ECLI:NL:PHR:2024:506

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 mei 2024
Publicatiedatum
6 mei 2024
Zaaknummer
22/04604
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 36f SrArt. 6 EVRMArt. 359 SvArt. 365a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens schending redelijke termijn bij medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, wegens medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en medeplegen van mishandeling met voorbedachten rade op 18 februari 2019. De feiten betroffen het gijzelen en mishandelen van het slachtoffer in een witte Mercedes, waarbij de verdachte werd herkend als een van de daders.

De verdediging voerde onder meer een alibi aan dat de verdachte tijdens het delict bij zijn buurvrouw was, gesteund door getuigenverklaringen en telefoongegevens. Het hof verwierp dit verweer vanwege inconsistenties en het ontbreken van steun in telecomgegevens. Het hof baseerde zich mede op verklaringen van het slachtoffer en een medeverdachte, alsmede forensisch bewijs.

In cassatie werden klachten geuit over de interpretatie van het verweer, het gebruik van een arrest tegen een medeverdachte als bewijs en de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Hoge Raad verwierp de klachten over bewijs en bewezenverklaring, maar stelde vast dat de inzendtermijn van stukken aan de Hoge Raad met ruim een maand was overschreden, wat een schending van de redelijke termijn opleverde.

De Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en vermindert de gevangenisstraf overeenkomstig de gebruikelijke maatstaf, terwijl het cassatieberoep voor het overige wordt verworpen.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor de strafmaat en de gevangenisstraf wordt verminderd wegens schending van de redelijke termijn, overige klachten worden verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04604
Zitting21 mei 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 8 december 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1 “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden” en 2 “medeplegen van mishandeling gepleegd met voorbedachten rade”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en met aftrek van het voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft daarbij de bijzondere voorwaarden gesteld, zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals nader bepaald in het arrest.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend, waarin twee middelen van cassatie worden voorgesteld.
Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
3. Het middel keert zich met verschillende klachten tegen de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. De pijlen zijn daarbij gericht op ’s hofs motivering van de bewezenverklaring en het gebruik van een tegen de medeverdachte gewezen arrest voor het bewijs in de voorliggende zaak.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
4. Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 bewezenverklaard dat:
“1.
hij op18 februari 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [slachtoffer] - die zich op straat bevond - onder bedreiging van een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, vast te grijpen en een auto in te trekken en gedurende twintig tot dertig minuten met die [slachtoffer] in die auto rond te rijden, waarbij die [slachtoffer] werd mishandeld, waarna die [slachtoffer] uiteindelijk die auto werd uitgezet.
2.
hij op 18 februari 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, met voorbedachte rade, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meerdere malen met vuisten en met een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp op het hoofd te slaan en die [slachtoffer] een kopstoot in het gezicht te geven, waardoor die [slachtoffer] een gebroken neus opliep.”
5. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende, in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a Sv opgenomen, bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feiten 1 en 2:
1.
Een proces-verbaal van relaas van 9 november 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde p. 5 en p. 8.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de
verbalisant:
Melding incident:
Op maandag 18 februari 2019, omstreeks 20:06 uur, werd bij de regionale meldkamer de melding gedaan dat er twee mannen voor de woning stonden en er geschreeuwd werd. De melder zag dat een persoon een pistool in zijn handen had. Tevens werd gezien dat de man met het pistool een jongen mee sleurde.
Op dinsdag 19 februari 2019 werd in de [b-straat] te [plaats] een witte Mercedes aangetroffen voorzien van het kenteken [kenteken] en met een gedeeltelijk transparant dak. Dit voertuig voldeed aan de uiterlijke kenmerken die door aangevers en getuigen waren opgegeven. Dit voertuig stond op naam van [betrokkene 1] geboren [geboortedatum] 1993, wonende te [plaats] , [a-straat 1] .
Uit een door een politiemedewerker ingesteld visueel onderzoek bij de Mercedes bestond het vermoeden dat er bloedresten in de auto op de bekleding zat.
Uit politiegegevens bleek tevens dat er een politiefoto van [betrokkene 1] uit 2015 beschikbaar was.
Door aangever [slachtoffer] werd als signalement van de bestuurder van de Mercedes opgegeven, blanke Nederlander, tussen 20 en 25 jaar, blond/oranje kort geschoren haar.
Dit signalement kwam overeen met de kenmerken op de politiefoto van [betrokkene 1] .
2.
Een proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig van 26 maart 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde p. 125-128.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van
verbalisanten:
Wij, verbalisanten, zagen dat het voertuig een witte Mercedes betrof met het kenteken [kenteken] . Wij zagen dat er op diverse plaatsen aan de achterzijde van het interieur bloed aanwezig was. De locaties betroffen beide dorpels van de achterportieren (foto 4 t/m 7), de achterzijde van de rugleuning van de bestuurdersstoel en bijrijdersstoel (foto 8 t/m 10), de binnenzijde van beide achterportieren (foto 11 t/m 14) en de zitting en rugleuning van alle drie de achterbank stoelen (foto 15 t/m 18).
Door mij, [verbalisant] , werd op 10 verschillende plaatsen bloed bemonsterd. Deze bemonsteringen werden veiliggesteld en gewaarmerkt met SIN AAKI7619NL, AAKI7620NL, AAKI7621NL, AAKI7622NL, AAKI7623NL, AAKI7624NL.
3.
Een deskundigenrapport, te weten een NFI-rapport van 22 maart 2019, opgemaakt door een NFI-deskundige forensisch DNA-onderzoek, doorgenummerde p. 138-140, voor zover inhoudend:
Tabel 1 Resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend DNA-onderzoek
SIN en omschrijving
Code3
Beschrijving DNA-profiel
Celmateriaal kan afkomstig zijn van
Matchkans
AAKI7619NL#01
Bloed
Nee1
DNA-profiel van een man
[slachtoffer]
kleiner dan één op één miljard
AAKI7620NL#01
Bloed
Nee1
DNA-profiel van een man
[slachtoffer]
kleiner dan één op één miljard
AAKI7621NL#01
Bloed
Nee1
DNA-profiel van een man
[slachtoffer]
kleiner dan één op één miljard
AAKI7622NL#01
Bloed
Nee1
DNA-profiel van een man
[slachtoffer]
kleiner dan één op één miljard
AAKI7623NL#01
Bloed
Nee1
DNA-profiel van een man
[slachtoffer]
kleiner dan één op één miljard
AAKI7624NL#01
Bloed
Ja1
DNA-profiel van een man
[slachtoffer]
(zie ‘DNA-databank’)
kleiner dan één op één miljard
4.
Een proces-verbaal van aangifte van 19 februari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 64 – 68.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18 februari 2019 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van
[slachtoffer]:
Op 18 februari 2019 stond ik bij [betrokkene 2] voor zijn deur in [plaats] en ineens kwam een auto voorbij. Op een gegeven moment stapten twee mensen uit de auto. Ik zag dat een van de mannen een mes in zijn hand had, en de tweede man een pistool. De man met de pistool rende achter mij aan. Ik begon te rennen, door de adrenaline kon ik niet meer rennen, mijn benen gaven het op. Toen voordat ik het wist, sloeg hij mij. Hij sloeg mij eerst met zijn pistool en daarna met zijn handen. Ik viel op de grond en hij sloeg mij met een pistool op mijn gezicht. Hij trok mij mee de auto in die op dat moment aan kwam rijden. In de auto reden zij rondjes op de [wijk]. Ze stopten ergens. Er kwam een derde man bij en die vroeg waar mijn vriend was. Hij droeg handschoenen, het waren hele aparte handschoenen. Bij de knokkels waren een soort bulten om mee te rammen. Ze sloegen mij. Ze namen mij mee en gingen weer rijden. Ze sloegen mij verder en toen ben ik bij de McDonalds in Zaandam afgezet waarop ik naar het ziekenhuis ben gegaan. Er stapten er twee mensen uit de auto. Een rende [betrokkene 2] achterna en de ander rende achter mij aan. De bestuurder bleef zitten. Tijdens het rijden trok de Marokkaanse man aan mijn haar en beet in mijn oor. Zij bleven mij door rammen. Ik werd van alle kanten geslagen. Toen wij op de [wijk] waren, stopten zij op een parkeerplaats. Ik zag dat de man die rechts van mij zat het pistool in een zak deed en deze gaf aan de man die buiten de auto stond. De man die het pistool aanpakte had de handschoenen met knokkels aan. Nadat hij het pistool had gepakt zag ik hem weglopen in de richting naar een andere auto. Nadat de man het pistool had weggebracht kwam hij aan de rechterkant naast mij instappen, nadat de andere Marokkaanse man was uitgestapt. Hij begon mij ook te slaan. Ik ben zo vaak geslagen dat ik niet eens meer pijn voelde. Hij gaf mij zoveel kopstoten op mijn neus. De auto was een witte Mercedes A-klasse. Ik heb tussen de twintig en dertig minuten in de auto gezeten. Ik viel af en toe ook weg. Ze maakten mij wakker en sloegen mij weer.
5.
Een proces-verbaal van bevindingen genaamd PV beelden Mc Donalds van 25 februari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 92-93.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de
verbalisant:
Naar aanleiding van de verklaring van [slachtoffer] , bleek het voertuig waarin genoemde aangever is gegijzeld, mishandeld en bedreigd, een Mercedes, type A-klasse, wit van kleur en voorzien van een panoramadak. Uit de verklaring van I [slachtoffer] bleek dat hij bij de Mc Donalds was afgezet. Op de door politie veiliggestelde beelden van de bewakingscamera’s, is het volgende op 18 februari 2019 te zien:
20:35:44 uur Vanuit de hoofdingang van de Mc Donalds is te zien dat een witte Mercedes, A-klasse met panoramadak de parkeerplaats op komt rijden.
20:38:26 uur Het vermoedelijke slachtoffer (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) stapt uit het voertuig
20:38:40 uur Het vermoedelijke slachtoffer loopt bij het voertuig weg de parkeerplaats over in de richting van het Zaans Medisch Centrum.
6.
Een proces-verbaal van bevindingen van 19 februari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 57-58.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van
verbalisanten:
Op 18 februari 2019 omstreeks 20:43 uur, hoorden wij dat het tweede slachtoffer bij het ZMC ziekenhuis in Zaandam zou zijn. Wij kwamen omstreeks 20:50 uur aan bij de spoedeisende hulp van het ZMC ziekenhuis en werden daar aangesproken door een jongen met een bebloed en gezwollen gezicht. Deze jongen bleek [slachtoffer] . Wij, verbalisanten, hoorden dat [slachtoffer] het volgende zei over de gebeurtenissen de 18 februari 2019:
"In het voertuig werd ik meerdere malen heel hard met een vuist in mijn gezicht geslagen”
7.
Een proces-verbaal van aangifte van 18 februari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 76-79.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18 februari 2019 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van
[betrokkene 2]:
Op 18 februari 2019 stond ik voor de deur van mijn woning in [plaats] . Ik stond daar samen met een vriend van mij, [slachtoffer] . Opeens stopte er een witte Mercedes A-klasse. Er stapte iemand uit rechtsachter uit de auto. Die persoon richtte meteen een pistool op mij. Ik ben toen meteen gaan rennen. De man rende achter mij aan. Toen ik midden op de straat liep zag ik dat het pistool nog steeds op mij gericht was. Ik ben naar de achterkant van een flat op de [d-straat] gaan rennen. Degene die achter mij aan rende is [verdachte] , Marokkaans, ongeveer 36 à 40 jaar oud. Ik heb gisteren ruzie gehad met zijn zoon. Ik heb met hem gevochten. Hij heet [betrokkene 3] . Ik weet dat ze in [wijk] wonen.
Ze kwamen met een hele hoge snelheid aan. Gelijk stapte [verdachte] uit en richtte een pistool op mij.
De ruzie met zijn zoon had ik vorig jaar al. Hij heeft mij toen in elkaar geslagen en nu heb ik hem een pak rammel gegeven.
Ik heb gezien dat [verdachte] zwarte handschoenen droeg.
8.
Een proces-verbaal van bevindingen van 17 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 69-70.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van
verbalisant:
Op 17 april 2019 heb ik de beelden van de McDonalds van 18 februari 2019 omstreeks 20:35 uur getoond aan [slachtoffer] . Hierbij heb ik de aangever gevraagd om te verklaren wat hij op de beelden zag. Hij verklaarde:
"Ik zie dat de witte Mercedes waarin ik was meegenomen bij de McDonalds komt aanrijden. In de witte Mercedes die op de beelden staat zat ik achterin met de Marokkaanse man. De blanke man was de bestuurder van de Mercedes. Ik wil nog het volgende verklaren over het begin. Toen de Mercedes was komen aanrijden toen ik met [betrokkene 2] stond, kwamen er twee mannen uit de auto. De bestuurder was blijven zitten. Eén van de mannen rende achter [betrokkene 2] aan en de andere man rende achter mij aan. Ik werd handhandig in de Mercedes geduwd. De tweede, volgens mij Marokkaanse man, die achter [betrokkene 2] was aangerend reed niet mee. De Marokkaanse man die niet mee was gereden en was achtergebleven, kwam later weer de auto in en heeft mij toen geslagen. Deze man is toen ook weer uitgestapt en die heeft het pistool meegenomen toen hij uit de auto stapte.”
9.
Een proces-verbaal van bevindingen van 30 september 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door een bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 167-168.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van
verbalisant:
Op 18-02-2019 tussen 19:07 en 19:30 uur, werden door het [telefoonnummer 1], in gebruik geweest bij de verdachte [verdachte] , verschillende zendmasten gebruikt in [plaats] .
In dit onderzoek werden de historische printgegevens van het [telefoonnummer 1] in de periode van 01-02-2019 en 04-03-2019 opgevraagd. Uit de printgegevens bleek onder andere het volgende:
Op 18-02-2019 te 19:31 uur vond er een Data up Stream gesprekstype plaats waarbij de zendmast aan de [e-straat] te [plaats] werd aangestraald. Hierna vonden er achttien (18) doorgeschakelde gesprekken plaats. Hierbij werd achttien (18) maal ingebeld door het [telefoonnummer 2] in gebruik geweest bij de verdachte [betrokkene 1] .
(Bijlage 3) (hof: uit de bijlage, doorgenummerde p. 171, blijkt dat deze achttien inbelpogingen van het telefoonnummer van [betrokkene 1] naar het nummer van de verdachte plaatsvonden tussen 20:12:20 uur en 20:17:08 uur)
Op 18-02-2019 te 20:39 uur bleek de telefoon weer bereikbaar te zijn en vond er vervolgens weer een Data up stream gesprekstype plaats waarbij de zendmast Oostzanerdijk 188 te Amsterdam werd aangestraald. Vervolgens werden zendmasten gebruikt bij de Coentunnel en vervolgens tot en met 19-02-2019 de Staalmeesterlaan te Amsterdam.
De periode van doorschakeling lag binnen de periode dat het incident begon (20:00 uur) en bij de McDonalds eindigde (20:38 uur).
Genoemde periode van doorgeschakeld van de telefoon betekent dat de telefoon niet bereikbaar is. Het niet bereikbaar zijn kan op verschillende manieren waaronder dat de telefoon uit stond.
10.
Een geschrift, te weten een bief van het Zaans Medisch Centrum van 28 februari 2019, doorgenummerde pagina 73.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
De letsels van [slachtoffer] waren als volgt:
1. Trauma capitis zonder post-traumatisch intracranieel letsel (letsel van het hoofd zonder hersenletsel)
2. Contusie os zygoma, orbita en kaakkop rechts (kneuzing jukbeen, oogkas en kaakkop rechts)
3. Fractuur neus (gebroken neus)
11.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 21 januari 2021.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik ken [betrokkene 1] van het sporten. Wij zijn goede maatjes geworden.
[betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ) en [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) hebben de dag ervoor mijn zoon [betrokkene 3] mishandeld. Niemand kan zijn zoon met zo’n dik gezicht zien thuiskomen. U vraagt of ik van te voren wist wat er met [slachtoffer] zou gebeuren. Ik hoorde dat zij [betrokkene 2] aan de tand wilden voelen. Dat is van te voren (het hof begrijpt: voor de bewezenverklaarde gebeurtenissen op 18 februari 2019) wel besproken, in die zin dat het gesprek heeft plaatsgevonden.
Ik was wel boos om wat er met mijn zoon was gebeurd.
12.
Een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 mei 2021, met nummer 23-003016-19, waarin ten laste van [betrokkene 1] onder meer bewezen is verklaard dat:
1 .primair
hij op 18 februari 2019 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [slachtoffer] - die zich op straat bevond - onder bedreiging van een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp - vast te grijpen en een auto in te trekken en gedurende enige tijd met die [slachtoffer] in die auto rond te rijden (waarbij die [slachtoffer] werd mishandeld), waarna die [slachtoffer] uiteindelijk die auto werd uitgezet;
2.primair
hij op 18 februari 2019 te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meerdere malen met een van zijn/hun handen/vuisten en met een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp in het gezicht te slaan en die [slachtoffer] een kopstoot in het gezicht te geven (waardoor die [slachtoffer] een gebroken neus opliep).”
6. Het hof heeft in zijn arrest met betrekking tot de bewezenverklaring van beide tenlastegelegde feiten de volgende bewijsoverweging opgenomen (hier met weglating van de voetnoten):

Bewijsoverweging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat wettig en overtuigend bewijs voor zijn betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten ontbreekt. De verdachte heeft een alibi. Hij was ten tijde van het incident op 18 februari 2019 tussen 19:30 uur en 20:30 uur bij zijn buurvrouw, zoals bevestigd door de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. De enige directe aanwijzing voor de betrokkenheid van de verdachte is de herkenning van de verdachte door de getuige [betrokkene 2] . Deze herkenning is tot stand gekomen onder omstandigheden waarbij een vergissing op de loer ligt, namelijk: in het donker, terwijl [betrokkene 2] in zijn vlucht achterom keek en zijn achtervolger een soort bivakmuts op had. Daar komt bij dat sprake kan zijn van zogenaamde
confirmation bias, omdat [betrokkene 2] al vreesde voor een actie van de verdachte. Daar komt bij dat de herkenning niet is gebaseerd op voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken. Met deze herkenning moet dus grote behoedzaamheid worden betracht. Datzelfde geldt voor de verklaringen van de aangever [slachtoffer] en de overige verklaringen van [betrokkene 2] , omdat deze verklaringen inconsistenties bevatten en zij na verloop van tijd nieuwe feiten en gebeurtenissen hebben toegevoegd ten opzichte van hun eerder afgelegde verklaringen.
Inhoud van het dossier
De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] en [betrokkene 2] op 17 februari 2019 zijn zoon [betrokkene 3] hebben mishandeld en dat hij daar boos over was. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij weet dat de daders boos waren op [slachtoffer] en [betrokkene 2] om wat zij zijn zoon hebben aangedaan en dat deze daders 'verhaal gingen halen en hen op hun plek zouden gaan zetten’. [betrokkene 1] noemt de verdachte een goed maatje van hem.
[betrokkene 1] is door het gerechtshof Amsterdam op 6 mei 2021 veroordeeld voor (onder andere) het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling van [slachtoffer] .
Op 18 februari 2019 stonden [slachtoffer] en [betrokkene 2] op straat voor het huis van [betrokkene 2] in [plaats] . Rond 20:00 uur kwam er een witte Mercedes aangereden, waarvan [betrokkene 1] de eigenaar en bestuurder was. De auto stopte en daaruit kwamen twee mannen in de richting van [slachtoffer] en [betrokkene 2] gerend, waarbij de man die achter [slachtoffer] aanrende een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp in zijn hand had. [slachtoffer] werd, onder bedreiging van dat vuurwapen, de Mercedes ingetrokken, waarin [betrokkene 1] was blijven zitten. De auto reed vervolgens met [slachtoffer] , de man die hem onder bedreiging van het vuurwapen de auto introk en [betrokkene 1] weg. [betrokkene 2] wist na een korte achtervolging door de tweede man, die ook een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp in zijn hand had, te ontkomen. Volgens [betrokkene 2] betrof deze tweede man [verdachte] , de verdachte, met wiens zoon hij de dag daarvoor had gevochten.
[slachtoffer] is vervolgens in de auto, in een periode van twintig tot dertig minuten mishandeld. In die periode is de auto in de [wijk] gestopt. Daar is een man, volgens [slachtoffer] de man die eerder achter [betrokkene 2] was aangerend, de auto ingestapt. Deze man heeft hem meermaals geslagen en kopstoten gegeven en is vervolgens uitgestapt. De auto is daarna doorgereden en [slachtoffer] is op een parkeerplaats bij de McDonalds in Zaandam uit de auto gezet. Hij is naar het ziekenhuis gelopen, waar bleek dat hij letsel had aan zijn hoofd. Zijn jukbeen, oogkas en kaakkop waren gekneusd en zijn neus was gebroken.
Uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte is het volgende gebleken. De verdachte heeft op 18 februari 2019 in de uren voor het tenlastegelegde veelvuldig telefonisch contact gehad met [betrokkene 1] . Ook direct na het tenlastegelegde heeft [betrokkene 1] contact met de verdachte gezocht. Uit de zendmastgegevens blijkt dat de telefoon van de verdachte tussen 16:06 uur en 19:30 uur contact maakte met zendmasten in [plaats] . Tussen 19:35 uur en 20:39 uur heeft de telefoon van de verdachte geen contact gemaakt met een zendmast. Om 20:39 uur maakte de telefoon van de verdachte verbinding met een zendmast op de Oostzanerdijk in Amsterdam. Met de telefoon van [betrokkene 1] is die dag tussen 20:12 uur en 20:17 uur achttien keer geprobeerd de telefoon van verdachte te bellen.
Beoordeling door het hof
Het hof dient de vraag te beantwoorden of de verdachte (als medepleger) heeft deelgenomen aan de hem tenlastegelegde feiten. Bij de beantwoording van die vraag acht het hof in het bijzonder het volgende van belang.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de reden voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling van [slachtoffer] was gelegen in de mishandeling van de zoon van de verdachte. De verdachte was daar boos over en wist van het plan om [slachtoffer] en [betrokkene 2] ‘op hun plek te zetten’. [betrokkene 1] , een vriend van de verdachte, heeft zich als een van de mededaders schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde feiten. De verdachte heeft kort voor het delict en ook kort na het delict (intensief) telefonisch contact gehad met [betrokkene 1] , die als bestuurder van de auto bij het delict betrokken was. Van bijzondere betekenis acht het hof dat [betrokkene 1] op het moment dat een van de daders zich niet in de auto bevond maar [betrokkene 2] had achtervolgd en [betrokkene 1] vermoedelijk naar die dader op zoek was, in een periode van vijf minuten, achttien keer contact heeft gezocht met de verdachte. Het hof ziet daarin een sterke aanwijzing dat de verdachte de dader was die achter [betrokkene 2] is aangerend en met wie [betrokkene 1] zo naarstig in contact probeerde te komen.
Bovenstaande gang van zaken vindt tevens steun in de verklaring van [betrokkene 2] , die de verdachte heeft herkend, en in de verklaring van [slachtoffer] over de man die in de [wijk] de auto inkwam en hem mishandelde en dat dit dezelfde man was als degene die achter [betrokkene 2] was aangerend.
Het hof acht het vorenstaande redengevend voor de betrokkenheid van de verdachte. De verdachte heeft geen die redengevendheid ontzenuwende verklaring afgelegd. Immers, de verklaring van de verdachte over zijn alibi, te weten dat hij de hele avond van 19:00 uur tot 22:00 uur bij zijn buurvrouw [getuige 2] was, vindt geen steun in de verklaringen van de getuigen of de telecom gegevens. [getuige 2] heeft verklaard dat de verdachte na het eten tussen 20:00 uur en 20:30 uur is vertrokken, terwijl het feit omstreeks 20:00 uur een aanvang neemt. De telecomgegevens laten zien dat de verdachte voor 19:30 uur en na 20:39 uur in beweging was en dus niet bij de buurvrouw was. In de tussenliggende periode stond de telefoon volgens de verdachte uit, zodat daaruit geen ontlastende conclusies over zijn locatie kunnen worden getrokken, terwijl het uitzetten van de telefoon door de verdachte dienstig kan zijn geweest aan het voorkomen van digitale sporen van zijn betrokkenheid bij het tenlastegelegde.
Ten overvloede wijst het hof op de verklaring van [betrokkene 1] , die gelet op zijn rol van de hoed en de rand moet weten, en die de verdachte niet ontlast. Hij heeft geen andere personen aangewezen als zijn mededaders, terwijl zijn verhoor door de politie een voor de betrokkenheid van de verdachte omineus verloop kent. Hij ontkent aanvankelijk die dag überhaupt contact te hebben gehad met de verdachte, hetgeen aantoonbaar onjuist is en doet het ook voorkomen alsof hij de verdachte niet of nauwelijks kent, hetgeen weerlegd wordt door de telecomgegevens en de verklaring van de verdachte zelf. Op het moment dat [betrokkene 1] hiermee werd geconfronteerd, verandert hij van een pratende verdachte in een zwijgende verdachte. [betrokkene 1] lijkt aldus de verdachte buiten schot te willen houden.
Het hof onderkent dat er enige inconsistenties en ontwikkeling in de verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 2] zitten, maar is van oordeel dat die aan de geloofwaardigheid van (de kern van) die verklaringen niet af doen. Ook niet door de niet ideale omstandigheden waaronder [betrokkene 2] tot zijn herkenning van de verdachte is gekomen. Daarbij verdient opmerking dat niet aannemelijk is geworden dat de door [betrokkene 2] als de verdachte herkende achtervolger een bivakmuts over zijn gelaat droeg. De inconsistenties en de ontwikkeling in de verklaringen kunnen verklaard worden uit de aard van het feit en het moment van de verhoren. [slachtoffer] is eerst op straat gehoord, waar hij mogelijk nog in een staat van shock verkeerde. Vervolgens zijn hij en [betrokkene 2] , geruime tijd later, als getuigen gehoord. Beiden gaven aan dat zij hebben geprobeerd de gebeurtenissen te vergeten, hetgeen bepaald niet onaannemelijk is gelet op hun jeugdige leeftijd en de grote impact van het delict. De wisseling in de verklaringen van [slachtoffer] over de rol van de verdachte en diens broer kan naar het oordeel van het hof goed worden verklaard door de panieksituatie waarin hij zijn waarnemingen heeft gedaan, het feit dat hij hen niet kende en deze waarnemingen vervolgens heeft proberen te vergeten. Voorts draagt aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] en [betrokkene 2] bij dat deze verklaringen op vele punten steun vinden in ander bewijsmateriaal, waaruit ook de door de getuigen beschreven gang van zaken naar voren komt.
Het hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de verdachte de man is geweest die met een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, achter de getuige [betrokkene 2] is aangerend, later de auto in is gestapt en daar [slachtoffer] heeft mishandeld. De wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling komen voort uit een vooropgezet plan om [betrokkene 2] en [slachtoffer] terecht te wijzen voor de mishandeling van de zoon van de verdachte.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte zich dan ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] en het medeplegen van mishandeling met voorbedachten rade van [slachtoffer] .”
Het verweer van de verdediging
7. Op de terechtzitting in hoger beroep van 24 november 2022 heeft de raadsman van de verdachte een pleitnota overgelegd, die blijkens het proces-verbaal van deze terechtzitting in het dossier is gevoegd. Op deze pleitnota zijn door de griffier handgeschreven nummers aangebracht. Deze nummers corresponderen met de eveneens van nummers voorziene aanvullende opmerkingen die de raadsman ter terechtzitting heeft gemaakt. Ik geef hieronder de pleitnota en de aanvullingen daarop weer. De aanvullingen zijn door mij gecursiveerd en voorzien van vetgedrukte en iets inspringende cijfers. Het gaat, voor zover hier relevant, om het volgende (met weglating van de voetnoten):
“2. Cliënt heeft vanaf het moment dat hij zichzelf heeft gemeld op het politiebureau in Zaandijk op 31 augustus 2020 uitdrukkelijk ontkent als medepleger betrokken te zijn bij deze zaak.
2.Cliënt is teruggekomen uit Marokko waar hij voor zijn zieke vader zorgde.
2. Cliënt heeft ook direct verklaart waar hij die bewuste van avond van 18 februari 2019 ten tijde van het feit dan wél was.
3. Graag begin ik dan ook met het alibi van cliënt. Cliënt heeft vanaf zijn eerste verhoor consistent verklaart dat hij op 18 februari 2019 ten tijde van het incident te gast was op een etentje bij zijn buurvrouw, [getuige 2], woonachtig aan de [c-straat 1] te [plaats] .
4. Het alibi van cliënt wordt onderbouwd door 3 getuigen, te weten [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], die allen
ten overstaan van de politieeen verklaring hebben afgelegd. Deze 3 getuigen bevestigen –zonder enig relevant voorbehoud- de verklaring van client.
5. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld, dat de verklaringen van deze getuigen kritisch moeten worden bezien. Dat verklaringen van getuigen niet klakkeloos moeten worden gevolgd is evident, hetzelfde geldt overigens voor aangiftes maar daarover straks meer. Het Openbaar Ministerie heeft er echter niet voor gekozen om de getuigen aanvullend te horen bij de politie danwel ten overstaan van de rechter-commissaris.
3.Deze getuigen verklaren iets heel essentieels, namelijk dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde bij hen was. Cliënt kan dus geen medepleger zijn geweest.
6. Uit de verklaring van cliënt tezamen met die van de 3 getuigen en de telefoongegevens van cliënt, kan worden gereconstrueerd dat cliënt volgens hen allemaal
in ieder gevaltussen de tijdstippen van 19:30 en 20:30 bij het etentje aanwezig was.
- Volgens [getuige 2], de buurvrouw, zijn cliënt en zijn gezin bij haar komen eten die bewuste avond en na het eten tussen 20:00 en 20:30 vertrokken.
- Volgens [getuige 3], de dochter van [getuige 2], waren “de buren van [c-straat 1]” (client en zijn gezin) op 18 februari 2019 inderdaad bij hen te gast tijdens het eten.
- Volgens [getuige 1], de vrouw van client, hebben zij, client en de kinderen bij de buurvrouw van [c-straat 2] gegeten en denkt ze dat ze vermoedelijk tegen 21:00 vertrokken zijn.
- Cliënt heeft in zijn aanvullende verklaring uitgelegd dat hij tussen 19:00 en 19:30 waarschijnlijk even naar het centrum van [plaats] is gereden om de coffeeshop te bezoeken. Dat is consistent met peilgegevens. Of cliënt zelf iets later bij de buurvrouw is aangekomen of rond 19:30 samen met [getuige 1] is gearriveerd weet hij niet meer.
4.Door [getuige 1] is gezegd dat zij en cliënt vanaf ongeveer 18:00 uur bij de buren zijn geweest, maar dat het zou kunnen dat zij eerder bij de buren was en dat cliënt daar later is aangekomen.
7. Dat in de verklaringen de tijdstippen van aankomst en vertrek enigszins uiteen lopen, is logisch gezien het feit dat alle verklaringen minimaal anderhalf jaar na dato zijn opgenomen. Het feit dat de verklaringen van de 3 getuigen en cliënt op bepaalde details niet helemaal overeenstemmen is eerder een aanwijzing dat van afstemming
geensprake is.
5.Het zou juist de indruk kunnen wekken dat cliënt zijn verklaringen heeft afgestemd als hij vier identieke verklaringen heeft afgelegd over de periode van anderhalf jaar. Cliënt heeft een schatting van het tijdstip gegeven en zat daar een uur naast.
8. Dat er nog wel enige herinnering aan het etentje bestaat bij de buurvrouw en haar dochter is ook
nietvreemd. Er was sprake was van een uitzonderlijke situatie die dag: bezoek uit Turkije. [getuige 3] slaat namelijk
nietaan op de datum maar
welop het bezoek uit Turkije.
9. Het OM merkt op dat het opvallend is [d]at de buren in hun herinnering zouden zijn “geactiveerd” door [getuige 1]. [getuige 3] verklaart uitdrukkelijk dat [getuige 1] haar heeft benaderd om een verklaring af te leggen over die bewuste dag, maar NIET heeft gezegd waar het over ging.
10. Ook uit de verklaring van [getuige 2] blijkt
nergensdat [getuige 1] inhoudelijk met haar gesproken heeft over de zaak.
11. Dat [getuige 1] wél direct weet waarom het gaat als de politie voor een verklaring aan haar deur komt is niet verwonderlijk. Zij weet uiteraard dat cliënt vast zit en waarom de politie haar wil spreken.
12. Het ten laste gelegde heeft zich afgespeeld tussen 20:00 en 20:40 op 18 februari 2019. Samenvattend heeft cliënt een alibi voor 18 februari 2019 tussen 19:30 en 20:30. Dit alibi wordt door 3 getuigen bevestigd en is consistent met de peil- en telefoongegevens in het dossier. Cliënt kán op basis hiervan niet fysiek betrokken zijn geweest bij het feit.”
De bespreking van het eerste cassatiemiddel
8. Ik ontwaar in het middel en de toelichting daarop drie deelklachten die op de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde betrekking hebben. Deze deelklachten bespreek ik hieronder, de eerste en de tweede deelklacht gezamenlijk.
9. In de
eerste deelklachtwordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte over zijn alibi, te weten dat hij de hele avond van 19:00 uur tot 22:00 uur bij zijn buurvrouw [getuige 2] was, geen steun vindt in de verklaringen van de getuigen of de telecomgegevens, een denaturering is van het verweer van de verdediging, waarin is aangevoerd dat uit de in het dossier opgenomen verklaringen van [getuige 2], haar dochter en de echtgenote van de verdachte volgt dat de verdachte pas tussen 20:00 uur en 20:30 uur de woning van [getuige 2] heeft verlaten, zodat hij in ieder geval niet in staat is geweest de tenlastegelegde gedragingen – die volgens het hof omstreeks 20:00 uur moeten zijn aangevangen – te kunnen verrichten. Met de
tweede deelklachtwordt aangevoerd dat de betreffende verklaringen zijn opgenomen in het dossier, zodat het oordeel van het hof dat het verweer van de verdediging geen steun vindt in de verklaringen van de getuigen of de telecomgegevens onjuist, althans onbegrijpelijk is.
10. In essentie houdt de eerste deelklacht in dat het hof een onderdeel van een door de verdediging gevoerd verweer verkeerd zou hebben geïnterpreteerd. Omdat de uitleg van verweren is voorbehouden aan de feitenrechter, laat zich in cassatie slechts de begrijpelijkheid ervan toetsen. [1]
11. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 november 2022 en de overgelegde pleitnota van de raadsman houden niet in dat in hoger beroep door of namens de verdachte het door de stellers van het middel verwoorde verweer is gevoerd dat uit de in het dossier opgenomen verklaringen van [getuige 2], haar dochter en de echtgenote van de verdachte volgt dat de verdachte pas tussen 20:00 uur en 20:30 uur de woning van [getuige 2] heeft verlaten, zodat hij niet in staat is geweest de tenlastegelegde gedragingen te kunnen verrichten. Integendeel, de raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte fysiek niet betrokken kan zijn geweest bij het verweten incident dat volgens de raadsman heeft plaatsgehad op 18 februari 2019 tussen 20:00 uur en 20:40 uur, omdat de verdachte op die dag tussen 19:30 uur en 20:30 uur bij zijn buurvrouw [getuige 2] was. In dat verweer ligt besloten dat de verdachte in het in die periode gelegen tijdvak van 20:00 uur tot 20:30 uur de woning van [getuige 2] juist niet heeft verlaten. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat het in de eerste en de tweede deelklacht bedoelde verweer niet is gevoerd, zodat deze deelklachten feitelijke grondslag missen.
12. Ten overvloede zij opgemerkt dat ik – gelet op hetgeen de verdediging daaromtrent heeft aangevoerd – noch de uitleg die het hof heeft gegeven aan het hiervoor besproken wél door de verdediging gevoerde verweer, noch (de motivering van) de verwerping daarvan door het hof onbegrijpelijk acht.
13. Volgens de
derde deelklachtheeft het hof ten onrechte voor het bewijs van het tenlastegelegde gebruik gemaakt van het tegen de medeverdachte [betrokkene 1] gewezen arrest aangezien een in een andere strafzaak tegen een medeverdachte uitgesproken veroordeling geen redengevende kracht in de voorliggende zaak heeft.
14. Voor de beoordeling van deze deelklacht is van belang dat art. 359, derde lid, Sv vereist dat de bewijsmiddelen voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten. Schending van dit voorschrift hoeft echter niet tot cassatie te leiden als de inhoud van het niet redengevende (deel van het) bewijsmiddel waar de bewijsconstructie op berust, van zodanig ondergeschikt belang is dat niet kan worden gezegd dat dit een behoorlijke motivering van de bewezenverklaring in de weg staat. [2]
15. Het hof heeft het in de zaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1] gewezen arrest, wat betreft de desbetreffende bewezenverklaring, ook in de onderhavige zaak gebruikt voor het bewijs van beide bewezenverklaarde feiten ten laste van de verdachte (zie bewijsmiddel 12). De omstandigheid dat de medeverdachte [betrokkene 1] (ook) is veroordeeld voor kort gezegd het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en het medeplegen van mishandeling van het slachtoffer [slachtoffer] kan, mede gelet op art. 359, derde lid, Sv, niet redengevend zijn voor het bewijs dat de verdachte de in zijn zaak tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. In zoverre hebben de stellers van het middel het gelijk aan hun zijde.
16. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden nu de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde ook met weglating van bewijsmiddel 12 toereikend is gemotiveerd, zodat de verdachte onvoldoende belang heeft bij vernietiging van het bestreden arrest op die grond.
17. Nu elk van de deelklachten het beoogde doel mist, is het middel tevergeefs voorgesteld.
Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
18. Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken door het hof te laat zijn ingezonden.
19. Namens de verdachte is op 8 december 2022 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 12 september 2023 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden, die geldt in zaken waarin de verdachte niet in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of niet het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, met ruim een maand overschreden. [3] Daarbij merk ik op dat inmiddels ook de termijn van zestien maanden sinds het instellen van het cassatieberoep is overschreden, zodat dit verzuim niet meer valt te repareren met een voortvarende afdoening door de Hoge Raad. [4] Dit een en ander dient te leiden tot strafvermindering in een mate die de Hoge Raad gepast voorkomt
20. Het tweede middel slaagt.
Slotsom
21. Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld. Nu de verdachte door de rechtbank is vrijgesproken van het tenlastegelegde en in cassatie tevergeefs is geklaagd over de bewijsvoering en bewezenverklaring daarvan, ligt afdoening met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering ten aanzien van dit middel niet in de rede. [5] Het tweede middel slaagt.
22. Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers,
2.HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146,
3.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
4.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
5.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,