrage van € 20.000,- wordt teruggegeven.
De bewijsconstructie en de verwerping van het verweer
“1. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2022 verklaard – zakelijk weergegeven:
Verdachte
Het eerste middel
nietmeteen merkte dat de biljetten vals waren, maar juist dacht dat de
detectorniet goed werkte. De steller van het middel voegt daaraan toe dat de omstandigheid dat [betrokkene 1] (die de verklaring aflegde), anders dan kassamedewerker [betrokkene 2] (die de biljetten in eerste instantie controleerde), wél meteen opmerkte dat de biljetten vals waren, het bewijs van voorwaardelijk opzet niet zonder meer begrijpelijk maakt. Bovendien valt de bewezenverklaring volgens de steller van het middel niet te rijmen met de (ter terechtzitting aan de verdachte voorgehouden) verklaringen van [betrokkene 1] en [aangever] , [1] waaruit zou volgen “
dat het erop leek” dat de verdachte “
ook niet goed wist wat er aan de hand was”.
De bespreking van het eerste middel
ook voor de verdachte duidelijk had moeten zijn dat de biljetten vals waren” en dat hij in weerwil daarvan (“
desondanks”) de biljetten aan de kassamedewerker heeft overhandigd. Daarmee heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aankoop werd gedaan met valse bankbiljetten. Daarbij betrekt het hof de omstandigheid (1) dat de verdachte naar eigen zeggen gewend is (veel) contant geld bij zich te dragen en daarmee te betalen, alsmede (2) dat hij de biljetten in handen heeft gehad voorafgaand aan zijn bezoek aan de supermarkt én op het moment waarop hij de biljetten overhandigde aan de kassamedewerker.
“meteen constateerde dat de biljetten glad aanvoelden en dat het watermerk ontbrak. Ook voelde zij dat het ribbelrandje glad aanvoelde.”Volgens het hof kwam zij dan ook
“vrijwel meteen”tot de conclusie dat de biljetten vals waren.
desondanks” uit te geven heeft de verdachte die aanmerkelijke kans welbewust aanvaard. Aldus verstaan is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en ook toereikend gemotiveerd.
“die niet goed wist wat er aan de hand was”. Een bepaalde (al dan niet geveinsde) opstelling van de verdachte hoeft immers niet (zonder meer) in de weg te staan aan het oordeel dat de verdachte door op een bepaalde manier te handelen een aanmerkelijke kans op het uitgeven van vals geld op de koop toe heeft genomen. Van een contra-indicatie is niet gebleken; evenmin wordt hierover (in dergelijke bewoordingen) door de steller van het middel geklaagd.