ECLI:NL:PHR:2023:976

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 oktober 2023
Publicatiedatum
30 oktober 2023
Zaaknummer
21/04572
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 1 Leerplichtwet 1969Art. 2 lid 2 Leerplichtwet 1969Art. 4a Leerplichtwet 1969Art. 3 Leerplichtwet 1969Art. 7.2.2 lid 1 onder b-e Wet Educatie en Beroepsonderwijs
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering en niet-behandeld verweer in leerplichtzaak

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het niet nakomen van de verplichtingen uit de Leerplichtwet 1969 met betrekking tot zijn zoon, die kwalificatieplichtig was en schoolverzuim vertoonde in september 2018. Het hof stelde vast dat de verdachte niet zorgde dat zijn zoon de school geregeld bezocht.

In cassatie klaagde de verdediging dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het bewezen verklaarde werd en dat het niet had gereageerd op het beroep op de uitzonderingsgrond in artikel 2 lid 2 van Pro de Leerplichtwet, die inhoudt dat de verantwoordelijke persoon kan aantonen niet verantwoordelijk te zijn voor het schoolverzuim.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte de periode van 7 tot en met 13 september 2018 had betrokken in de bewezenverklaring terwijl de verdachte toen het gezag over zijn zoon had verloren. Tevens was het hof niet ingegaan op het verweer van de verdediging, ondanks dat dit uitdrukkelijk was aangevoerd en onderbouwd met stukken. Hierdoor schiet de motivering van de bewezenverklaring tekort.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling, waarbij het hof het verweer van de verdachte adequaat moet behandelen en de bewezenverklaring beter moet motiveren.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/04572

Zitting31 oktober 2023
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte

Het cassatieberoep

1. De verdachte is bij mondeling arrest van 20 oktober 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens "
als persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 4a van die wet opgelegde verplichting niet nakomen" veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van vijftig uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

De bewezenverklaring en de bewijsvoering

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

hij in de periode van 4 september 2018 tot en met 13 september 2018 te Goor, gemeente Hof van Twente, in elk geval in Nederland en of Tsjechië, telkens als een persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet aan zijn verplichting heeft voldaan te zorgen dat de jongere [betrokkene 1] , geboren 28 juni 2001 overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969, staat/stond ingeschreven als leerling of deelnemer bij een school of instelling, te weten S.G. [betrokkene 2] te [plaats] , die volledig dagonderwijs, dan wel een bij de wet geregelde combinatie van leren en werken verzorgt en dat deze jongere deze school of instelling, waar deze stond ingeschreven, geregeld bezocht/bezoekt, zulks terwijl: a. ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet was geëindigd, en b. de jongere geen startkwalificatie had behaald.
5. Het mondeling arrest van het hof is aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep. Die aantekening houdt onder meer in (onderstrepingen mijnerzijds):

1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal Leerplicht 1969, d.d. 13 september 2018 (pagina’s 1 tot en met 8) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van leerplichtambtenaar en buitengewoon opsporingsambtenaar [betrokkene 3] :
Als verdachten zijn aangemerkt:
[verdachte] (vader), geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats]
[betrokkene 1] (zoon), geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats]
Schooljaar: 01-08-2018/31-07-2019
Relatief schoolverzuim, te weten Kwalificatieplicht
Naar aanleiding van meldingen van ongeoorloofd schoolverzuim door [betrokkene 2] , medewerker van het [betrokkene 2] , gevestigd te [plaats] , zijnde een school in de zin van artikel I van de Leerplichtwet 1969, is er een onderzoek ingesteld naar het schoolverzuim, van het hieronder genoemde leerplichtig kind, dat geleid heeft tot opmaak van dit proces-verbaal.
Dit betreft de periode van04-09-2018 tot en met 13-09-2018zijnde 8 schooldagen.
Ik, [betrokkene 3] , leerplichtambtenaar in dienst van gemeente Hof van Twente, belast met de handhaving van de Leerplichtwet, daartoe aangewezen door burgemeester en wethouders, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar nummer akte van beëdiging 6027421, standplaats Hof van Twente, heb in verband met ongeoorloofd schoolverzuim na dit onderzoek vastgesteld dat:
-
De jongere zelf verantwoordelijk is voor het schoolverzuim
-
Vader is mede verantwoordelijk, omdat jongere vermoedelijk bij hem verblijft.

VRIJSTELLING

(kwalificatieplicht)
Tevens heb ik vastgesteld dat de leerplicht als bedoeld in artikel 3 van Pro de Leerplichtwet is geëindigd, maar dat de jongere geen startkwalificatie heeft als bedoeld in art. 7.2.2, eerste lid onder b tot en met e, van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk Pro 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Meldingen huidige schooljaar (op grond waarvan pv is opgemaakt)

Schooljaar: 2018 - 2019
1e melding
Periode: 04-09-2018 t/m 13-09-2018
Aantal dagen/uren: 8 schooldagen
Datum melding: 04-09-2018
Interventie leerplichtambtenaar met
data: uitnodigen Leerplichtgesprek d.d. 13-09-2018.
Resultaat: Vader en [betrokkene 1] melden zich afzonderlijk af via de mail.Ik heb hen nogmaals
aangespoord te verschijnen bij het geplande verhoor. Ik ben ook tweemaal aan de deur geweest: er deed niemand open. Het ziet er verlaten uit.
[ABSENTIEOVERZICHT (…)]
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte aanvullend proces-verbaal Leerplicht 1969 met bijlagen, d.d. 6 juli 2020 voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van leerplichtambtenaar en buitengewoon opsporingsambtenaar [betrokkene 3] :
Naar aanleiding van meldingen van ongeoorloofd schoolverzuim door [betrokkene 2] , medewerker van het [betrokkene 2] , gevestigd te [plaats] , zijnde een school in de zin van artikel 1 van Pro de Leerplichtwet 1969, is er een onderzoek ingesteld naar het schoolverzuim, van het hieronder genoemde leerplichtig kind, dat geleid heeft tot opmaak van dit proces-verbaal. Dit betreft de periode van 04-09-2018 tot en met 20-10-2018. Dit is de dag waarop [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] (vader) met [betrokkene 1] is aangehouden door politie.
Vader is het wettig gezag op 6-9-2018 kwijtgeraakt.
De feitelijke verzorging ligt bij: vader (is het vermoeden).
In bijlage 3 metmailverkeer tussen mij en vader valt op te maken dat [betrokkene 1] tenminste gedurende een aantal weken tot 20-10-2018 bij zijn vader was.
Bijlage 5 (mutatierapport):
Datum: 20 oktober 2018
Staandehouding voertuig.
Bestuurder betrof de verdachte [verdachte] [geboortedatum] 1968.De verdachte aangehouden. In het voertuig zat als bijrijder de zoon van de verdachte [betrokkene 1] [geboortedatum] 2001.
3. Een schriftelijk stuk, inhoudende de verklaring van verdachte door het hof op 19 oktober 2021 per e-mail ontvangen van de raadsvrouw van verdachte, voor zover inhoudende:
Ik vertrok maart 2018 naar Tsjechië. Mijn oudste zoon, [betrokkene 1] , kwam naar mij toe.En er was een internationaal opsporingsbevel gekomen, voor [betrokkene 1] . Hierdoor werd ik op 20 okt.(het hof begrijpt: 20 oktober 2018)
gearresteerd.
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt voorts onder meer in (onderstrepingen mijnerzijds):

De voorzitter deelt mede dat het hof gisteren per e-mail stukken heeft ontvangen van de raadsvrouw. (…)
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging.
Het gaat om een bijzondere situatie, nu het ouderlijk gezag van de zoon bij de moeder ligt.Uit de rapporten en de stukken van de huisarts blijkt dat het volgen van onderwijs door [betrokkene 1] van hem te veel is gevraagd. Het is niemand gelukt om hem naar school te sturen.Alleen de vader wordt daarvoor verantwoordelijk gehouden, gelet op artikel 2 lid 1 van Pro de Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw).Cliënt heeft zijn zoon altijd gemotiveerd om naar school te gaan. De verdediging meent dat sprake is van een situatie, zoals bedoeld in artikel 2 lid 2 Lpw Pro. Ik verzoek u daarom cliënt vrij te spreken.Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van cliënt merk ik op dat zijn situatie ongewijzigd is gebleven. Hij leeft van een minimale uitkering in Tsjechië.
Bewezenverklaring
Door voormelde wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. (…)

De verplichtingen van de Leerplichtwet

7. Artikel 2 lid 1 en Pro lid 2 van de Leerplichtwet 1969 (hierna: de Leerplichtwet) houdt in:

1. Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. Bij de inschrijving wordt een van overheidswege verstrekt document overgelegd waarop de gegevens van de jongere betreffende zijn geslachtsnaam, voorletters, geboortedatum, geslacht en burgerservicenummer zijn vermeld. Bij gebrek aan een burgerservicenummer wordt zo mogelijk het onderwijsnummer van de jongere overgelegd. Indien de in de eerste volzin bedoelde personen bij de inschrijving aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere kunnen overleggen, leggen zij het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere over aan de school zodra zij daarvan kennis hebben verkregen.
2. De in het eerste lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor zover de daarin bedoelde personen kunnen aantonen dat zij daarvoor niet verantwoordelijk kunnen worden geacht.
8. Artikel 4a van de Leerplichtwet houdt voor zover relevant in:

1. De inartikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn verplicht te zorgen dat de jongere overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf staat ingeschreven als leerling, vavo-student of mbo-student bij een school of instelling die volledig dagonderwijs, een bij de wet geregelde combinatie van leren en werken een onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 2.107b, tweede lid, of 2.107l, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 dan wel een onderwijsprogramma dat is vormgegeven volgens een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.100, eerste lid, of 2.109, derde lid, van die wet verzorgt en dat hij deze school of instelling na inschrijving geregeld bezoekt, als:
a.
ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet is geëindigd, en
b.
de jongere geen startkwalificatie heeft behaald.
(…)
3. Artikel 2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid.”
9. Op grond van de Leerplichtwet zijn jongeren tussen de vijf en zestien jaar leerplichtig. [1] Degene die het gezag over de jongere uitoefent en degene die zich met de feitelijke verzorging van de jongere heeft belast, dient of dienen er blijkens artikel 2 lid 1 van Pro de Leerplichtwet voor te zorgen dat de jongere, zodra die leerplichtig wordt, als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. [2]
10. Voor jongeren tussen de zestien en achttien jaar die nog geen startkwalificatie – (minimaal) een diploma havo, vwo of mbo (niveau 2 of hoger) – hebben behaald, geldt dat zij op grond van artikel 4a lid 1 van de Leerplichtwet kwalificatieplichtig zijn. Ook in die gevallen dient degene die het gezag over de jongere uitoefent, dan wel degene die zich met de feitelijke verzorging heeft belast, ervoor te zorgen dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt.
11. In artikel 2 lid 2 van Pro de Leerplichtwet is een uitzonderingsgrond opgenomen: de verplichting uit artikel 2 lid 1 van Pro de Leerplichtwet geldt niet als de voor inschrijving of voor schoolbezoek verantwoordelijke persoon kan aantonen dat hij of zij voor het niet nakomen van de door de Leerplichtwet op hem gelegde verplichtingen niet verantwoordelijk kan worden geacht. Blijkens de wetsgeschiedenis beoogt deze bepaling de bewijslast van het Openbaar Ministerie om te keren. Dat wil zeggen dat een gedagvaarde betrokken persoon zonder nader bewijs verantwoordelijk kan worden geacht voor naleving van de verplichtingen uit de Leerplichtwet. Beroept hij zich echter op de uitzonderingsgrond dan zal hij zélf moeten kunnen aantonen dat hij voor een en ander niet verantwoordelijk is. [3]

De bespreking van het middel

12. De stellers van het middel klagen, als gezegd, dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
13. Op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan in cassatie van de volgende, door de verdediging niet betwiste, feiten en omstandigheden worden uitgegaan.
i. Naar aanleiding van melding van ongeoorloofd schoolverzuim is een onderzoek ingesteld naar het schoolverzuim van de zoon van de verdachte in de periode van 4 september 2018 tot en met 13 september 2018.
ii. Op 6 september 2018 is de verdachte het wettige gezag over zijn zoon kwijtgeraakt.
iii. De verdachte wordt voor het schoolverzuim van zijn zoon mede verantwoordelijk gehouden omdat zijn zoon, zo “
is het vermoeden”, bij hem verblijft (zonder enige nadere omschrijving van de feitelijke gronden waarop dit vermoeden/deze conclusie van de leerplichtambtenaar is gebaseerd).
iv. De leerplichtambtenaar heeft verklaard dat uit mailverkeer tussen hem en de verdachte volgt dat de zoon van de verdachte tot 20 oktober 2018 “
tenminste gedurende een aantal weken” bij de verdachte (in Tsjechië) verbleef (zonder enige nadere omschrijving van de feitelijke gronden waarop deze conclusie van de leerplichtambtenaar is gebaseerd en zonder nadere specificatie van de bedoelde weken).
v. De verdachte heeft een verklaring afgelegd waaruit blijkt dat hij in maart 2018 naar Tsjechië is gegaan en dat
“zijn zoon naar hem toe is gekomen” (zonder nadere specificatie van de dag waarop dat is gebeurd).
vi. Op 20 oktober 2018 zijn de verdachte en zijn zoon in Tsjechië aangehouden.
14. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte in de periode van 4 september 2018 tot en met 13 september 2018 niet aan de op hem rustende verplichtingen uit de Leerplichtwet heeft voldaan. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte, die zich op dat moment met de feitelijke verzorging van zijn zeventienjarige en tevens kwalificatieplichtige zoon had belast, er niet voor gezorgd dat zijn zoon de school waar hij stond ingeschreven ook geregeld bezocht.
15. In de eerste plaats klagen de stellers van het middel dat de bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet dekken omdat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte zich in de periode van “
4 september 2018 tot en met 13 september 2018”met de feitelijke verzorging van zijn zoon heeft belast.
16. Met de stellers van het middel meen ik dat een substantieel deel van de door het hof bewezen verklaarde periode van dit voortdurend omissiedelict, te weten de periode van 7 tot en met 13 september 2018, niet wordt gedragen door de gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit blijkt immers dat de verdachte het wettige gezag over zijn zoon op 6 september 2018 is verloren, terwijl uit de bewijsmiddelen inderdaad
nietkan worden afgeleid wie zich gedurende de daaropvolgende dagen met de feitelijke verzorging van de jongere heeft belast. In zoverre is de klacht terecht voorgesteld.
17. Naast de periode van 7 tot en met 13 september 2018 omvat de bewezenverklaring echter tevens de dagen van 4 en 5 september 2018. Nu de verdachte in deze dagen wel (mede) het wettige gezag over zijn zoon had, en de bewezenverklaring verwijst naar (de verplichtingen van) “
een persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid” (van – naar ik begrijp – de Leerplichtwet), is de bewezenverklaring slechts in zoverre gedekt.
18. In de tweede plaats klagen de stellers van het middel dat het hof niet heeft gereageerd op het door de verdediging ter terechtzitting gevoerde verweer waarin zij een beroep heeft gedaan op de in artikel 2 lid 2 van Pro de Leerplichtwet opgenomen uitzonderingsgrond en om vrijspraak heeft verzocht. Ter onderbouwing van dat beroep heeft zij er onder andere op gewezen dat
“uit de rapporten en de stukken van de huisarts blijkt dat het volgen van onderwijs door [betrokkene 1] van hem te veel is gevraagd; het niemand is gelukt om hem naar school te sturen; de verdachte zijn zoon altijd heeft gemotiveerd om naar school te gaan”.
19. Het hof heeft, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting, niet gereageerd op hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht. Het hof heeft het verweer kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat ertoe strekte om op de voet van artikel 2 lid 2 van Pro de Leerplichtwet
"aan te tonen"dat de verdachte er niet verantwoordelijk voor kon worden gehouden dat zijn zoon de school waar hij stond ingeschreven niet bezocht. Dat oordeel acht ik niet begrijpelijk. [4] Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdediging nadrukkelijk een beroep heeft gedaan op genoemde bepaling en voorafgaand aan de zitting per e-mail verschillende stukken aan het hof heeft overgelegd om haar standpunt te onderbouwen. Ik wijs daarbij in het bijzonder nog op een overgelegde verklaring van de zoon van de verdachte waarin hij schrijft dat zijn vader hem graag naar school wilde hebben, maar dat hij, noch enige andere instantie dat doel ooit heeft weten te bereiken. Nu het hof in het geheel niet heeft gereageerd op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, schiet de motivering van de bewezenverklaring tekort. Ook in zoverre slaagt het middel.
20. Ten slotte klagen de stellers van het middel dat het bewezen verklaarde ten onrechte is gekwalificeerd als het in het arrest gekwalificeerde delict.
21. De bewezenverklaring van het hof houdt, voor zover relevant, in dat de verdachte (onderstrepingen mijnerzijds)
“als een persoon, bedoeld inartikel 2, eerste lid, niet aan zijn verplichting heeft voldaan te zorgen dat de jongere (…) overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 2a. van de Leerplichtwet 1969, staat/stond ingeschreven als leerling of deelnemer bij een school of instelling, (…) zulks terwijl:a. ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet was geëindigd, en b. de jongere geen startkwalificatie had behaald”.
22. Het hof heeft het bewezen verklaarde gekwalificeerd als (onderstrepingen mijnerzijds)
“als persoon, bedoeld inartikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de inartikel 4a van die wetopgelegde verplichting niet nakomen”.
23. De stellers van het middel beogen kennelijk te klagen dat het hof, nu het slechts bewezen heeft verklaard
“artikel 2, eerste lid”, het bewezen verklaarde onjuist heeft gekwalificeerd. Op grond van het voorgaande, de onder randnummer 8 geciteerde bepaling in het bijzonder, faalt de klacht dat het bewezen verklaarde ten onrechte is gekwalificeerd als het in het arrest gekwalificeerde delict, evident.

Slotsom

24. Het middel slaagt.
25. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
26. Deze conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het ligt iets complexer, maar dat doet hier niet ter zake. Zie art. 3 van Pro de Leerplichtwet.
2.Vgl. ook HR 25 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR3033.
4.Vgl. in dit verband HR 21 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0399,