Conclusie
Nummer22/00312 P
Inleiding
Het middel
De hoofdzaak
“telkens: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”,
“telkens: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumweg gegeven verbod”.
Het procesverloop
De veroordeelde:
Hierbij verleen ik aan de griffiemedewerk(st)er van de strafgriffie van Uw Rechtbank een schriftelijke volmacht om namens cliënt het volgende rechtsmiddel in te stellen. Cliënt heeft mij bepaaldelijk gevolmachtigd om op grond van artikel 450 lid 1 Sv Pro tegen de uitspraak van 26 maart 2019 in de zaak bekend met parketnummers: 09/842817-15 en 09/755002-15 (ontnemingsvonnis) Hoger Beroep in te stellen. Cliënt stemt in met het door de griffiemedewerk(st)er aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in Hoger Beroep. Cliënt verzoekt u om het afschrift appeldagvaarding naar ondergetekende toe te zenden. Bezuidenhoutseweg 195, 2594 AJ 's-Gravenhage, alsmede naar cliënt. De akte zie ik gaarne voor afloop der termijn tegemoet.”
De voorzitter doet mededeling van:
een dagvaarding in hoger beroep, welke op 26 mei 2021 tevergeefs is getracht uit te reiken aan het op de akte rechtsmiddel vermelde (laatst opgegeven) adres van de betrokkene, vervolgens op 8 juni 2021 is uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie waarna op diezelfde datum een afschrift is verzonden naar het op de akte rechtsmiddel vermelde adres;
een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep welke op 18 mei 2021 is verzonden naar het gba-adres van de betrokkene in België;
een akte rechtsmiddel waaruit volgt dat namens de betrokkene, door mr. I.A. Groenendijk, hoger beroep is ingesteld op 5 april 2019. Uit de bijgevoegde schriftelijke machtiging volgt voorts dat zij heeft verzocht om een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep naar haar kantooradres te verzenden. Uit de stukken in hoger beroep en de behandeling ter terechtzitting is niet gebleken dat zulks is geschied;
een e-mail d.d. 12 juli 2021 gericht aan het hof, afkomstig van mr. A.B.M. Nohl, advocaat te Den Haag, inhoudende dat zij contact heeft opgenomen met mr. I.A. Groenendijk voor het verkrijgen van de contactgegevens van betrokkene, dat mr. Groenendijk haar heeft bericht niet over dergelijke gegevens te beschikken en dat zij de betrokkene derhalve niet heeft kunnen bereiken. Mr. Nohl heeft verder medegedeeld dat zij betrokkene graag als raadsvrouw wenst bij te staan in hoger beroep, maar dat zij daarvoor eerst contact dient te krijgen met betrokkene. Tot slot heeft zij medegedeeld niet over de stukken te beschikken.
beveelt de oproeping van de betrokkene voor de nadere terechtzitting;
“Oproeping van veroordeelde in hoger beroep (art. 36e WvSr)”d.d. 2 december 2021, dat onder meer onder vermelding van parketnummer 22-001306-19 inhoudt dat op 24 januari 2022 op de rolzitting bij het gerechtshof Den Haag de ontnemingszaak wordt behandeld tegen de betrokkene die in hoger beroep tegenwoordig moet zijn bij de nadere behandeling van deze tegen hem aanhangige ontnemingszaak, waarin het onderzoek eerder voor (on)bepaalde tijd werd geschorst.
De raadsman van de betrokkene, mr. M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam, is evenmin ter terechtzitting verschenen.
Het hof constateert dat de betrokkene niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, terwijl de oproeping rechtsgeldig is betekend. Er is evenmin een advocaat ter terechtzitting verschenen namens hem.
De toelichting op het middel
De bespreking van het middel
“Bevel schorsing overleveringsbewaring”d.d. 24 november 2021. In dit stuk staat – onder meer – vermeld dat de rechter-commissaris kennis heeft genomen van de stukken in de overleveringszaak met (parketnummer 13/752298-21) tegen de opgeëiste persoon (in casu de betrokkene) en dat de rechter-commissaris termen aanwezig acht om de reeds bevolen overleveringsbewaring te schorsen nu de opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij de aan die schorsing te verbinden voorwaarden zal nakomen. Uit het stuk blijkt voorts dat de rechter-commissaris de schorsing van de overleveringsbewaring van de opgeëiste persoon met ingang van 24 november 2021 beveelt, tot het moment waarop de rechtbank over de gevangenhouding heeft beslist, en daaraan onder meer als voorwaarde verbindt dat de opgeëiste persoon zal verblijven op het adres [c-straat 1], te [plaats].