AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad vernietigt arrest over ontbinding leveringsovereenkomst energiebedrijf
In deze zaak vorderen de verweerders dat Nieuw-Hollands Energiebedrijf (NHE) elektriciteit en gas blijft leveren tegen vaste tarieven zoals overeengekomen in de leveringsovereenkomst. NHE stelde de overeenkomst te hebben ontbonden wegens te late betalingen en het niet treffen van zekerheidsmaatregelen, waarna zij tegen dagmarktprijzen bleef leveren.
De voorzieningenrechter oordeelde dat NHE de overeenkomst terecht had ontbonden. Het hof Arnhem-Leeuwarden vernietigde dit vonnis en oordeelde dat NHE de overeenkomst niet had ontbonden maar eenzijdig had gewijzigd, wat niet was toegestaan. NHE stelde in cassatie dat het hof buiten de rechtsstrijd was getreden door deze vaststelling, omdat verweerders de ontbinding niet betwistten.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof in hoger beroep buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door de ontbinding niet te erkennen, terwijl dit uitgangspunt was in de processtukken en niet door verweerders was bestreden. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar een ander hof wegens overschrijding van de rechtsstrijd.
Voetnoten
1.Vgl. voor de vaststaande feiten rov. 3.1-3.11 van het arrest van het hof. Zie ook rov. 2.1-2.10 van het vonnis van de voorzieningenrechter.
2.Het arrest van het hof bevat in rov. 3.3 alleen een samenvatting van deze bepalingen. Het citaat dat hierna in de tekst volgt, is overgenomen uit rov. 2.4 van het vonnis van de voorzieningenrechter.
3.Het arrest van het hof bevat in rov. 3.5 alleen een samenvatting van de inhoud van deze e-mail. Het citaat dat hierna in de tekst volgt, is overgenomen uit rov. 2.6 van het vonnis van de voorzieningenrechter.
4.Het arrest van het hof bevat in rov. 3.7 alleen een samenvatting van de inhoud van deze e-mail. Het citaat dat hierna in de tekst volgt is overgenomen uit rov. 2.8 van het vonnis van de voorzieningenrechter
5.Het vonnis van de voorzieningenrechter vermeldt als datum van de dagvaarding abusievelijk 4 mei 2022.
6.In eerste aanleg was ook Liander N.V. gedaagde. In hoger beroep is Liander N.V. niet meer mee gedagvaard door [verweerders]
7.Vgl. rov. 3.1 van het vonnis van de voorzieningenrechter. Zie ook de inleidende dagvaarding van [verweerders] onder 5.
8.Vgl. rov. 3.2 en 4.5 (zevende zin) van het vonnis van de voorzieningenrechter. Zie voorts de conclusie van antwoord van NHE, onder 10 en 19, en de pleitnota mondelinge behandeling eerste aanleg van NHE, p. 1-2 (“(…) aan [de V.O.F.] [is] verzocht om nadere zekerheden te verstrekken ter waarborging van zijn betalingsverplichting. Door [de V.O.F.] is geen gehoor gegeven aan ons verzoek, waarna de leveringsovereenkomst conform de algemene voorwaarden van NHE is ontbonden en [de V.O.F.] per 1 november 2021 door NHE beleverd werd op basis van de dagmarkttarieven”).
9.Het vonnis is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
10.De voorzieningenrechter verwerpt hier het betoog van [verweerders] dat zij geen kennis hebben genomen van de e-mail van 30 september 2021 omdat zij dachten dat dit spam was. Voor het cassatieberoep is dit niet relevant.
11.Hier verwerpt de voorzieningenrechter het betoog van [verweerders] dat de late betaling van facturen door [verweerders] zou zijn gedoogd door NHE. Ook dit is in cassatie niet relevant.
13.De procesinleiding is op 7 maart 2023 bij de Hoge Raad ingediend, dus binnen acht weken na het arrest van het hof.
14.Zie hun dagvaarding onder 5, hiervoor al aangehaald.
15.In feite de pleitnota voor de behandeling van de zaak door de voorzieningenrechter, denk ik. Vgl. rov. 1.1 derde gedachtestreepje van het vonnis van de voorzieningenrechter dat rept van het bestaan van zo’n pleitnota en niet van een akte.
16.Zie p. 2 van de akte, onder het kopje ‘Ontbinding van de overeenkomst niet redelijk’.
17.Zie uitvoerig H.E. Ras & A. Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2017.
18.Vgl. voor een en ander bijvoorbeeld Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/117-121, met vermelding van rechtspraak. Zie voorts onder meer HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:505, NJ 2019/158, rov. 3.3.2, met vermelding van eerdere arresten. 19.Zie voor dat betoog in eerste aanleg de al genoemd akte antwoord p. 2, tweede alinea.
20.Zie daarover mijn conclusie in zaak 21/00374, ECLI:NL:PHR:2021:1104, onder 3.29-3.30, met verdere verwijzingen.