Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2020:1312

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2020
Publicatiedatum
16 juli 2020
Zaaknummer
19/02387
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 ROArt. 2 lid 1 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenarenArt. 5f Wet rechtspositie rechterlijke ambtenarenArt. 6 ROArt. 8 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling inzet van raadsheren-plaatsvervangers in meervoudige kamer bij billijke vergoeding

Deze zaak betreft een cassatieberoep van een werkneemster tegen een beschikking van het hof dat een billijke vergoeding van €4.000 bruto toekende wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. De werkneemster stelde primair dat het hof niet had mogen beslissen met een samenstelling van twee raadsheren-plaatsvervangers en één vaste raadsheer, omdat dit strijdig zou zijn met fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging.

De Hoge Raad overwoog dat raadsheren-plaatsvervangers volwaardige rechterlijke ambtenaren zijn, benoemd voor het leven, en dat de wet het bestuur van het gerecht toestaat hen in te zetten zonder beperking in aantal binnen een meervoudige kamer. Hoewel professionele standaarden het inzetten van meer dan één plaatsvervanger onwenselijk achten, staat dit niet aan de wettelijke bevoegdheid in de weg.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en oordeelde dat het hof bevoegd was de beschikking te geven in de gekozen samenstelling. Het incidentele beroep van de werkgever behoefde geen behandeling. De werkneemster werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/02387
Datum17 juli 2020
BESCHIKKING
In de zaak van
[werkneemster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het incidentele beroep,
hierna: de werkneemster,
advocaat: S.F. Sagel,
tegen
HAIRSTYLING 2000 B.V., h.o.d.n. New Hairstyle,
gevestigd te Bunschoten,
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het incidentele beroep,
hierna: New Hairstyle,
advocaat: M.J. van Basten Batenburg.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding verwijst de Hoge Raad naar:
a. zijn beschikking tussen partijen in de zaak 16/03200, ECLI:NL:HR:2017:1187 van 30 juni 2017;
b. de beschikking in de zaak 200.231.887/01 van gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 februari 2019.
De werkneemster heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
New Hairstyle heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaat van de werkneemster heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
Deze zaak is het vervolg op HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle). De werkneemster heeft in het geding na verwijzing verzocht – kort gezegd – haar een billijke vergoeding toe te kennen van ten minste een bedrag van € 100.000,, dan wel een naar redelijkheid en billijkheid te bepalen bedrag.
2.2
Het hof heeft, na een mondelinge behandeling, de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd waarin aan de werkneemster een billijke vergoeding is toegekend van € 4.000,-- bruto. Het heeft daartoe onder meer overwogen dat deze vergoeding aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van dit geval (rov. 5.32).
2.3
De beschikking van het hof is gegeven door een meervoudige kamer, bestaande uit een raadsheer en twee raadsheren-plaatsvervangers. Eén van deze raadsheren-plaatsvervangers was volgens een brief van de griffier van het hof van 21 mei 2019 werkzaam als raadsheer-plaatsvervanger met een aanwijzing.

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1
Onderdeel 1 van het middel in het principale beroep voert primair aan dat het hof geen beschikking had mogen geven in een combinatie bestaande uit twee raadsheren-plaatsvervangers en slechts één vaste raadsheer. Een dergelijke bezetting is volgens het onderdeel in strijd met fundamentele beginselen van een behoorlijke rechtspleging. Subsidiair betoogt het onderdeel dat het hof partijen voorafgaand aan de mondelinge behandeling had behoren te informeren over het voornemen om een dergelijke combinatie in te zetten en hen in de gelegenheid had moeten stellen te verzoeken dat de mondelinge behandeling zou worden gehouden ten overstaan van een combinatie met in elk geval twee vaste raadsheren, welk verzoek het hof dan alleen op zwaarwegende gronden had mogen afwijzen.
3.2.1
Raadsheren-plaatsvervangers en rechters-plaatsvervangers (hierna samen: ‘rechters-plaatsvervangers’) zijn ‘rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast’ (art. 1, onder c en onder b ten 2e en 3e, RO). Zij worden, evenals raadsheren en rechters, bij koninklijk besluit voor het leven benoemd (art. 117 Grondwet Pro in verbinding met art. 2 lid 1 Wet Pro rechtspositie rechterlijke ambtenaren).
Een rechterlijk ambtenaar vervult het ambt waarin hij wordt benoemd op basis van een aanstelling voor een gemiddeld aantal uren per week. Rechters-plaatsvervangers worden, in afwijking hiervan, niet aangesteld. Zij kunnen voor het verrichten van werkzaamheden door het bestuur van het gerecht worden opgeroepen. Zij kunnen hun ambt ook vervullen op basis van een aanwijzing voor een gemiddeld aantal uren per week. (Zie art. 5f leden 1-3 in verbinding met art. 1 lid 2 Wet Pro rechtspositie rechterlijke ambtenaren.)
3.2.2
Het bestuur van een gerecht vormt voor het behandelen en beslissen van zaken enkelvoudige en meervoudige kamers en bepaalt de bezetting daarvan (art. 6 lid 1 RO Pro). Tenzij in de wet anders is bepaald, bestaan de meervoudige kamers uit drie rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, van wie een als voorzitter optreedt (art. 6 lid 2 RO Pro). Het bestuur kan voor de behandeling en beslissing van zaken rechters-plaatsvervangers oproepen (art. 8 RO Pro).
3.2.3
Rechters-plaatsvervangers kunnen dus, als rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, door het bestuur van het gerecht worden opgeroepen voor de behandeling en beslissing van zaken. De wet stelt geen beperkingen aan het aantal rechters-plaatsvervangers in de bezetting van een meervoudige kamer.
3.2.4
In professionele standaarden en in het kwaliteitszorgsysteem van de rechtspraak komt tot uitdrukking dat het inzetten van meer dan één rechter-plaatsvervanger in een meervoudige kamer onwenselijk wordt geacht (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.30 e.v.). Dit kan echter niet afdoen aan de wettelijke bevoegdheid van het bestuur van het gerecht om meer dan één rechter-plaatsvervanger voor de behandeling en beslissing van zaken in een meervoudige kamer op te roepen. Daarbij verdient opmerking dat verschillen tussen rechters-plaatsvervangers bestaan naar aard (al dan niet met een aanwijzing, zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.66-4.77) en achtergrond (zoals het zijn van oud-rechter, de aanwezigheid van specialistische kennis), en dat de keuze voor het aantal rechters-plaatsvervangers dat op een zaak wordt ingezet daardoor kan worden bepaald. Mede op die grond kan niet worden aangenomen dat de inzet van meer dan één rechter-plaatsvervanger in een meervoudige kamer als zodanig in strijd is met de beginselen van een behoorlijke rechtspleging.
3.3
Het onderdeel gaat uit van beperkingen aan de inzet van rechters-plaatsvervangers die, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor in 3.2.1-3.2.4 is overwogen, geen steun vinden in het recht. Het faalt daarom.
3.4
De overige klachten van het middel in het principale beroep kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).
3.5
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat een van de klachten van het middel in het principale beroep slaagt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt [werkneemster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van New Hairstyle begroot op € 882,34 aan verschotten en € 1.800, voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
17 juli 2020.