De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden voor witwassen en eenvoudig witwassen. Het hof stelde vast dat verdachte goederen en geld had verkregen die afkomstig waren uit een eigen misdrijf, namelijk afpersing en oplichting van een voormalige vriendin.
De verdachte stelde in cassatie dat het bewijs voor het bestanddeel 'afkomstig uit enig eigen misdrijf' onvoldoende was, omdat niet was vastgesteld van welk specifiek misdrijf de goederen afkomstig waren. De procureur-generaal betoogde dat dit niet vereist is volgens de jurisprudentie en dat het hof terecht had geoordeeld dat sprake was van enig misdrijf.
Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van de benadeelde, WhatsApp-berichten waaruit blijkt dat verdachte onder druk geld heeft verkregen, en het feit dat verdachte de goederen met dat geld heeft gekocht. De Hoge Raad vond geen reden om het arrest te vernietigen en verwierp het cassatieberoep.
De zaak benadrukt dat voor witwassen niet vereist is dat het precieze misdrijf wordt vastgesteld, maar dat wel moet vaststaan dat de goederen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Het hof heeft dit voldoende onderbouwd met het bewijsmateriaal.