Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
goederen [1] , dieaan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om
zich dezewederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.”
goederenuit de in de bewezenverklaring genoemde woning toereikend is gemotiveerd.
3.Het tweede middel
uit het arrestvan het hof niet kan worden afgeleid welke van de drie met rechtspraak belaste rechterlijke ambtenaren die op de zaak hebben gezeten als voorzitter is opgetreden. Daarmee stelt de steller van het middel een eis die de wet niet kent. In geen enkel wetsartikel is bepaald dat in een arrest (of in een vonnis) moet zijn opgenomen onder wiens voorzitterschap de uitspraak is tot stand gekomen of gewezen. Wel moet de zittingsorganisatie van elk gerecht zodanig zijn ingericht, dat bij elke zitting het voorzitterschap duidelijk is belegd.
uit het arrestdient te blijken welke raadsheer als zaaksvoorzitter is opgetreden, omdat alleen dan kan worden gecontroleerd of de voorzitter geen onbezoldigde raadsheer plaatsvervanger is – voor wie geldt dat zij pas kunnen worden ingezet als voorzitter van een meervoudige strafkamer als zij dezelfde selectieprocedure hebben doorlopen als die geldt voor vaste rechters – brengt ook dat mij niet tot een ander standpunt. [6] Afgezien van het feit dat raadpleging van openbare bronnen [7] uitwijst dat geen van de raadsheren die het arrest in de onderhavige zaak heeft gewezen op dat moment onbezoldigd raadsheer-plaatsvervanger was en de verdachte in zoverre in geen enkel belang is getroffen, is een dergelijke op de website van de rechtspraak gepubliceerde richtlijn geen recht in de zin van art. 79 RO Pro. In cassatie kan hierop geen beroep worden gedaan. [8]