Conclusie
Nummer23/02003 P
Inleiding
in zijn huidige vorm”) [1] – becijferd aan de hand van een eenvoudige kasopstelling die het hof (in navolging van de rechtbank) in grote lijnen heeft overgenomen van financiële rapportage. Beide middelen keren zich – kort gezegd – tegen deze berekening, met name tegen de hoogte van twee uitgavenposten, te weten (1) de (contante) financiering van het in de strafzaak bewezen verklaarde drugstransport, en (2) (contante) betalingen van luxegoederen en aan het CJIB. [2]
Het eerste middel
De motivering van het oordeel van het hof
Anders dan in de ontnemingsrapportage en de beslissing van de rechtbank is overwogen, baseert het hof de schatting van dit bedrag niet op het onderschepte berichtenverkeer van de leden van de Colombiaanse organisatie. Het hof acht deze informatie onvoldoende concreet en valide om daar dergelijke conclusies aan te verbinden. Dit brengt mee dat de verzoeken en verweren van de verdediging die daarmee samenhangen, geen bespreking behoeven. De verdediging wordt daardoor niet in haar belangen geschaad. Hetzelfde geldt voor het verweer omtrent de berekende inkoopprijs voor een kilo cocaïne.
3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 26 mei 2014, V-002-013, opgenomen in map 31, p. 6778 en verder, voor zover hier van belang, zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van [getuige]:
De beoordeling van het eerste middel
voldoende concreet en valide” geachte) ping-berichten en op geleide van de interpretatie die daaraan in het financieel rapport is gegeven, [5] heeft de rechtbank vastgesteld dat de betrokkene (75% van de helft van 48 pallets = ) 18 pallets (met cocaïne) contant heeft aanbetaald. In dat verband heeft de rechtbank een bedrag ter hoogte van (75% x 500 (kg) x € 25.000 = ) € 9.375.000 als contante uitgave in de kasopstelling opgenomen. [6] Daarentegen heeft het hof met het oog op de aanschaf van deze partij cocaïne slechts een bedrag van € 2.000.000 als contante uitgave in de kasopstelling opgenomen, zulks door ten gunste van de betrokkene uitsluitend waarde toe te kennen aan de verklaring van [getuige] en (dus) door voorbij te gaan aan de door de rechtbank aanvaarde uitleg van de ping-berichten. [7] Het oordeel dat de betrokkene niet in zijn belangen wordt geschaad door het achterwege laten van een bespreking van de verzoeken en verweren van de verdediging omtrent de inhoud van de ping-berichten, acht ik bij deze stand van zaken allerminst onbegrijpelijk.
Het tweede middel en de beoordeling daarvan
a. Maserati [kenteken 1]:De overweging van de rechtbank op p. 18 van de beslissing luidt: “Gelet op de inhoud van de ontnemingsrapportage, in onderling verband en samenhang beschouwd met de inhoud van de daarin genoemde processen-verbaal “Zaaksdossier ZD-002-04” en “AH-361-00”, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging dit onderdeel van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De enkele, niet nader uitgewerkte en niet met documenten, getuigenverklaringen of anderszins onderbouwde, stelling van veroordeelde dat hij deze auto niet heeft gekocht maar heeft gehuurd voor € 25.000, acht de rechtbank in dit kader onvoldoende.”Het hof acht deze overweging juist en neemt die over. Het hof voegt daar nog aan toe dat het feit dat de Maserati niet op naam van betrokkene stond, niet in de weg staat aan het meenemen van deze auto in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De kern is immers - zoals door de advocaat-generaal terecht is aangevoerd - dat er naar het oordeel van het hof sprake was van een schijnconstructie. Dit blijkt ook uit de inmiddels onherroepelijke ontnemingsbeslissing in de zaak van [betrokkene 3].”
niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist”, kan de rechter bij de opgave van de bewijsmiddelen waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend volstaan met de vermelding van (het onderdeel van) het financieel rapport als bewijsmiddel waaraan de schatting (in zoverre) is ontleend en het weergeven van die gevolgtrekking uit het rapport. [9]
c. Mini-Cooper [kenteken 2]:De overweging van de rechtbank op p. 19 van de beslissing luidt: “Gelet op de inhoud van de ontnemingsrapportage, in onderling verband en samenhang beschouwd met de inhoud van de daarin genoemde processen-verbaal “Zaaksdossier ZD-002-05” en “AH-361-00”, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging dit onderdeel van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De enkele, niet nader uitgewerkte en niet met documenten, getuigenverklaringen of anderszins onderbouwde, stelling van veroordeelde dat hij deze auto heeft gekocht voor € 25.000, acht de rechtbank in dit kader onvoldoende. Dit betekent dat dit verweer geen verdere bespreking behoeft.”Het hof acht deze overweging juist en neemt die over. Hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd maakt dit oordeel niet anders.”
het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het gevoerde verweer hieromtrent”, feitelijke grondslag mist nu uit de stukken is gebleken dat een dergelijk verweer
nietin hoger beroep is gevoerd en het hof derhalve daarop niet heeft hoeven reageren. [10]
met betrekking tot welke de feiten zijn begaan”. [11] In de ontnemingszaak staat zodoende niet ter discussie dat de rechtbank (en dus ook het hof) in de strafzaak de verbeurdverklaring heeft gestoeld op artikel 33a lid 1,
onder b, Sr. Dit is van belang nu bij de samenloop van een verbeurdverklaring en een ontnemingsmaatregel aan een veroordeelde enkel wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen met de verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, bedoeld in artikel 33a lid 1,
onder a, Sr. De op artikel 33a lid 1,
onder a, Sr toegesneden rechtspraak is dan ook (in beginsel) niet van toepassing op de in deze zaak aanhangige situatie. [12] Gelet hierop hoefde het hof de waarde van de Mini-Cooper niet in mindering te brengen op de betalingsverplichting.
i. Betalingen ter voldoening ontnemingsvordering CJIB:
De rechtbank heeft op p. 21 van de beslissing overwogen: “Gelet op de inhoud van de ontnemingsrapportage, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging dit onderdeel van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De enkele, niet nader uitgewerkte en niet met documenten, getuigenverklaringen of anderszins onderbouwde, stelling van veroordeelde dat hij de “oude” ontnemingsvordering heeft voldaan van geld dat hij over had van het "oude" strafbare feit, acht de rechtbank in dit kader onvoldoende. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat op grond van de in de ontnemingsrapportage vermelde omstandigheden aannemelijk is dat veroordeelde aan het begin van de ontnemingsperiode niet beschikte over (een significatie hoeveelheid) contant geld. Dit betekent dat dit verweer geen verdere bespreking behoeft.”Het hof acht deze overweging juist en neemt die over. Hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd maakt dit oordeel niet anders.”