ECLI:NL:PHR:2024:1059

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 oktober 2024
Publicatiedatum
10 oktober 2024
Zaaknummer
22/02818
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 359 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke vernietiging hofarrest wegens overschrijding redelijke termijn bij diefstal met geweld in vereniging

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor diefstal met (bedreiging van) geweld in vereniging, gepleegd op 8 juni 2020. Het hof legde een gevangenisstraf op van zestien maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uur. De zaak betrof het wegnemen van een mobiele telefoon en een hond van het slachtoffer, waarbij geweld en bedreiging met messen en een honkbalknuppel werden gebruikt.

De verdediging voerde aan dat de verklaringen van het slachtoffer en een getuige onbetrouwbaar waren vanwege inconsistenties en het gebruik van alcohol en drugs. Het hof verwierp dit verweer uitvoerig, onderbouwd met ondersteunend bewijs zoals camerabeelden, politieverklaringen en WhatsApp-berichten. Het hof achtte de verklaringen betrouwbaar en voldoende voor bewezenverklaring.

De advocaat-generaal stelde in zijn conclusie dat het hof voldoende en begrijpelijk had gemotiveerd waarom het afweek van het verweer van de verdediging. Wel merkte hij ambtshalve op dat de redelijke termijn voor cassatie was overschreden, wat leidt tot strafvermindering. De conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging van het hofarrest wat betreft de strafduur en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt gedeeltelijk vernietigd wegens overschrijding van de redelijke termijn, met strafvermindering, en het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02818
Zitting15 oktober 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte
I.
Inleiding
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft de verdachte bij arrest van 13 juli 2022 wegens, kort gezegd, ‘diefstal met (bedreiging van) geweld in vereniging’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en een taakstraf van 240 uur. [1]
2. Er bestaat samenhang met de zaak 22/02819. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte heeft J.H. Rump, advocaat in Zwolle, één cassatiemiddel voorgesteld.
II.
Bewezenverklaring en bewijsoverwegingen
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 8 juni 2020 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen
- een mobiele telefoon,
- een hond,
die aan [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door;
- Die [slachtoffer] de gang van de woning in te trekken en/of de centrale hal van het pand in te trekken,
- meerdere messen op die [slachtoffer] te richten,
- die [slachtoffer] eenmaal, met een honkbalknuppel tegen zijn (boven)arm te slaan.”
5. Het hof heeft met betrekking tot het bewijs, en tevens in reactie op het door de verdediging gevoerde bewijsverweer, het volgende overwogen: [2]

Standpunt raadsvrouw.
De raadsvrouw heeft verzocht om de verdachte integraal vrij te spreken. De verklaringen van aangever [slachtoffer] en [getuige] zouden onbetrouwbaar zijn vanwege inconsistentie in hun verklaringen en omdat zij beiden onder invloed waren van alcohol en drugs ten tijde van de tenlastegelegde feiten. [slachtoffer] zou daarnaast over het geldbedrag hebben gelogen en over zijn letsel. Deze verklaringen kunnen volgens de verdediging daarom niet tot het bewijs worden gebezigd waardoor er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de tenlastegelegde feiten.
Oordeel hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.
Op 8 juni 2020 om 04:10 uur kwam de politie aan de [a-straat 1] in [plaats] ter plaatse en sprak aangever [slachtoffer]. Hij gaf gelijk aan zojuist te zijn beroofd. Hij was bij [getuige] in haar woning toen er drie mannen binnenkwamen en hij herkende twee daarvan als verdachte en [medeverdachte 1]. Hij verklaarde dat hij door de drie mannen de gang is ingetrokken en dat verdachte en [medeverdachte 1] een mes vasthielden en de derde, voor aangever onbekende, man een honkbalknuppel. Aanvankelijk verklaarde hij dat de mannen naast zijn mobiele telefoon en zijn hond ook 2800 euro hadden meegenomen.
Op dezelfde dag om 07:45 uur werd aangever uitgebreider gehoord en hij kwam bij aanvang van het verhoor uit zichzelf - dus niet naar aanleiding van een vraag daarover - terug op zijn eerdere verklaring dat er € 2.800,- was weggenomen. Hij zou niet weten hoeveel geld er was weggenomen. Vervolgens verklaarde aangever ook nu weer dat er drie mannen binnenkwamen die hem de hal introkken. Aangever noemde opnieuw dat hij verdachte en [medeverdachte 1] herkende en dat zij beiden messen vasthielden en dat de onbekende man een honkbalknuppel vasthield. Aangever verklaarde dat zijn telefoon is meegenomen en dat het mes dreigend voor hem werd gehouden en dat hij met de honkbalknuppel op zijn linkerschouder werd geslagen. Daarna zag aangever dat de onbekende man zijn hond, die al bij de drie verdachten in de hal was, aan de halsband van de trap trok. Aangever ging daarop naar buiten en daar zag hij verdachte met [medeverdachte 1] en de onbekende man staan zonder de hond. De onbekende man kwam weer dreigend op hem af met de honkbalknuppel, waarna aangever weer naar binnen vluchtte.
In het derde verhoor van aangever, wat plaatsvond op 9 juni 2020, herhaalt aangever zijn verklaring dat er drie mannen binnen waren gekomen, dat ze zijn telefoon en hond hebben meegenomen en dat hij daar achteraan wilde, maar dat buiten de man met de honkbalknuppel op hem af kwam. Aangever verklaart dat een persoon genaamd [medeverdachte 2] ook buiten stond. In het verhoor merkt de verbalisant op dat aangever een snijwond op zijn rechterarm heeft. Hem wordt gevraagd hoe hij daar aan komt. Aangever geeft dan aan dat het is gebeurd in de worsteling met de drie jongens toen hij zijn hond terug wilde pakken. Wanneer de verbalisant vraagt naar het letsel op de linkerschouder dat is veroorzaakt door de honkbalknuppel, toont aangever een blauwe plek op zijn bovenarm.
Het hof is van oordeel dat bovenstaande verklaringen van aangever gebezigd kunnen worden voor het bewijs, omdat de verklaringen grotendeels steun vinden in andere onderdelen van het dossier.
Dat aangever [slachtoffer] en [getuige] middelen hadden gebruikt en op (ondergeschikte) onderdelen wisselend hebben verklaard, maakt dit niet anders. Ook het feit dat [slachtoffer] aanvankelijk anders heeft verklaard over de hoogte van het gestolen geldbedrag, maakt niet dat het hof zijn gehele verklaring ongeloofwaardig vindt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat verdachte [3] midden in de nacht is gehoord en enkele uren later uit eigen beweging die verklaring over dat geldbedrag heeft gerectificeerd. Ten aanzien van het letsel merkt het hof op, dat het niet aannemelijk is geworden dat aangever de snee in zijn arm zelf heeft gemaakt om zijn verhaal kracht bij te zetten, zoals de verdediging suggereert. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat aangever niet uit zichzelf over die snee is gaan verklaren, maar alleen in antwoord op vragen van de politie.
Het hof voert als steunbewijs voor [slachtoffer] aangifte het volgende aan.
Ten aanzien van (de dreiging met) het geweld en wapens
Bij de aanhouding van verdachte en [medeverdachte 1] (naast elkaar gehurkt en zich verstoppend in de woning aan de [b-straat 1] in [plaats]) zijn twee messen aangetroffen, één in de broekzak van [medeverdachte 1] en één lag naast hem en verdachte op de grond. [medeverdachte 1] heeft ook bij de politie verklaard dat hij een mes bij zich droeg. Verdachte verklaarde in zijn tweede verhoor bij de politie eveneens dat hij een mes bij zich had. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] verklaard dat ze naar aangever waren gegaan om verhaal te halen. Voor het hof staat dan ook vast dat verdachte en [medeverdachte 1] bij [getuige] zijn geweest om aangever te ontmoeten en dat zij messen bij zich hadden.
[getuige] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] en verdachte haar hal binnen zijn gekomen met twee andere mannen. Zij verklaarde dat [medeverdachte 1] zei dat ze [slachtoffer] ‘moesten hebben’ en dat ze zijn hond zouden meenemen. De getuige verklaarde dat [medeverdachte 1] een mes in zijn hand had en schreeuwde dat hij geld moest krijgen van [slachtoffer]. De getuige hoorde verdachte ook schreeuwen en zij verklaarde dat hij iets langs in zijn hand had wat op een stok of knuppel leek. In een latere verklaring gaf de getuige aan dat ze zich niet meer herinnerde wie de knuppel had; verdachte of de derde man, maar ze benoemde wederom dat [medeverdachte 1] een mes had en de punt daarvan richting aangever droeg en dat in ieder geval iemand een lang voorwerp in zijn handen had. Ook verklaarde [getuige] dat de mannen aangever de hal in trokken. De verklaringen van aangever en getuige ondersteunen elkaar ten aanzien van de dreiging met de wapens en dat aangever de hal in is getrokken. Ook de verklaring van [getuige] acht het hof om die reden betrouwbaar.
De politie heeft vlak nadat zij aangever hadden gesproken in de nacht van 8 juni 2020, gezocht naar de mannen welke volgens aangever bij hem waren geweest. Tijdens de politie-achtervolging zagen de verbalisanten dat een van de mannen een honkbalknuppel van zich afgooide. Daarnaast blijkt uit de camerabeelden die door de politie zijn bekeken dat er in de nacht van 7 op 8 juni 2020 vier personen voor de woning aan de [a-straat] te [plaats] staan en dat een persoon een lang voorwerp vasthoudt onder zijn jas. De personen zijn allen naar binnen gegaan en de persoon met het langwerpige voorwerp onder zijn jas, haalt die er onder vandaan wanneer ze naar binnen gaan. Nadat de personen uit beeld zijn verdwenen, komen ze weer terug in beeld en is zichtbaar dat de persoon met het langwerpige voorwerp dit in zijn handen vasthoudt en die boven zijn schouder opheft en er een slaande beweging mee naar voren maakt. Dit komt onder andere overeen met de verklaring van aangever dat hij nadat de mannen binnen waren geweest, naar buiten is gelopen om zijn hond te halen en dat de onbekende man toen dreigend met een honkbalknuppel op hem af kwam. Bovendien vindt de verklaring van aangever en [getuige] dat een persoon een honkbalknuppel had, steun in de bevindingen van de politie. Een van de personen op de beelden is overigens door een verbalisant aangemerkt als [medeverdachte 2].
Uit het WhatsAppgesprek dat is aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte 1] blijkt dat [medeverdachte 1] zijn contactpersoon ‘[betrokkene 1]’ op 8 juni 2020 om 00:30 uur een bericht heeft gestuurd: ‘Ben je wakker. Is belangrijk. Neem die honkbal mee’. Waarop ‘[betrokkene 1]’ antwoordt met: ‘ligt in de bus. En [medeverdachte 2] kan kanker goed vechten.’
Het hof gaat ervan uit dat [medeverdachte 1] in zijn WhatsAppgesprek met ‘[betrokkene 1]’ met ‘[medeverdachte 2]’ verwees naar [medeverdachte 2] en dat [medeverdachte 2] ook aanwezig was toen verdachte verhaal ging halen bij aangever, mede omdat aangever [medeverdachte 2] heeft herkend en een verbalisant [medeverdachte 2] ook herkende op de stills van de camerabeelden. Het hof gaat ervan uit dat in het WhatsAppgesprek met ‘honkbal’ een honkbalknuppel wordt bedoeld, gelet op de camerabeelden en de weggegooide, en door de politie aangetroffen, honkbalknuppel zoals waargenomen door de verbalisanten.
Gelet op het WhatsAppgesprek, de camerabeelden, de bevindingen van de politie die een honkbalknuppel weggegooid zagen worden, de verklaringen van aangever, [getuige] en verdachte en medeverdachte omtrent de messen, staat het voor het hof vast dat er is gedreigd met messen door verdachte en een medeverdachte en dat een van de personen een honkbalknuppel bij zich had waarmee is geslagen.
Ten aanzien van de diefstal van de hond
Zowel aangever als [getuige] heeft verklaard dat verdachte en de andere mannen de hond van aangever hebben meegenomen. [getuige] heeft daarnaast verklaard dat zij [medeverdachte 1] hoorde zeggen dat ze [slachtoffer] zijn hond zouden meenemen. Aangever heeft zijn hond weer terug gekregen door een bericht op Facebook te plaatsen en vervolgens kon hij zijn hond ophalen bij ene [betrokkene 2], die woonachtig was op hetzelfde adres als [medeverdachte 2].
De verklaringen van aangever en getuige ondersteunen elkaar in zoverre dat het hof ervan uitgaat dat de hond van aangever is gestólen door verdachte en zijn medeverdachten. Dat de hond later kon worden opgehaald bij het adres van een medeverdachte, maakt dat het hof ervan uitgaat dat verdachte en medeverdachten de hond van aangever hebben gestolen en dat de hond niet zomaar naar buiten is gelopen, zoals gesteld door de. verdediging.
Ten aanzien van de diefstal van de telefoon
Aangever heeft in zijn aangifte verklaard dat zijn telefoon was gestolen. Bij de aanhouding van verdachte werden twee telefoons aangetroffen, waarbij één telefoon een foto van aangever als achtergrond had. Bij de politie verklaart verdachte daarover dat aangever de telefoon liet vallen en hij die oppakte en meenam. Op de vraag waarom hij die dan niet teruggaf, antwoordt hij: ‘Waarom zou ik dat doen als hij zelf wegloopt. Ik ga toch geen moeite doen om achter hem aan te gaan, als hij zelf wegloopt.’
Door de telefoon in zijn zak te steken en niet uit eigener beweging terug te geven, heeft verdachte als heer en meester over die telefoon beschikt en zich als heer en meester over die telefoon gedragen. Hij is dan ook schuldig aan de diefstal van de telefoon.
Al deze genoemde bewijsmiddelen ondersteunen de verklaringen van aangever [slachtoffer] en die van de [getuige]. Het hof is dan ook van oordeel dat die verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt.”
III.
Het cassatiemiddel en de beoordeling daarvan
Het middel
6. Het middel, gelezen in samenhang met de toelichting, houdt in dat het hof niet, althans ontoereikend, heeft gemotiveerd waarom het is afgeweken van een ter terechtzitting aangevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudend dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde omdat de verklaringen van de aangever en de getuige niet betrouwbaar zijn zodat ze niet tot het bewijs gebezigd kunnen worden en er onvoldoende bewijs is.
Het verweer van de verdediging
7. Blijkens het proces-verbaal van de ter terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte overeenkomstig haar pleitnota het volgende aangevoerd:
“Ik constateer waar het gaat om aangever [slachtoffer] dat hij in de verschillende contacten die hij met de politie heeft gehad niet heel erg consequent heeft verklaard. Ik heb daar in eerste aanleg al uitgebreid bij stilgestaan.
Bij zijn eerste contact met de politie op 8 juni 2020, het contact met verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], vertelt aangever dat hij kort daarvoor onder bedreiging van een mes en een honkbalknuppel is beroofd van zijn geld, zijn telefoon en zijn hond. Hij heeft toen niet verteld dat hij ook met dat mes en die honkbalknuppel is gestoken en geslagen. Zou dat wel het geval zijn geweest, dan had de politie dat destijds wel geverbaliseerd.
Ook tegen de derde verbalisant die aangever die nacht sprak, [verbalisant 3], heeft aangever met geen woord gerept over bedreigingen of over geweld. Aangever, die erkende op dat moment onder invloed te zijn en waar, als ik [verbalisant 3] goed begrijp, maar moeilijk een verhaal uit te krijgen was, vertelde enkel dat hij was beroofd van zijn telefoon, van 2800 euro en van zijn hond.
Ook in zijn aangifte, opgemaakt die 8e juni om 4 uur heeft aangever het niet over bedreigingen, over slaan en/of steken.
[slachtoffer] zegt samengevat:
"Ik was vannacht bij [getuige] op bezoek was toen er ineens drie mannen, ene [medeverdachte 1], [verdachte] en een onbekende derde, de woning binnenkwamen en mij de gang op trokken. [medeverdachte 1] en [verdachte] hadden allebei een mes in de hand en die derde een honkbalknuppel. Vervolgens hebben ze mij 2.800 euro, mijn hond en mijn telefoon afhandig gemaakt."
Later die ochtend legt [slachtoffer] een aanvullende verklaring af.
Wel van een ander bedrag, maar van hoeveel precies dat kan hij niet zeggen, maar het is in ieder geval een bedrag geweest dat, ik citeer, niet in de buurt komt van die 2.800 euro.
Waarom aangever heeft gelogen, dat wordt niet duidelijk. Wel wordt duidelijk dat aangever die nacht dronken was. Dat zegt hij zelf, en dat kan ook haast niet anders, uitgaande van de opmerking van aangever dat hij die nacht bijna een hele fles wodka soldaat had gemaakt. Dat is volgens aangever dan ook de reden dat hij zich niet allemaal goed kn herinneren wat er die nacht is gebeurd. Wat hij zich naar eigen zeggen (nog wel) kan herinneren is dat hij bij vriendin [getuige] op bezoek was toen er ineens op de deur geslagen werd. Er stonden, aldus aangever, drie mannen half in de deuropening. Deze drie mannen zeiden niets. Aangever vertelt dat hij naar de deur is gelopen en vervolgens door de mannen de centrale hal in werd getrokken. Twee van de mannen herkende hij, [medeverdachte 1] en [verdachte]. Beiden hadden een (klap-)mes vast, waarmee ze in de richting van aangever wezen. De derde man had een knuppel bij zich. Opnieuw zeiden, zo zegt aangever in ieder geval, de mannen helemaal niets. Wat ze wel deden, wat er in ieder geval wel gebeurde is dat aangever in zijn zakken, werd gevoeld. Aangever vertelt dat zijn telefoon werd gepakt en ook zijn geld. En daarbij ging het, zo vertelt aangever, dus niet om 2.800 euro, maar om een paar briefjes van 20 euro.
De derde man, die met de knuppel, zou op enig moment aangever op zijn linkerschouder hebben geslagen. Aangever zou daarna de woning van [getuige] in zijn gevlucht en de aanvallers buiten hebben gesloten. Na een tijdje zou hij, uit zorg om zijn hond, de deur hebben geopend en gezien hebben dat de onbekende man zijn hond mee naar beneden trok. Aangever zou daarop achter de mannen aan zijn gegaan, de trap af en naar buiten. Eenmaal buiten aangekomen zou hij de drie mannen weer hebben zien staan en zou de derde man dreigend met de knuppel op hem af zijn gekomen. Aangever zou daarom weer naar binnen zijn gevlucht en de politie hebben gebeld.
Aangever geeft geen bevredigende verklaring voor het waarom van dit alles. Er zou geen duidelijk te duiden conflict zijn. Aangever zou ook geen schulden hebben aan [medeverdachte 1] of aan cliënt. [medeverdachte 1] en [verdachte] zouden hem "gewoon haten" en eens hebben gezegd dat ze hem "ooit zouden pakken".
In zijn 5e verklaring, de verklaring die aangever op 9 juni aflegt, worden de "feiten" van die 8e juni weer anders. In deze verklaring dicht aangever [getuige] ineens, vanuit het niets, een actieve rol toe.
Hij geeft in ieder geval aan dat toen de drie verdachten bij de voordeur verschenen [getuige] hen in eerste instantie naar buiten duwde.
In deze 5e verklaring rept aangever ook voor het eerst over een worsteling die zou hebben plaatsgevonden. En bestrijdt hij wat hij eerder heeft gezegd, namelijk dat de verdachten zijn zakken hebben doorzocht en daarbij zijn telefoon hebben gepakt. Voor het "kwijtraken" van zijn telefoon heeft aangever nu ineens een hele andere verklaring. Die telefoon is niet afgepakt, maar gewoon op enig moment op de grond gevallen en meegenomen.
Ook nieuw is het letsel, in die zin dat in die 5e verklaring van aangever voor het eerst rept over letsel. Aangever zegt dat hij tijdens de worsteling gesneden is. Van de snee in kwestie is een foto gemaakt en duidelijk is dat het geen simpel krasje is. Deze snee moet aangever niet alleen pijn hebben gedaan, deze moet ook behoorlijk gebloed hebben, zeker met in het achterhoofd die bijna hele fles wodka die aangever die nacht naar eigen zeggen soldaat had gemaakt. Het is in ieder geval een feit van algemene bekendheid dat iemand die gedronken heeft, veel gedronken heeft, langer en heviger bloedt dat een gewoon, een nuchter iemand. Dit letsel kan aangever dan ook niet ontgaan zijn. Als hij het door de wodka (of iets anders) niet gevoeld heeft dat hij gewond is geraakt, dan moet hij wel het bloed hebben gezien.
En dan is het op zijn zachtst gezegd vreemd dat die wond in geen van de vier gesprekken die aangever die 8e juni met de politie heeft (het gesprek met [verbalisant 1] en [verbalisant 2], het gesprek met [verbalisant 3], het aangiftegesprek met [verbalisant 3] en de aanvulling op de aangifte) wordt benoemd of opgemerkt, niet door aangever, maar ook niet door de politie.
Wat ook vreemd is, is dat de blauwe plek die door de politie die 9e juni gefotografeerd is, een blauwe plek die volgens aangever veroorzaakt is door een klap met een honkbalknuppel op zijn linkerschouder, zit op een plek die niet correspondeert met het verhaal van aangever. Ik zie in ieder geval op de foto dat de blauwe plek niet zit op de linkerschouder, maar op de binnenkant van de linkerarm, in de buurt van de ellenboog.
Da's bijzonder.
En als ik dan in het dossier ook nog eens lees dat aangever al eerder iemand heeft beticht van het steken c.q. snijden met een mes, maar dat er destijds zoveel twijfels waren ten aanzien van het waarheidsgehalte van de aangifte dat het OM besloot die zaak te seponeren, dan denk ik dat de verklaringen van aangever met een korreltje zout te nemen zijn, sterker, met heel wat korreltjes zout te nemen zijn. Niet alleen op het punt van hoe hij aan zijn verwondingen is gekomen, maar ook breder gezien, wat er die nacht überhaupt is gebeurd.
Dat zegt ik ook bezien in het licht van de verklaringen die [getuige] heeft afgelegd. De herinneringen van [getuige] aan de gebeurtenissen van die 8e juni 2020, zijn, zo stel ik vast, anders dan aangever.
In haar eerste verklaring, van 8 juni, vertelt [getuige] dat aangever die nacht bij haar op bezoek is gekomen, dat ze samen een jointje hebben gerookt en dat aangever op dat moment niet helemaal helder meer was, door alcohol of drugs. Dat was ze zelf, zegt zij, ondanks de 3 a 4 jointjes die ze had gerookt, wel. Getuige vertelt dat er op enig moment 4 jongens, waaronder ene [medeverdachte 1] en mijn cliënt [verdachte], haar woning binnenkwamen. Getuige zou [medeverdachte 1] hebben gezegd dat ze weg moesten gaan en dat zou ook gebeurd zijn nadat [medeverdachte 1] had gezegd dat ze aangever moesten hebben en dat ze de hond van aangever zouden meenemen. Die hond zou vervolgens ook met [medeverdachte 1] naar beneden zijn gelopen.
[getuige] praat niet over een confrontatie tussen aangever en [medeverdachte 1], [verdachte] en/of de andere jongens. Getuige zegt dat [medeverdachte 1] een mes in zijn handen had, maar dat hij daarmee niet heeft gestoken. Volgens haar heeft [medeverdachte 1] wat lopen schreeuwen, geschreeuwd dat hij geld moest krijgen van aangever, en heeft ook [verdachte] lopen schreeuwen. [verdachte] zou ook iets in de handen hebben gehad, aldus getuige. En daarbij spreekt ze over een lange stok of een knuppel, maar, zegt ze erbij, dat weet ze niet 100% zeker. Getuige verklaart niet te hebben gezien dat de jongens aangever iets hebben afgepakt.
Op 9 juni wordt [getuige] opnieuw gehoord. In die verklaring weerspreekt ze de verklaring van aangever dat hij de nacht van 8 juni 2 keer bij haar op bezoek is geweest. Getuige gaat ook nog een keer in op de toestand van aangever die nacht. Ze is daarbij uitgesprokener dan in haar eerste verklaring. Want waar ze eerder heeft gezegd dat aangever niet helemaal helder meer was zegt ze nu: hij, aangever dus, was hartstikke onder invloed.
In haar tweede verklaring spreekt getuige anders dan in haar eerste verklaring wél over een fysieke confrontatie tussen aangever en de verdachten. En wat voor fysieke confrontatie. Want zo zegt ze: één van de verdachten heeft aangever uit mijn woning getrokken. Het is dan ook vreemd dat ze het daar eerder niet over heeft gehad.
Vreemd is ook dat waar getuige in haar eerste verklaring zegt dat nadat de centrale voordeur was geopend de verdachten ineens in haar woning stonden, getuige in haar tweede verklaring vertelt dat ze op enig moment haar deur opende en de verdachten voor de deur zag staan.
Daarnaast is vreemd, of op zijn minst opmerkelijk dat getuige ook ineens het verhaal van aangever dat hij nadat hij naar buiten was getrokken door drie van de verdachten werd omsingeld bevestigt. Maar of [verdachte] daarbij zoals ze in haar eerste verklaring wel had gezegd, ook iets in de handen had, daar is getuige in haar tweede verklaring dan weer vaag over. Ze vertelt in ieder geval dat ze een mes heeft gezien bij [medeverdachte 1] en een lang voorwerp in de hand van [verdachte] of in de hand van de derde jongen en ook, dat ze zich niet kan herinneren (zoals aangever zelf wel zegt zich te herinneren) dat [verdachte] een mes in de handen heeft gehad.
Getuige spreekt in haar tweede verklaring ook voor het eerst over dat ze gezien heeft dat [medeverdachte 1] in de jas van aangever en aan zijn lichaam zat te trekken. Ook dat is, net zoals het uit het huis trekken van aangever door een van de verdachten, niet iets wat niet opvalt, of iets wat zo klein en onbenulligs is dat het logisch is dat een getuige dat "vergeet" te vertellen als ze door de politie gevraagd te vertellen wat ze precies heeft gezien. Dat soort dingen vergeet je niet, net zo min als een worsteling of het slaan met een honkbalknuppel, zaken waarvan aangever uiteindelijk zegt dat die gebeurd zijn, maar waar [getuige], die er, als ik haar goed begrijp, met de neus bovenop stond, met geen woord, nog niet eens met een letter over rept.
Conclusie: bij de aangifte, bij de verklaringen die aangever heeft afgelegd, bij de verklaringen die [getuige] heeft afgelegd kunnen heel veel vraagtekens worden gezet. En die vraagtekens komen de betrouwbaarheid van deze verklaringen niet ten goede, en dan druk ik mij nog voorzichtig uit. Dat was zoals gezegd ook de conclusie van de Rechtbank. Ze heeft deze verklaringen dan ook geheel voor het bewijs uitgesloten.
Waar het gaat om de betrouwbaarheid van getuige haalt de Officier getuiges eigen verklaring aan dat ze helder van geest was. Die verklaring waag ik te betwijfelen. Mevrouw zegt namelijk dat ze die avond 3 a 4 jointjes heeft gerookt. Sorry hoor, maar dan ben je echt niet meer helder van geest. Je bent dan misschien niet zo wazig als iemand die, net als aangever, een fles wodka achterover getikt heeft, maar nuchter ben je dan niet, verre van zelfs.
Ik kan dan ook niet anders dan opnieuw concluderen dat er bij het cliënt belastende bewijs vraagtekens, veel vraagtekens, heel veel vraagtekens kunnen worden gezet. En dat die vraagtekens niet kunnen worden weggegumd, worden niet weggegumd door wat het OM heeft aangedragen. En vandaar dus dat wat mij betreft noch de verklaringen van aangever, noch de verklaringen van [getuige] voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Op dat wat er dan aan bewijs overblijft kan geen bewezenverklaring worden gegrond. Geen van de verdachten bevestigt immers dat er sprake is geweest van een diefstal, met geweld, bedreiging met geweld of anderszins. En er is ook geen ander bewijsmateriaal dat de tenlastelegging bewijstechnisch handen en voeten geeft.
En dus vraag ik u om ook in hoger beroep [verdachte] vrij te spreken, vrij te spreken van al wat hem verweten wordt.”
De beoordeling van het middel
8. Het is vaste rechtspraak dat de feitenrechter – binnen de door de wet getrokken grenzen – vrij is om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. [4] Ook de motiveringsplicht van de tweede volzin van het tweede lid van art. 359 Sv Pro doet niet af aan het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de feitenrechter zijn beslissing nader zal dienen te motiveren wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Wil het ingenomen standpunt de verplichting tot beantwoording scheppen, dan dient het echter wel duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren te worden gebracht. [5] Is sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv en wijkt de rechter in zijn vonnis of arrest van dit standpunt af, dan is hij gehouden in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de aard van hetgeen aan de orde is gesteld en aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [6]
9. De uitvoerige bewijsoverweging van het hof bestaat vrijwel geheel uit de motivering van de verwerping van het verweer van de verdediging, ook wat betreft het betoog dat de verklaringen van de aangever en de getuige niet betrouwbaar zouden zijn vanwege de inconsistentie daarvan en de niet-nuchtere staat waarin zij volgens de raadsvrouw verkeerden in die bewuste nacht. Op een groot aantal onderdelen van dat verweer is het hof expliciet ingegaan. Daarbij komt dat het hof aan de verwerping van het verweer extra kracht heeft gegeven door te wijzen op het aanwezige (steun)bewijs. Met die grondige motivering heeft het hof ruimschoots voldaan aan de eisen die worden gesteld aan de verwerping van het verweer, ook als aangenomen moet worden dat het hof dit heeft aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv. Ik meen dan ook dat het bestreden oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd, waarbij ik in aanmerking neem dat het hof niet op elk detail behoefde in te gaan.
10. Het middel faalt.
IV.
Ambtshalve opmerking
11. Het cassatieberoep is ingesteld op 25 juli 2022. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren sinds het instellen van dat cassatieberoep zijn verstreken. Dat dient te leiden tot vermindering van de opgelegde straf.
V.
Slotsom
12. Het middel faalt.
13. Andere gronden – dan de hierboven genoemde redelijke termijn – waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de opgelegde straf volgens de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank van het hem tenlastegelegde vrijgesproken.
2.De bewezenverklaring steunt op zestien bewijsmiddelen. Gezien het middel (zie hierna randnummer 6) en de uitvoerige bewijsoverweging van het hof, waarin overeenkomstig die bewijsmiddelen een beschrijving wordt gegeven van hetgeen volgens het hof is voorgevallen, meen ik dat de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen hier niet behoeven te worden weergegeven.
3.Ik, A-G, begrijp: de aangever.
4.HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413.
5.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
6.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,