ECLI:NL:PHR:2024:1011

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2024
Publicatiedatum
1 oktober 2024
Zaaknummer
23/01047
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 245 Sr (oud)Art. 248, eerste lid, SrArt. 27, eerste lid, SrArt. 342, tweede lid, SvArt. 81, eerste lid, Wet RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens ontuchtige handelingen met minderjarige slachtoffers

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens het plegen van ontuchtige handelingen met twee meisjes van 13 en 15 jaar. De feiten vonden plaats in april 2019 in twee appartementen te [plaats]. De slachtoffers verklaarden dat de verdachte hen seksueel had binnengedrongen en andere ontuchtige handelingen had verricht.

De verdediging voerde aan dat de verklaringen van de slachtoffers ongeloofwaardig en tegenstrijdig waren en dat de verdachte geen seksuele handelingen had gepleegd. Ook werd aangevoerd dat de verdachte slechts zijn telefoonoplader had opgehaald in een van de appartementen. Het hof oordeelde echter dat de verklaringen van de slachtoffers betrouwbaar waren en voldoende werden ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van medeverdachten en GPS-locatiegegevens van de telefoon van de verdachte.

De Hoge Raad concludeert dat de bewijsvoering niet innerlijk tegenstrijdig is en dat de bewezenverklaring toereikend is gemotiveerd. Het cassatieberoep wordt verworpen. De verdachte is veroordeeld tot 45 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast zijn schadevergoedingsmaatregelen opgelegd aan de benadeelde partijen.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt veroordeling tot 45 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/01047

Zitting1 oktober 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 15 maart 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. ‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd’ en 2. ‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam’, veroordeeld tot 45 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft verder de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaak 23/01164. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelbevat de klacht dat de bewijsvoering inzake beide feiten op niet-ondergeschikte punten tegenstrijdig is en/of dat de bewezenverklaring van beide feiten − mede in het licht van hetgeen door de raadsman is aangevoerd − niet naar behoren is gemotiveerd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
‘1.
hij meermalen in de periode van 22 april 2019 tot en met 25 april 2019 te [plaats] met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2005, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten:
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer 1] en/of
- het betasten van het lichaam van die [slachtoffer 1] ;
2.
hij op 22 april 2019 te [plaats] met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2004, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten:
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 2] en
- het zoenen met die [slachtoffer 2] .’
6. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 april 2019 met bijlagen, (…), voor zover inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] :
(pagina 125)
Pleegdatum: Tussen maandag 22 april 2019 om 20:00 uur en donderdag 25 april 2019 om 23:00 uur
(pagina 126)
We hadden bij de Mac Donalds in [plaats] afgesproken met (...) (A). We stonden daar even te wachten, en toen kwam de jongen (A) er aan. We zijn in de auto van die jongen (A) gestapt. We reden naar de woning waar hij met zijn broer woont (
het hof begrijpt: aan de [a-straat 1] te [plaats]). Zijn broer was niet thuis. Binnengekomen hebben we even op de bank gezeten. Vervolgens wilde de jongen (A) apart praten met [slachtoffer 1] op zijn slaapkamer. Samen zijn ze naar de slaapkamer van de jongen (A) gegaan. Ik hoorde [slachtoffer 1] vervolgens steeds zeggen: "Ik wil dat niet, ik wil dat niet”. Ik hoorde haar ook kreunen. Vervolgens kwamen de jongen (A) en [slachtoffer 1] uit de slaapkamer. De jongen (A) had alleen zijn shirt nog aan. Verder was hij helemaal naakt. Vervolgens pakte de jongen (A) mij bij mijn arm. Hij trok mij mee de kamer in. Hij zei dat ik seks moest hebben met hem. Ik heb geprobeerd om weg te komen, maar dat lukte niet. Vervolgens gooide hij mij op bed en verkrachtte hij mij. Na ongeveer een halve minuut vroeg hij of ik wilde stoppen. Ik heb toen "ja" gezegd, ben de slaapkamer uitgelopen en heb mijn kleding goed gedaan bij [slachtoffer 1] op de bank.
(…)
[betrokkene 1] heeft vervolgens onderdak voor ons geregeld bij een vriend (B) van hem. In het huis (
het hof begrijpt: aan de [b-straat 1] te [plaats]) waren [slachtoffer 1] en ik samen met [betrokkene 1] , [medeverdachte] , de jongen (A) en een jongen die zelf zei dat hij een moeilijke naam had maar die we Ali mochten noemen.
[slachtoffer 1] heeft de volgende dag, tenminste volgens mij was het de volgende dag, seks gehad. Ook dagen erna had zij seks. Zij heeft seks gehad met (...) de jongen (A).
(
pagina 129)
Ik schat dat we rond 23:30 uur (
het hof begrijpt: op maandag 22 april 2019) in de woning van de broer van (A) waren.
De woning is in een kleine flat van drie verdiepingen. Je komt binnen via een centrale hal. We zijn via de trap naar een appartement op de eerste etage gegaan. Er waren op de eerste etage aan één zijde appartementen. Ik had de indruk dat er maar één deur op de eerste etage aanwezig was. (...) Het appartement heeft geen behang, een stenen grond en witte muren. In de gang hingen jassen en lagen schoenen op de grond. Dan ging je door een deur. Achter je was dan een kleine keuken. Recht vooruit stonden twee banken en een televisie. Er stond ook een kast.
(
pagina 130)
De slaapkamer grenst aan de woonkamer. In de slaapkamer stond een tweepersoonsbed.
(...)
Je vertelde net dat je verkracht werd door (A) in de slaapkamer. Wat deed hij precies bij jou?
Nadat hij [slachtoffer 1] had gepakt kwam hij de slaapkamer uit. [slachtoffer 1] zei tegen mij “Nu moet jij”. Ik zei: “Wil ik niet”. Hij hoorde dit en pakte mij bij mijn arm vast. Hij trok mij mee de slaapkamer in. Ik zei nog tegen hem: “Als het moet, geef ik alleen hoofd”. Ik bedoel hiermee pijpen. Hij zei eerst dat dit goed was. Uiteindelijk zei hij dat dit niet goed was en is het gebeurd. Hij probeerde mij te zoenen. Hij wilde mij zoenen op mijn mond. Dit is wel gelukt. Dit gebeurde met mond open maar niet met zijn tong. Hierna gooide hij mij op bed. Ik werd met mijn rug op het bed gegooid. Mijn benen lagen niet op het bed. Vervolgens deed hij mijn benen omhoog en neukte hij mij vaginaal. Dat gebeurde onveilig, zonder bescherming.
(…)
Ik weet nu zijn naam weer, [verdachte] (fon.) (
het hof begrijpt: [verdachte] of [verdachte]).
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 april 2019 met bijlagen, (…), voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] :
(
pagina 157)
[slachtoffer 2] en ik zijn op 22 april 2019 naar [plaats] gegaan. Ik kende daar iemand. Ik heb hem bericht en gevraagd of hij een slaapplek had voor ons. Hij antwoordde dat dit kon. We zijn toen naar [plaats] gegaan. Het was toen best al laat, ik denk 22:00 uur. We zijn naar centraal gegaan. Daar kwam hij. Hij zei: "Ik ben het, jullie hebben met mij afgesproken”. Wij zijn toen meegegaan naar zijn auto. Hij heeft ons naar een flat gereden waarvan wij dachten dat het zijn flat was (
het hof begrijpt: aan de [a-straat 1] te [plaats]). Later bleek dat het de flat van zijn broer was. Die zou komen met zijn vriendin dus wij moesten weg. Wij hadden bijna geen geld en hadden een slaapplek nodig. (...) Hij heeft toen een vriend gebeld met de vraag of hij ons ergens binnen kon krijgen. (...) Die vriend heet [medeverdachte] . [medeverdachte] zei: “Een vriend van mij heeft een woning, daar kunnen jullie heen en kunnen jullie eten en slapen, dat is goedkoper dan een hotel”. We zijn toen naar dat adres gereden: (
het hof begrijpt: aan de [b-straat 1] te [plaats]).
(
pagina 158)
[verdachte] had ons opgehaald bij het station. Wij zijn naar de flat gegaan (
het hof begrijpt: aan de [a-straat 1] te [plaats]). In de flat zei hij dat hij mij onder vier ogen wilde spreken. Hij nam mij mee naar de slaapkamer. Hij begon mij in mijn nek te zoenen en met zijn handen over mijn lichaam te gaan. Ik zei dat ik dat niet wilde. (...) Hij heeft toen [slachtoffer 2] gehaald. Die heeft hij gepenetreerd. [slachtoffer 2] zei dat hij was klaargekomen, maar niet in haar, ergens anders.
(
pagina 162)
Ik hoorde [slachtoffer 2] zeggen: “Nee, ik wil niet, niet doen” en zo. (...) [slachtoffer 2] kwam uit de slaapkamer met een gechoqueerd gezicht. Ze was ontmaagd en wist niet hoe ze zich moest voelen. [slachtoffer 2] heeft tegen mij gezegd dat ze onveilige seks had gehad. [slachtoffer 2] heeft het mij verteld toen [verdachte] in die andere flat lag te slapen. Ik heb niet gezien dat [slachtoffer 2] seks heeft gehad met [verdachte] , maar ik heb het wel gehoord aan het bed en aan [slachtoffer 2] .
Hij zei daarna dat zijn broer zou komen en dat we moesten gaan. We zijn toen weggegaan en gestopt ergens in de buurt van het huis van [medeverdachte] . Het was toen echt laat. [verdachte] heeft toen [medeverdachte] opgebeld. We zijn toen met [medeverdachte] en [verdachte] naar een flat in [plaats] gegaan (
het hof begrijpt: aan de [b-straat 1] te [plaats]).
(
pagina 163)
In die flat heb ik seks gehad met [verdachte] . Hij zei dat hij examens had en vroeg ging slapen. Ik moest “slaap lekker” tegen hem zeggen. Ik dacht ik ga naar binnen, ga dat zeggen en ben weer weg. Hij lag op bed, pakte mijn pols en zei: "Ben je soms vergeten wat je moet doen?” Ik zei: “Ik hoef niets te doen en wil niks met je doen”. Hij zei dat hij anders niet lekker kon slapen. Ik zei hem dat dit niet mijn probleem was. Hij stond vervolgens op en zette mij toen op bed, met mijn gezicht naar het matras. Ik lag dus met mijn buik op bed. Hij had op dat moment alleen zijn onderbroek aan. Die deed hij uit. Hij heeft vervolgens mijn onderbroekje uitgedaan en mij gepenetreerd. (...) Hij ging met zijn geslachtsdeel in mijn geslachtsdeel. Hij ging hiermee heen en weer. Gewoon seks hebben.
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris d.d. 30 maart 2021, (…), voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] :
(
pagina 4)
Ik moest [verdachte] pijpen in flat 1 (
het hof begrijpt: aan de [a-straat 1] te [plaats]). Ik wilde [verdachte] niet pijpen, maar ik moest wel. Ik heb mij niet verzet tegen het pijpen in flat 1, maar ik heb wel gezegd dat ik het niet wilde.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2019 met bijlagen, (…), voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
(
pagina 212)
Wij waren ter plaatse voor de woning [a-straat 1] te [plaats] . De woning betreft een appartement op de eerste verdieping. Beneden is de algehele toegangsdeur met deurbellen, dan volgt een betonnen trap naar verdiepingen met op iedere verdieping één voordeur.
(…)
Via de hal betreedt men de woning. Recht daar tegenover is een deur naar de badkamer, welke is geblokkeerd met spullen. Dan is er nog een deur, vermoedelijk een kastdeur, en daarnaast is de toegangsdeur naar de woonkamer. In de woonkamer staan twee banken en in de hoek een TV-kast. Links in de woonkamer, bij de ingang van de deur naar de slaapkamer, staat een wit dressoir en daarboven hangt een spiegel. Naast de hal, aan de straatzijde van de woning, is via de woonkamer de keuken te
(
pagina 213)
bereiken. Via de woonkamer ga je naar de slaapkamer. Deze ligt (na binnenkomst) links aan de achterzijde van de woning. Hierin staat een tweepersoonsbed met daar tegenover een witte kledingkast met hierin twee verticale spiegels. Via de slaapkamer is een tweede toegangsdeur naar de badkamer. Als men deze door zou lopen kan men via een deur weer terug naar de hal.
De woning komt overeen zoals omschreven in de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juli 2019 met bijlagen, (…), voor zover inhoudende het relaas van [verbalisant 3] :
(
pagina 227)
Binnen het onderzoek "Pirates" werden diverse mobiele telefoons in beslag genomen, waaronder de telefoon van verdachte [verdachte] .
(
pagina 229)
Over de locaties waar de telefoon aanstraalde gedurende de periode dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in [plaats] waren, werd in de telefoon relevante informatie gevonden.
(
pagina 230)
Uit de opgeslagen belangrijke locaties bleek dat hij op 22 april 2019 van 22:31 uur tot 22:41 uur en van 23:16 uur tot 23:37 uur op de [a-straat] is geweest.
6. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 27 april 2019, (…), voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 1] :
(pagina 804)
[medeverdachte] kwam toen naar ons, [verdachte] en mij, toe en zei tegen mij dat [slachtoffer 2] tegen hem had gezegd dat [verdachte] haar had verkracht. Ze had tegen [medeverdachte] gezegd dat [verdachte] dingen met haar had gedaan die ze niet wou. Dat had te maken met seks.
[verdachte] hoorde dat ook en ik vroeg hem: “Is dat waar?’. Hij zei: “Dat is waar, maar ik heb haar niet verkracht”. Hij vertelde mij dat hij haar niet had verkracht, maar wel seks met haar had gehad.
[verdachte] vertelde ook dat hij met die meisjes was in de woning van een vriend aan de [c-straat] in [plaats] , een flat. (...) [verdachte] vertelde dat hij in die woning allebei de meisjes had gebruikt (...).
(...)
[verdachte] is naar een andere kamer gegaan en toen vertelde het andere meisje: (
het hof begrijpt: [slachtoffer 1]) dat [slachtoffer 2] door [verdachte] was verkracht en dat [slachtoffer 2] door [verdachte] was ontmaagd. Dat meisje zei ook tegen mij dat [verdachte] met haar dingen had gedaan die ze niet wilde. Zij vertelde dat zij ook door [verdachte] was verkracht. Toen [slachtoffer 2] vertelde dat ze door [verdachte] was verkracht, moest zij huilen.
7. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 mei 2019, (…) voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 1] :
(
pagina 812)
[verdachte] stond in mijn iPhone onder de naam [verdachte] .
[verdachte] heeft mij verteld dat hij met beide meiden seks heeft gehad. Hij zei: “Ik heb de meiden meegenomen naar een andere woning aan de [c-straat] in [plaats] ”.
8. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 mei 2019 met bijlagen, (…) voor zover inhoudende de verklaring van [verdachte] :
(
pagina 1074)
Mijn bijnaam is [verdachte] .
(
pagina 1076)
Ik heb de meiden op 22 april 2019 na 22:00 uur opgehaald bij het station.
(
pagina 1077)
We zijn hierna naar een huis gegaan. (...) De ingang van deze woning is aan de [a-straat] in [plaats] . Het was als je de eerste verdieping op kwam, de eerste deur aan de rechterkant.
9. Het proces-verbaal van de terechtzitting bij de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, d.d. 18 januari 2022, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] :
(
pagina 3)
Als ik bij de politie heb verklaard over de [c-straat] , dan bedoel ik daarmee de woning van [betrokkene 3] op de [a-straat] in [plaats] .
(
pagina 4)
Bij aankomst bij de woning op de [b-straat] heb ik tegen de meisjes nog in de auto gevraagd of ze wel zeker wisten dat ze die woning binnen zouden gaan waar onbekende meerderjarige jongens waren. Het ging snel en we gingen daarna de woning binnen. Op een gegeven moment ben ik naar de grote slaapkamer gegaan om te slapen. Ik was nog niet in slaap gevallen en zag dat de meisjes (
het hof begrijpt: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) deze slaapkamer binnenkwamen. (...) De meisjes gingen vervolgens bij mij op bed liggen. (...) Zij gingen met hun handen onder mijn broek en hebben aan mijn penis gezeten. Ze maakten heen en weer gaande bewegingen. Ze hebben hun handen ook nat gemaakt en hebben vervolgens aan hun vagina gezeten.
10. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 mei 2019 met bijlage, (…) voor zover inhoudende de verklaring van [medeverdachte] :
(pagina 842)
Ik was in de nacht van 22 op 23 april 2019 in de woning aan de [b-straat 1] in [plaats] . Voordat [verdachte] ging slapen nam hij [slachtoffer 1] mee naar de slaapkamer. Ze waren zeker tien minuten binnen en toen kwamen zij terug naar de kamer.
11. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 mei 2019, (…) voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 2] :
(
pagina 783)
De eerste avond (
het hof begrijpt: de nacht van 22 op 23 april 2019) riep de jongen (
het hof begrijpt: de verdachte) [slachtoffer 1] . Zij liepen samen de slaapkamer binnen. Ik denk dat zij ongeveer tien minuten binnen zijn geweest.
12. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 juli 2019, (…) voor zover inhoudende de verklaring van [verdachte] :
(
pagina 1110)
Ik ging slapen in de grote slaapkamer waar het grote bed was (
het hof begrijpt: in de [b-straat 1] te [plaats]). Ik lag daar en toen kwamen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bij mij liggen en vroegen mij waarom ik wilde dat zij weg moesten. Op een gegeven moment begon [slachtoffer 1] haar hand onder mijn broek te stoppen.
(
pagina 1111)
Er is dus iets gebeurd. Op een gegeven moment ging zij op mij zitten, terwijl ik mijn kleding nog aan had. Alle twee de meisjes lagen toen naast me op dat bed en alle twee hadden zij hun hand in mijn broek. Ze hadden hun hand nat gemaakt en zaten op een gegeven moment ook aan hunzelf. [slachtoffer 1] is toen nog op mij gaan zitten.
13. Een schriftelijk bescheid, te weten een akte van geboorte van [slachtoffer 2] , gevoegd als bijlage bij het eindproces-verbaal, voor zover inhoudende:
Akte van geboorte
Geslachtsnaam: [slachtoffer 2]
Voornamen: [slachtoffer 2]
Dag van geboorte: [geboortedatum] -2004
14. Een schriftelijk bescheid, te weten een akte van geboorte van [slachtoffer 1] , gevoegd als bijlage bij het eindproces-verbaal, voor zover inhoudende:
Akte van geboorte
Geslachtsnaam: [slachtoffer 1]
Voornamen: [slachtoffer 1]
Dag van geboorte: [geboortedatum] -2005’
7. Met betrekking tot de bewezenverklaringen heeft het hof het volgende overwogen:
‘De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de kern het navolgende aangevoerd. De verdachte heeft geen seks gehad of andere ontuchtige handelingen gepleegd met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Met betrekking tot de gebeurtenissen in de flat aan de [a-straat] heeft de verdachte verklaard dat hij daar alleen − en dus zonder de meisjes − naar binnen is gegaan om zijn telefoonoplader op te halen. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn voorts ongeloofwaardig en onbetrouwbaar en kunnen derhalve niet voor het bewijs worden gebruikt. Overige verklaringen zijn van horen zeggen en kunnen niet op waarde worden geschat. Daarnaast zijn er diverse contra-indicaties voor de juistheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , aldus de raadsman.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , zoals aan hem onder feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair ten laste is gelegd.
Het hof stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de beweerde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Wanneer de veronderstelde dader de seksuele handelingen ontkent, leidt dat in veel gevallen ertoe dat slechts de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer als wettig bewijs beschikbaar zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is echter de enkele verklaring van één getuige (het veronderstelde slachtoffer) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Hier staat echter tegenover dat in zedenzaken een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer reeds voldoende wettig bewijs van het tenlastegelegde feit kan opleveren.
Het hof dient in voormeld verband te beoordelen of de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betrouwbaar zijn. Daarnaast zal het hof moeten bepalen of voor de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voldoende (steun)bewijs in het procesdossier aanwezig is. De juistheid van de kern van de tenlastelegging moet − met andere woorden − niet alleen uit de (betrouwbaar bevonden) gebezigde verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volgen, maar ook uit ander bewijsmateriaal dat bovendien afkomstig moet zijn uit een andere bron.
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn meermalen verhoord op verschillende tijdstippen kort na de vermeende incidenten tot maanden en zelfs jaren nadien. Met de verdediging en met de rechtbank stelt het hof vast dat op onderdelen sprake is van inconsistenties en tegenstrijdigheden in en tussen de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Deze omstandigheden nopen tot behoedzaamheid bij het gebruik ervan als bewijsmiddel, maar maken niet dat die verklaringen in hun geheel onbetrouwbaar en onbruikbaar voor het bewijs zijn.
Het hof stelt vast dat de verdachte in de avond van 22 april 2019 door [slachtoffer 1] is benaderd met de vraag of hij een slaapplek had voor haar en [slachtoffer 2] . Diezelfde avond heeft de verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] nabij het Centraal Station in [plaats] opgehaald. Zij zijn samen naar de [a-straat] in [plaats] gereden en later ook naar de [b-straat] in [plaats] . Op de [b-straat] zijn zij het appartement met huisnummer […] binnengegaan en daar hebben zij langere tijd verbleven.
Het appartement aan de [a-straat 1] te [plaats]
De verdachte betwist ten eerste dat hij samen met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het appartement aan de [a-straat 1] te [plaats] is geweest en daar seks of andere ontuchtige handelingen met hen heeft gepleegd. De verdachte zou alleen naar binnen zijn gegaan en daar enkel zijn telefoonoplader hebben opgehaald. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben meermalen verklaard dat zij samen met de verdachte het appartement aan de [a-straat] binnen zijn geweest. [slachtoffer 2] heeft het appartement aan de [a-straat 1] omschreven. Die omschrijving is gedetailleerd en komt nagenoeg geheel overeen met de omschrijving die de verbalisanten van dat appartement hebben gegeven. De omschrijvingen zien op het complex waarvan het appartement deel uitmaakt, de verdieping, op welke manier de verdieping bereikt kan worden, het aantal deuren in de hal, de jassen en schoenen in de hal van het appartement en het aantal vertrekken en een beschrijving daarvan. De accuratesse van de omschrijving die [slachtoffer 2] gaf en de overeenkomst daarvan met andere bewijsmiddelen, brengen het hof tot het oordeel dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in de woning aan de [a-straat] zijn geweest. Dat [slachtoffer 1] een omschrijving heeft gegeven van het appartement die niet (in zijn geheel) overeenkomt, doet aan dat oordeel van het hof niet af.
In het appartement aan de [a-straat] is − volgens de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] − eerst [slachtoffer 1] met de verdachte de slaapkamer ingegaan. Zij verklaarde bij de politie dat zij daar seks heeft gehad met de verdachte. Later bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat zij de verdachte alleen gepijpt heeft. Beide meiden verklaarden dat nadat [slachtoffer 1] de slaapkamer uit kwam, [slachtoffer 2] van de verdachte mee de slaapkamer in moest. [slachtoffer 2] verklaarde dat de verdachte haar in die slaapkamer heeft gezoend en haar heeft gepenetreerd. [slachtoffer 1] hoorde aan het bed dat zij seks hadden en verklaarde dat toen [slachtoffer 2] even later de slaapkamer uit kwam, zij een gechoqueerd gezicht had. [slachtoffer 2] zou [slachtoffer 1] verteld hebben dat zij seks had gehad met de verdachte. Kort daarna hebben ze de woning verlaten omdat de broer van de verdachte thuis zou komen.
Anders dan de verdediging stelt, is het hof van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] elkaar in belangrijke mate ondersteunen en dat die verklaringen − behoudens de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij geen vaginale seks heeft gehad met de verdachte in het appartement aan de [a-straat] , maar hem heeft gepijpt − wel degelijk consistent zijn.
De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] worden tevens ondersteund door de verklaring van medeverdachte [getuige 1] . Medeverdachte [getuige 1] verklaarde dat de verdachte tegen hem heeft verteld dat hij met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] seks heeft gehad in een woning aan de [c-straat] in [plaats] . Toen [getuige 1] hierover met [slachtoffer 2] sprak, begon zij te huilen en vertelde ze hem dat de verdachte inderdaad dingen met haar had gedaan die zij niet wilde. De verdachte verklaarde op de terechtzitting bij de rechtbank dat wanneer hij spreekt over een woning aan de [c-straat] in [plaats] , hij daarmee de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] bedoelt. Het hof ziet geen aanleiding om aan de verklaring van medeverdachte [getuige 1] te twijfelen. De medeverdachte heeft deze verklaring in een zeer vroeg stadium van het strafproces afgelegd. Hij heeft niet alleen een belastende verklaring over de verdachte, maar ook over zichzelf afgelegd. Deze omstandigheden maken dat het hof, evenals de rechtbank, van oordeel is dat de verklaring van medeverdachte [getuige 1] betrouwbaar is en mede tot het bewijs gebezigd kan worden. Dat medeverdachte [getuige 1] op een later moment bij de rechter-commissaris op deze verklaring is teruggekomen, maakt het oordeel van het hof niet anders.
Voorts worden de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ondersteund in de GPS-locatiegegevens van de telefoon van de verdachte, waaruit is gebleken dat zijn telefoon op 22 april 2019, nadat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] had opgehaald, van 23:16 uur tot 23:37 uur de locatie [a-straat] heeft aangestraald. Dit tijdsbestek van 21 minuten past naar het oordeel van het hof veel eerder in de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dat zij in de woning waren en dat [slachtoffer 1] daar de verdachte heeft gepijpt en [slachtoffer 2] seks heeft gehad met de verdachte, dan in de verklaring van de verdachte dat hij even alleen een oplader haalde.
Het voorgaande leidt ertoe dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] over de gebeurtenissen in het appartement aan de [a-straat] op het hof authentiek en betrouwbaar overkomen, zodat deze bruikbaar zijn om te bezigen tot het bewijs en ook daartoe worden gebezigd. Het hof ziet ook geen aanleiding om te veronderstellen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onwaarachtige verklaringen hebben afgelegd over de bewezenverklaarde seksuele handelingen die door de verdachte zijn gepleegd, te meer nu de verklaringen, zoals hiervoor reeds is overwogen, voldoende steun vinden in de overige bewijsmiddelen. Hetgeen overigens door de raadsman ter betwisting van de betrouwbaarheid van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] nog als verweer is aangevoerd, dwingt niet tot een ander oordeel.
Het hof acht daarmee bewezen dat de verdachte in het appartement aan de [a-straat] te [plaats] ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer 1] − inhoudende dat [slachtoffer 1] daar de verdachte heeft gepijpt en dat de verdachte [slachtoffer 1] ’s lichaam heeft betast − en met [slachtoffer 2] door vaginale seks met haar te hebben en haar te zoenen.
Het appartement aan de [b-straat 1] te [plaats]
De verdachte betwist voorts dat hij met [slachtoffer 1] in het appartement aan de [b-straat 1] te [plaats] seks heeft gehad of andere ontuchtige handelingen heeft gepleegd. [slachtoffer 1] heeft zowel bij de politie als ten overstaan van de rechter-commissaris in de kern gelijkluidend verklaard dat zij in de nacht van 22 op 23 april 2019 in het appartement aan de [b-straat] vaginale seks heeft gehad met de verdachte. Die verklaring van [slachtoffer 1] wordt bevestigd in hetgeen [slachtoffer 2] en medeverdachten [medeverdachte] en [getuige 2] hebben verklaard. [slachtoffer 2] verklaarde immers dat [slachtoffer 1] seks heeft gehad met de verdachte in het appartement aan de [b-straat] . Medeverdachten [medeverdachte] en [getuige 2] hebben verklaard dat [slachtoffer 1] en de verdachte op enig moment in die nacht samen in een slaapkamer zijn geweest en dat het ongeveer tien minuten duurde voordat zij weer naar de woonkamer kwamen. Aldus vindt de verklaring van [slachtoffer 1] op onderdelen steun in de andere bewijsmiddelen. De verdachte heeft voorts zelf over de gebeurtenissen in het appartement aan de [b-straat] verklaard dat hij die nacht daar met [slachtoffer 1] op het bed in de slaapkamer heeft gelegen, dat [slachtoffer 1] haar hand onder zijn broek heeft gestopt en zijn penis heeft aangeraakt, dat zij op hem is gaan zitten en dat zij met haar hand aan haar vagina heeft gezeten.
Het hof oordeelt derhalve tevens dat de verklaring van [slachtoffer 1] over de gebeurtenissen in het appartement aan de [b-straat] op het hof authentiek en betrouwbaar overkomen, zodat ook deze bruikbaar is om te bezigen tot het bewijs en ook daartoe wordt gebezigd. Het hof ziet ook geen aanleiding om te veronderstellen dat [slachtoffer 1] een onwaarachtige verklaring heeft afgelegd over de bewezenverklaarde seksuele handelingen die door de verdachte zijn gepleegd in het appartement aan de [b-straat] . De verklaring vindt immers, zoals hiervoor reeds is overwogen, voldoende steun in de overige bewijsmiddelen. Hetgeen overigens door de raadsman ter betwisting van de betrouwbaarheid van [slachtoffer 1] nog als verweer is aangevoerd, dwingt niet tot een ander oordeel.
Het hof acht daarmee bewezen dat de verdachte in het appartement aan de [b-straat] te [plaats] ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer 1] , inhoudende dat de verdachte en [slachtoffer 1] daar onder andere vaginale seks hebben gehad.
Aldus treft het betoog van de raadsman geen doel. Het feit dat de meisjes hebben gezegd dat ze 16 en 17 jaar waren, terwijl zij jonger waren, ontslaat de meerderjarige verdachte niet van zijn verantwoordelijkheid zorg te dragen dat hij geen seks heeft met meisjes tussen de twaalf en de zestien jaar. Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, gelet op het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen − in onderling verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het bewijsmiddel blijkens zijn inhoud betrekking heeft − wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.’
8. Ter terechtzitting in hoger beroep van 1 maart 2023 heeft de raadsman blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal het woord gevoerd overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

‘Wat is er volgens client gebeurd

Client heeft ter gelegenheid van zijn 6e verhoor bij de politie verklaard dat er enkel iets is gebeurd in flat 2. Volgens hem was het juist [slachtoffer 1] die hem betastte en aan zijn geslachtsdeel zat en op hem ging zitten. Client wilde dat juist niet en is om die reden weg gegaan. Dit handelen van client levert geen strafbaar feit op. De handelingen van [slachtoffer 1] vallen niet onder het bereik van art 245 of Pro art 247 WvSr Pro. Mogelijk zouden dergelijke handelingen te kwalificeren zijn als overtreding van art 246 WvSr Pro, maar dan zijn aanvullende omstandigheden vereist. Bovendien is dit alles niet tenlastegelegd.
De verklaring van client over de kern van het verwijt staat diametraal tegenover de verklaring van [slachtoffer 1] en kan niet als steunbewijs gelden voor de door haar gestelde verkrachting/ seksuele handelingen.

Conclusie

De verdediging verzoekt het hof client integraal vrij te spreken van de aan hem tenlastegelegde feiten. Het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn ongeloofwaardig en onbetrouwbaar en kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt. Overige verklaringen zijn van horen zeggen en kunnen niet op waarde worden geschat. Daarnaast zijn er diverse contra-indicaties die de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] weerspreken.’
9. De steller van het middel voert aan dat de verklaringen van de verdachte waaruit volgt dat hij (kort gezegd) naar de slaapkamer in de [b-straat] ging om te slapen, waarna de twee meisjes bij hem op bed gingen liggen, haaks staan op de verklaringen van de meisjes die ook voor het bewijs zijn gebruikt. Dat zou de bewijsvoering op essentiële onderdelen tegenstrijdig maken en meebrengen dat de bewezenverklaring van beide feiten − mede in het licht van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd – niet naar behoren is gemotiveerd.
10. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte in [plaats] ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer 1] (feit 1) en met [slachtoffer 2] (feit 2). Uit de bewijsvoering blijkt dat deze ontuchtige handelingen voor een groot deel hebben plaatsgevonden in het appartement aan de [a-straat 1] te [plaats] . Ik leid uit (de toelichting op) het middel af dat de klacht zich niet richt tegen de bewijsvoering voor zover deze ziet op de ontuchtige handelingen die aldaar plaatsvonden.
11. Uit de bewijsmiddelen en uit de bewijsoverwegingen van het hof blijkt dat bewezen is verklaard dat de verdachte in het appartement aan de [b-straat] vaginale seks heeft gehad met [slachtoffer 1] . De verklaring van [slachtoffer 1] houdt in dat zij in dat appartement vaginale seks met de verdachte heeft gehad (bewijsmiddel 2). De verklaring van [slachtoffer 2] houdt in dat [slachtoffer 1] in dat appartement seks heeft gehad met ‘de jongen (A)’ (bewijsmiddel 1). Uit hetgeen [slachtoffer 2] verder verklaart over jongen (A) volgt dat zij daarmee de verdachte bedoelt. [getuige 1] heeft (kort gezegd) verklaard dat verdachte hem heeft verteld ‘dat hij met beide meiden seks heeft gehad’ (bewijsmiddel 7). [medeverdachte] heeft verklaard dat de verdachte [slachtoffer 1] in het appartement aan de [b-straat] meenam naar de slaapkamer, dat zij zeker tien minuten binnen waren en toen terugkwamen naar de kamer (bewijsmiddel 10). [getuige 2] verklaart in dezelfde zin (bewijsmiddel 11).
12. De verdachte heeft verklaard dat hij in het appartement aan de [b-straat] naar de grote slaapkamer is gegaan, dat hij nog niet in slaap was gevallen en zag dat de meisjes binnenkwamen, dat zij vervolgens bij hem op bed gingen liggen, dat zij met hun handen onder zijn broek gingen en aan zijn penis hebben gezeten, dat zij heen en weer gaande bewegingen maakten, dat zij hun handen ook nat hebben gemaakt en vervolgens aan hun vagina hebben gezeten (bewijsmiddel 9). Eerder had hij (ook) al verklaard dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in de grote slaapkamer bij hem gingen liggen, dat [slachtoffer 1] haar hand onder zijn broek stopte, dat zij alle twee hun hand in zijn broek hadden, dat zij hun hand nat hebben gemaakt, dat zij op een gegeven moment ook aan hunzelf zaten en dat [slachtoffer 1] ook nog op hem is gaan zitten (bewijsmiddel 12).
13. Anders dan de steller van het middel meen ik dat deze voor het bewijs gebruikte verklaringen van de verdachte niet strijdig zijn met hetgeen verder uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, voor zover inhoudende dat de verdachte in de woning aan de [b-straat] vaginale seks met [slachtoffer 1] heeft gehad. Dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (ook) handelingen zouden hebben verricht zoals omschreven in de verklaringen van de verdachte staat daaraan niet in de weg. Het middel faalt in zoverre.
14. De steller van het middel voert in de toelichting op het middel verder nog aan dat de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 niet naar behoren is gemotiveerd, gelet op hetgeen door de raadsman in hoger beroep is aangevoerd, inhoudende dat uit de verklaring van de verdachte in een politieverhoor volgt dat hij de seksuele handeling van de meisjes niet wenselijk achtte en dat hij daarom is weggegaan. Het stond het hof echter vrij de betreffende verklaring in zoverre terzijde te stellen. [1] Ook in zoverre faalt het middel.
15. Al met al is de bewijsvoering van beide feiten niet innerlijk tegenstrijdig en is de bewezenverklaring van beide feiten ook overigens toereikend gemotiveerd.
15. Het middel faalt.
15. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, Wet RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. [2]
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 1 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8686.
2.Inmiddels is op 1 juli 2024 de Wet seksuele misdrijven,