Conclusie
1.[eiser 1] ,
[eiseres 2],
[eiser 3],
[eiser 4],
[eiseres 5],
[eiseres 6],
advocaat: mr. M.S. van der Keur,
verweerster in cassatie,
eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. F.M. Dekker.
[eisers]en verweerster in cassatie als
UAZ.
1.Inleiding en samenvatting
de Arbeidstijdenrichtlijn). [1] Dat betekent onder meer dat deze dienst moet worden gevolgd door een rustperiode van minimaal 11 uur. [eisers] , die ieder woonachtig zijn (geweest) op [plaats 1] of [plaats 2] , worden ook ingeroosterd voor 24-uursdiensten op de vaste wal. In dat geval geldt ook voor hen het tijdvak van 20.00 tot 8.00 uur als een aanwezigheidsdienst.
2.Feiten
de cao) van toepassing. In de cao wordt onder meer de beloning vastgelegd. In de cao wordt over de arbeidstijd (waar deze zaak primair over gaat) onder meer het volgende bepaald:
3.Procesverloop
Eerste aanleg
Hoger beroep
het hof). UAZ heeft, onder aanvoering van negen grieven, vernietiging van dit vonnis gevorderd, alsmede alsnog afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met veroordeling van [eisers] tot terugbetaling van wat UAZ op basis van het vonnis aan hen heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van [eisers] in de proceskosten. [6]
het arrest) heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd, behoudens de daarin uitgesproken compensatie van de proceskosten in eerste aanleg, en heeft het opnieuw recht doende, de vordering van [eisers] afgewezen en de kosten van het hoger beroep gecompenseerd. [7]
het Hofof
HvJEU) over de kwalificatie van wachtdiensten als arbeidstijd in de zin van de Arbeidstijdenrichtlijn en geeft het de essentie daarvan weer. In rov. 6.4 overweegt het hof dat als in dit geval de tijd die gemoeid is met een bereikbaarheidsdienst arbeidstijd is, dat nog niet betekent dat die tijd als arbeidstijd moet worden beloond en dat het in dat geval aankomt op de vraag hoe dat in de arbeidsovereenkomst en/of de cao is geregeld.
Geen van appellanten maakt al zijn of haar contracturen op basis van een inroostering als chauffeur of verpleegkundige uitsluitend op (één van) de eilanden, volgens het rooster zoals dat geldt vanaf 1 juli 2020. [eiser 1] en [eiseres 6] werken deels (33% onderscheidenlijk 25% van hun uren) op de in Leeuwarden gestationeerde ambulance-helikopter, waarbij steeds wordt gewerkt op basis van een aanwezigheidsdienst. [eiseres 2] werkt voor de helft van haar contracturen in een huisartsenpraktijk. [eiser 4] en [eiser 3] hebben zich verplicht de helft van hun uren te werken op de wal, aldus in parate dienst en/of aanwezigheidsdiensten. [eiseres 5] is in verband met arbeidsongeschiktheid na 1 juli 2020 niet ingeroosterd geweest en zij is met ingang van 1 maart 2021 gepensioneerd.
In die zin moet de mate waarin [eisers] bereikbaarheidsdiensten hebben waarbinnen zij beperkingen zouden kunnen ondervinden voor hun sociale leven, worden genuanceerd.
Zo’n dienst beperkt veeleer deelname aan sociale activiteiten in de avonduren, zoals het meedoen aan het verenigingsleven en het organiseren van en/of deelnemen aan festiviteiten (o.a. verjaardagen), waarbij onder elke omstandigheid een verbod op het gebruik van alcohol geldt. Verdere beperkingen zijn, zo hebben [eisers] onbetwist gesteld, dat een werknemer tijdens een bereikbaarheidsdienst in de nabijheid moet blijven van de piketfiets of piketauto om zo bij een oproep snel de standplaats of de met de collega afgesproken plaats van samenkomst te bereiken. Daardoor zijn (lange) strandwandelingen e.d. niet mogelijk, zo is buiten discussie, evenals het ondernemen van een activiteit met jonge kinderen waarbij geen andere verzorger aanwezig is, maar andere privé-activiteiten wel. De werknemers zijn niet verplicht tijdens een bereikbaarheidsdienst hun uniform te dragen, maar dragen deze doorgaans wel om bij een oproep voor een inzet - waarvoor wel een uniformplicht geldt - sneller te kunnen reageren. Gesteld noch gebleken is dat het dragen van een uniform op zichzelf (fysiek) belastend of beperkend is bij voorgenomen privé-activiteiten.
[eisers] hebben in dat verband niet weersproken dat de werknemers die op één van de eilanden wonen met voorrang boven de walwerknemers hun diensten mogen inroosteren. Onbetwist is dat UAZ die zelfroostering zo veel als mogelijk volgt, indien dat overeenstemt met de arbeidstijdenregels, en dat een door de werknemer gekozen inroostering alleen verandert als een roosterprobleem moet worden opgelost.
Gesteld noch gebleken is dat een zelfroostering voor een bereikbaarheidsdienst met enige frequentie door UAZ is of wordt aangepast. Een bereikbaarheidsdienst kan - over een periode van 16 weken bezien - gemiddeld maximaal tweemaal per week worden ingeroosterd.
[eisers] hebben daarmee een behoorlijke invloed op de mate waarin een bereikbaarheidsdienst hen eens dan wel tweemaal per week daadwerkelijk hindert bij het ondernemen van de door hen gewenste privé-activiteiten.
Uitgaande van twee ambulances op Terschelling is daarmee sprake van een gemiddelde oproepintensiteit van 0,125 per nacht en 0,0625 per avond. Dit betekent dat een dienstdoend team van een chauffeur en verpleegkundige gemiddeld ééns per acht bereikbaarheidsdiensten ’s nachts wordt opgeroepen. Voor Vlieland is dit gemiddelde in genoemd rapport uitgerekend op 0,08 per nacht, ofwel een nachtelijke oproep eens per 12 of 13 bereikbaarheidsdiensten.
Uitgaande van gemiddeld maximaal twee bereikbaarheidsdiensten per week betekent genoemd gemiddelde van het aantal oproepen per nacht dat een werknemer op Terschelling gemiddeld ééns per 4 (kalender)weken een nachtelijke oproep voor een inzet krijgt. Voor Vlieland kan dit gemiddelde voor een werknemer aan de hand van genoemde stukken berekend worden op eens per 6 (kalender)weken.
De werknemers worden immers wel geacht onmiddellijk bij een oproep voor een inzet te reageren, waarbij voor hen de regel geldt dat zij bij samenkomst van chauffeur én verpleegkundige in de ambulance moeten ‘plotten’ ofwel met een druk op een knop moeten registreren op welk moment zij met de ambulance naar de opgegeven locatie uitrukken. Voor de tijd tussen de oproep en dat plotten geldt een streeftijd van 2 minuten en daarna een uitruktijd van 13 minuten, dit alles om de voor UAZ geldende norm te kunnen halen. Onbetwist is dat van de werknemers ook steeds een toelichting wordt gevraagd als de genoemde streeftijden niet zijn gehaald. Dat maakt dat, ondanks het ontbreken van een (arbeidsrechtelijke) consequentie voor de werknemers ter zake,
de druk van de reactietijd meeweegt bij de impact van de verplichtingen, zoals bedoeld onder 6.3.
Wel zeggen zij last te hebben van ‘pieperdruk’: de wetenschap dat zij tijdens een bereikbaarheidsdienst opgepiept kunnen worden. Het gaat hierbij, gezien de door hen daarop gegeven toelichting en gelet op wat hiervoor in 6.5.2 en 6.5.4 is overwogen, in wezen om een subjectieve beleving van de werknemers. Die beleving is daardoor als onvoldoende geobjectiveerd niet doorslaggevend bij de vraag of de impact van een bereikbaarheidsdienst zodanig aanzienlijk is op de invulling van vrije tijd dat gesproken moet worden van arbeidstijd. Dat het geluid van de pieper, waarmee een oproep wordt ontvangen, te luid is en in de nachtelijke uren ook familieleden wekt, zoals [eisers] betogen, is naar het oordeel van het hof geen relevante omstandigheid voor de vraag of de bereikbaarheidsdienst als arbeidstijd moet worden beschouwd.
Cassatie
4.Bespreking van het middel in het principaal beroep
Deel Abevat één onderdeel en klaagt erover dat het hof enkel de situatie ná 1 juli 2020 en niet ook de situatie daarvóór heeft beoordeeld.
Deel Bricht zich tegen de afweging die het hof heeft gemaakt voor de situatie ná 1 juli 2020.
Subonderdeel 1.1klaagt dat het hof art. 24 Rv Pro heeft geschonden door niet te beslissen op de volledige grondslag van de vorderingen.
Subonderdeel 1.2klaagt dat het hof de devolutieve werking heeft miskend. Nu de kantonrechter de verklaring voor recht had toegewezen voor de periode voor en na 1 juli 2020, had het hof – nu naar zijn oordeel de grieven van UAZ slagen gelet op de situatie na 1 juli 2020 – op grond van de devolutieve werking alsnog afzonderlijk moeten beoordelen of de verklaring voor recht wel toewijsbaar was voor de periode vóór die datum.
Subonderdeel 1.3klaagt tot slot over het ontbreken van een (toereikende) motivering voor zover het hof de situatie vóór 1 juli 2020 wél zou hebben beoordeeld.
in ieder geval vanaf 1 juli 2020, bij de invoering van het nieuwe roostersysteem, in overeenstemming met de dwingendrechtelijke beschermingsbepalingen van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit en de betreffende cao-bepalingen
de roosters dient samen te stellen.
Aangezien de wijziging per 1 juli 2020 slechts een voorlopig karakter heeft en aangezien de diensten op de eilanden ten onrechte nog steeds niet worden aangemerkt als arbeidstijd hebben geïntimeerden nog steeds een groot belang (in financieel opzicht, op het punt van recuperatietijd en op het punt van arbeidsinzet) bij hun vordering.”
financiële componentvan het gestelde belang) ook in hoger beroep niet uitgebreid tot de periode vóór 1 juli 2020.
overige twee componentenvan het belang die [eisers] onder de aandacht hebben gebracht – de gevolgen die de kwalificatie arbeidstijd heeft voor de
rusttijden voor de
arbeidsinzet– valt niet goed in te zien hoe deze punten voor het verleden kunnen worden geredresseerd. [eisers] hebben zulks ook niet toegelicht. [13] Kennelijk is het hof ervan uitgegaan dat het belang in zoverre enkel zit in het voorlopige karakter van de wijziging per 1 juli 2020 en de mogelijkheid dat UAZ weer zou overgaan op de ‘oude’ manier van inroosteren. Het hof heeft in rov. 6.8 van zijn arrest overwogen dat UAZ heeft beaamd dat de voor 1 juli 2020 bestaande wijze van inroosteren niet voldoende evenwichtig was. [14]
loonvordering is beperkt tot de periode na 1 juli 2020, en (ii) het belang bij de gevorderde verklaring voor recht
voor het overigeerin is gelegen dat het rooster in de toekomst conform de geldende wet- en regelgeving wordt opgesteld, terwijl (iii) ervan uit wordt gegaan dat de roostersystematiek van vóór 1 juli 2020 niet wordt hernomen.
onderdelen 2 tot en met 6zijn gericht tegen de rov. 6.3-6.6, waarin het hof heeft geoordeeld dat de bereikbaarheidsdienst niet is aan te merken als arbeidstijd in de zin van de arbeidstijdenregelgeving. Alvorens de klachten te bespreken schets ik het juridisch kader.
Juridisch kader
Arbeidstijdenrichtlijn – algemeen
het Handvest), waarin het fundamentele recht van iedere werknemer wordt erkend op “
een beperking van de maximumarbeidsduur en op dagelijkse en wekelijkse rusttijden”. [17] De bepalingen van de Arbeidstijdenrichtlijn moeten worden uitgelegd in het licht van die bepaling.
de Kaderrichtlijn Arbeidsveiligheid). [19] Het HvJEU heeft geoordeeld dat de werkzaamheid van ambulancehulpverlener die wordt uitgeoefend in het kader van een dienst voor medische spoedhulp, binnen de werkingssfeer van de Arbeidstijdenrichtlijn en de Kaderrichtlijn Arbeidsveiligheid valt. [20]
Radiotelevizija Slovenija(dat hierna uitvoerig ter sprake komt) heeft het Hof dit als volgt verwoord: [21]
de Interpretatieve mededeling), [22] bestaat deze definitie uit drie cumulatieve criteria: de werknemer moet (1) werkzaam zijn, (2) ter beschikking van de werkgever staan en (3) zijn werkzaamheden of functie uitoefenen.
diensten van ambulances, brandweer en civiele bescherming.” [27]
Nationale regelgeving arbeidstijden
12 uren per dienst”.
aanwezigheidsdienst’, die in art. 1:1 Arbeidstijdenbesluit Pro als volgt wordt gedefinieerd:
bereikbaarheidsdienst’of van een ‘
consignatiedienst’.
wachtdiensten’. De hier aan de orde zijnde bereikbaarheidsdiensten zijn van dat genus een species. [29]
Rechtspraak over het begrip arbeidstijd in geval van wachtdiensten
Matzak, uit 2018, oordeelde het Hof dat ook in een geval waarin de werknemer tijdens zijn wachtdienst niet op
de werkplekaanwezig hoeft te zijn, sprake kan zijn van arbeidstijd. [33] Matzak was als brandweervrijwilliger op oproepbasis werkzaam bij de brandweer van de Belgische stad Nijvel. In die hoedanigheid verrichtte hij zogeheten thuiswachtdiensten. Hij was verplicht om thuis te blijven en moest binnen acht minuten na een oproep ter plaatse arriveren. [34] Het Hof overwoog (mijn onderstreping):
De verplichting om fysiek aanwezig te blijven op de door de werkgever aangewezen plek en de verplichting die uit geografisch en temporeel oogpunt voortvloeit uit de eis om binnen acht minuten op de werkplek te arriveren, kunnen de mogelijkheid voor een zich in de situatie van Matzak bevindende werknemer om zich aan zijn persoonlijke en sociale interesses te wijden, objectief beperken.
Matzaknog altijd mede lijkt te steunen op de verplichte fysieke aanwezigheid op een door de werkgever aangewezen plek (zij het dat het daar ging om de woning van de werknemer), heeft het Hof op 9 maart 2021 uitspraak gedaan in twee zaken waarin een dergelijke verplichting niet aan de orde was omdat de werknemers hun verblijfplaats tijdens de wachtdienst (in beginsel) vrij konden kiezen. Het Hof heeft zijn rechtspraak op het punt van de kwalificatie als arbeidstijd in die beide arresten nader gepreciseerd.
Radiotelevizija Slovenija, [35] ging het om een gespecialiseerd technicus (geanonimiseerd aangeduid als DJ) voor zendstations in Slovenië die in de bergen zijn opgesteld. Door de aard van het werk, de afstand tussen deze zendstations en zijn woonplaats en de bij wijlen moeilijke toegankelijkheid van de zendstations moest hij tijdens wachtdiensten dichtbij de betrokken sites verblijven. De werkgever had de ruimten van zendstations zo ingericht dat de werknemer en een andere technicus, die daar gelijktijdig aanwezig waren, er konden verblijven. De twee technici werkten in shifts. De tijd van middernacht tot 6.00 uur werd beschouwd als een wachtdienstperiode waarin de werknemer permanent bereikbaar moest zijn. Vraag was of art. 2 Arbeidstijdenrichtlijn aldus moest worden uitgelegd dat een wachtdienst waarbij een werknemer permanent bereikbaar moet zijn en zo nodig binnen het uur op zijn werkplek moet kunnen arriveren, arbeidstijd vormt in de zin van dit artikel, en of er hierbij rekening mee moet worden gehouden dat hij een dienstwoning ter beschikking krijgt gesteld omdat zijn werkplek moeilijk bereikbaar is.
Stadt Offenbach am Main, [36] betrof een brandweerman-bevelvoerder (geanonimiseerd aangeduid als RJ). Naast zijn gewone diensten had RJ regelmatig een zogenoemde ‘BvE-dienst’. Tijdens die dienst moest hij permanent bereikbaar zijn, zijn interventiekleding gereed houden en het door zijn werkgever ter beschikking gestelde dienstvoertuig bij zich hebben. Bij een alarmmelding moest hij binnen twintig minuten met zijn dienstvoertuig en in werkkleding de stadsgrenzen kunnen bereiken met gebruikmaking van zijn voorrangs- en doorgangsrechten. Uit het arrest blijkt verder dat de BvE-dienst door de week werd verricht tussen 17.00 uur en 7.00 uur de volgende dag, en in het weekend van vrijdag 17.00 uur tot maandag 7.00 uur, dat het kon voorkomen dat deze dienst in het weekend volgde op een werkweek van 42 uur en betrokkene gemiddeld 10 tot 15 weekenden per jaar een BvE-dienst verrichtte. Het aantal oproepen tijdens de wachtdiensten was niet groot: 20 keer op 126 wachtdiensten in een periode van twee jaar. De Duitse rechter vroeg of deze wachtdiensten arbeidstijd vormen en of hierbij rekening moet worden gehouden met het gemiddeld aantal keer dat de werknemer tijdens een wachtdienst daadwerkelijk wordt opgeroepen voor een interventie.
Matzak-arrest als volgt samen (ik volg de nummering van het arrest
Radiotelevizija Slovenija; hierna steeds mijn onderstrepingen):
gezien de objectieve en aanzienlijke impact die de aan de werknemer opgelegde verplichtingen hebben op zijn mogelijkheden om zich aan zijn persoonlijke en sociale interesses te wijden, verschilt van een dienst waarbij de werknemer zich gewoon ter beschikking van zijn werkgever moet houden in die zin dat deze laatste hem kan bereiken (zie in die zin arrest van 21 februari 2018, Matzak, C‑518/15, EU:C:2018:82, punten 63‑66).”
Matzak, die thuis verbleef). Ten tweede formuleert het Hof een nieuw toetsingscriterium (zoals onderstreept): de ‘objectieve en aanzienlijke impact’ op de mogelijkheid de inactieve tijd tijdens de wachtdienst in te vullen.
ziet op alle wachtdiensten, inclusief die waarbij de werknemer permanent bereikbaar moet zijn, waarbij de verplichtingen die hem worden opgelegd van dien aard zijn dat zij een objectieve en aanzienlijke impact hebben op zijn mogelijkheden om tijdens die wachtdienst de tijd waarin geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd, vrij in te vullen en aan zijn eigen interesses te besteden.
enkel rekening kan worden gehouden met verplichtingen die de werknemer worden opgelegd, hetzij door de regelgeving van de betrokken lidstaat of bij collectieve overeenkomst, hetzij door de werkgever, met name in de arbeidsovereenkomst, het arbeidsreglement of door middel van het toerbeurtsysteem voor de wachtdiensten.
Wanneer een wachtdienstperiode niet automatisch als „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88 kan worden aangemerkt omdat de werknemer niet verplicht is om op zijn werkplek te blijven, dienen de nationale rechterlijke instanties alsnog na te gaan of deze kwalificatie niet toch geboden is vanwege de gevolgen die alle aan de werknemer opgelegde verplichtingen samen hebben voor zijn mogelijkheden om tijdens die periode de tijd waarin geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd, vrij in te vullen en om zich met zijn eigen interesses bezig te houden.
In dit opzicht moet inzonderheid rekening worden gehouden met de tijd waarover de werknemer tijdens de wachtdienst beschikt om zijn beroepsactiviteiten te hervatten vanaf het moment dat de werkgever hierom verzoekt, in voorkomend geval in combinatie met het gemiddeld aantal interventies dat hij tijdens de wachtdienst daadwerkelijk moet uitvoeren.
In dit verband moet worden onderstreept dat een wachtdienst waarbij een werknemer, gezien het redelijke tijdsbestek dat hij krijgt om zijn beroepsactiviteiten te hervatten, zijn persoonlijke bezigheden en sociale activiteiten kan inplannen, a priori geen „arbeidstijd” in de zin van richtlijn 2003/88 vormt. Omgekeerd moet een wachtdienst waarbij de werknemer slechts enkele minuten heeft om zijn werk te hervatten, in principe integraal worden beschouwd als „arbeidstijd” in de zin van deze richtlijn, aangezien hij dan in de praktijk sterk wordt ontmoedigd om enige ontspanning – ook al duurt die niet lang – in te plannen.
Dit neemt niet weg dat de impact van die reactietijd in concreto moet worden beoordeeld, in voorkomend geval rekening houdend met andere verplichtingen die de werknemer krijgt opgelegd of de faciliteiten die hem worden geboden bij de wachtdienst.
Ten tweede dienen de nationale rechterlijke instanties rekening te houden met het gemiddeld aantal prestaties dat de werknemer normaal gezien daadwerkelijk per wachtdienst verricht – voor zover dit aantal objectief kan worden ingeschat – in combinatie met het tijdsbestek waarover hij beschikt om zijn beroepsactiviteit te hervatten.
Hieruit volgt dat wanneer de werknemer tijdens zijn wachtdienstperioden door elkaar genomen vaak prestaties dient te leveren en die prestaties doorgaans niet van korte duur zijn, die perioden in principe integraal „arbeidstijd” vormen in de zin van richtlijn 2003/88.
De omstandigheid dat de werknemer tijdens zijn wachtdienstperioden door elkaar genomen zelden moet interveniëren, kan echter niet tot gevolg hebben dat die perioden als „rusttijd” worden beschouwd in de zin van artikel 2, punt 2, van richtlijn 2003/88, wanneer het tijdsbestek waarbinnen hij zijn beroepsactiviteiten moet hervatten een zodanige impact heeft dat hij objectief en aanzienlijk wordt beperkt in zijn mogelijkheden om tijdens die perioden de tijd waarin geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd, vrij in te vullen.
Stadt Offenbach am Mainaanvullend overwogen:
Wat verplichtingen qua reactietijd betreft, kan met name worden gedacht aan het feit dat de werknemer in afwachting van een oproep van zijn werkgever thuis moet blijven en zich niet vrij kan verplaatsen, of dat hij zich, wanneer hij wordt opgeroepen, naar zijn werkplek moet begeven met een specifieke uitrusting.In termen van de faciliteiten die de werknemer worden geboden, moet worden gekeken naar de vraag of de werknemer een dienstvoertuig ter beschikking wordt gesteld dat hem speciale voorrangs- en doorgangsrechten geeft, en of hij oproepen kan beantwoorden zonder de plaats waar hij zich bevindt te hoeven verlaten.”
Stadt Offenbach am Maintot de volgende beantwoording van de prejudiciële vragen:
indien uit een totaalbeoordeling van alle omstandigheden van de zaak – en met name van de gevolgen van een dergelijk tijdsbestek en in voorkomend geval van het gemiddeld aantal interventies tijdens die dienst – blijkt dat gedurende de betrokken dienst aan de werknemer zodanige verplichtingen worden opgelegd dat hij objectief en aanzienlijk wordt beperkt in zijn mogelijkheden om tijdens die dienst de tijd waarin geen beroepswerkzaamheden van hem worden verlangd, vrij in te vullen en aan zijn eigen interesses te besteden.”
Dopravní podnik hl. M. Prahy [37] ging het om een situatie waarbij een brandweerman (geanonimiseerd aangeduid als XR) tijdens zijn dagelijkse maaltijd- en rustpauzes van dertig minuten kon worden opgeroepen voor een interventie, in welk geval het interventievoertuig hem binnen twee minuten voor de personeelskantine zou komen ophalen. De pauzes werden alleen als arbeidstijd in aanmerking genomen als zij werden onderbroken door een interventieoproep.
Radiotelevizija Slovenijageschetste kader herhaald (punten 23-36), en daar nog enkele overwegingen aan toegevoegd. Allereerst – maar dat is in wezen niets nieuws – heeft het Hof overwogen dat de rechter bij zijn onderzoek geen rekening hoeft te houden met beperkingen die hoe dan ook zouden hebben bestaan, omdat deze noodzakelijkerwijs voortvloeien uit de duur van dertig minuten van elke pauze en losstaan van de beperkingen die verband houden met zijn verplichtingen om binnen twee minuten beschikbaar te zijn om uit te rukken voor een interventie (punt 39). Voorts heeft het Hof nader aandacht besteed aan het belang van het incidentele karakter en de onvoorspelbaarheid van de oproepen, als volgt:
de onvoorspelbaarheid van de mogelijke onderbrekingen van de pauzes een bijkomend beperkend effect kan hebben op de mogelijkheid waarover de betrokken werknemer beschikt om die tijd vrijelijk te beheren. De daaruit voortvloeiende onzekerheid kan namelijk tot gevolg hebben dat die werknemer in een permanente staat van paraatheid verkeert.”
Dublin City Council. [38] Ook deze zaak betrof een brandweerman (geanonimiseerd aangeduid als MG), die verplicht was deel te nemen aan 75% van de interventies van het brandweerkorps, met de mogelijkheid om af te zien van de overige interventies. Hij was niet verplicht om zich tijdens zijn perioden van oproepdienst op een bepaalde plaats te bevinden, maar moest bij een noodoproep trachten om binnen vijf minuten en in elk geval binnen maximaal tien minuten op de kazerne te zijn. Hij mocht als zelfstandige of voor een tweede werkgever een beroepsactiviteit uitoefenen, voor zover deze activiteit gemiddeld niet meer dan 48 uur per week bedraagt. Het was de werknemer verboden een dergelijke andere activiteit uit te oefenen tijdens zijn ‘actieve arbeidsuren’ als oproepbare brandweerman. De werknemer moest voorts op ‘redelijke afstand’ van de kazerne wonen en werken teneinde op tijd op de kazerne te kunnen zijn.
kunnen objectieve elementen zijn op grond waarvan kan worden geoordeeld dat hij in staat is om tijdens die perioden deze andere beroepsactiviteit in overeenstemming met zijn eigen interessen te ontwikkelen en daaraan een aanzienlijk deel van de betrokken tijd te besteden. Dat is echter anders indien de gemiddelde frequentie van de noodoproepen en de gemiddelde duur van de interventies de daadwerkelijke uitoefening verhinderen van een beroepsactiviteit die kan worden gecombineerd met het beroep van oproepbare brandweerman, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.”
Betekenis van de weergegeven rechtspraak
Matzak-arrest markeert de overgang naar het nieuwe criterium. De twee arresten van 9 maart 2021 werken dit criterium uit, waarmee tegelijkertijd het
Matzak-arrest werd genuanceerd. [39] De laatste twee zaken,
Dopravní podnik hl. M. Prahy(wachtdienst tijdens de lunchpauze) en
Dublin City Council(andere betrekking naast werk) voegen voor de beoordeling van de onderhavige zaak mijns inziens niet veel toe.
totaalbeoordelingte maken van alle omstandigheden van het geval. In dat verband blijkt uit het gebruik van de term ‘aanzienlijk’ dat de lat om van arbeidstijd te kunnen spreken tamelijk hoog ligt. [40]
De reactietijd [41] als onderdeel van aanrijtijd van de ambulance. Er is echter niet een eenduidig aantal minuten aan te geven waarbij rusttijd omklapt in arbeidstijd. De impact van de reactietijd moet immers in concreto worden beoordeeld, in samenhang met de andere omstandigheden van het geval. [42] Daarom is het aantal minuten reactietijd dat aan de orde was in zaken die eerder zijn beoordeeld (zoals
Matzak) niet zonder meer maatgevend voor de beoordeling van de reactietijd in een andere situatie. Daarbij is voorts te bedenken dat het inherent is aan bepaalde beroepswerkzaamheden (zoals politie, brandweer, spoedeisende ambulancediensten en bepaalde andere medische diensten) dat bij een oproep de grootst mogelijke spoed dient te worden betracht, nu het bij die beroepen kan gaan om een kwestie van leven of dood. Voor de ambulancezorg is dat het geval voor de zogenoemde A1-interventies.
De verwachte frequentie en de duur van de interventies. Per specifiek geval zal door de nationale rechter moeten worden beoordeeld of het gemiddelde aantal te verwachten interventies de vrijheid van de werknemer om zijn vrije tijd zelf in te vullen zodanig beperkt dat de inactieve uren van een wachtdienst (doorgebracht buiten de werkplek) als arbeidstijd hebben te gelden. Wanneer een werknemer in de wachtdienst zelden wordt opgeroepen, kan dat een aanwijzing zijn dat geen sprake is van arbeidstijd. Maar ook dan kan het nog steeds zo zijn dat een korte reactietijd een zodanige impact heeft dat hij ‘objectief en aanzienlijk’ wordt beperkt in zijn mogelijkheden om de inactieve perioden vrij in te vullen. [43] Weinig interventies betekent dus niet automatisch rusttijd. [44]
De onderdelen 2 tot en met 6 van het middel
Vooraf: aangevochten kwalificatieoordeel in cassatie beperkt toetsbaar
Onderdeel 2 – impact van de korte reactietijd
harde subregel’ dat een bereikbaarheidsdienst in de zin van art. 1:1 Arbeidstijdenbesluit Pro waarbij de werknemer binnen enkele minuten op de aangewezen plek (de ambulance) zijn werk moet hervatten, integraal geldt als arbeidstijd. Het subonderdeel klaagt dat het hof deze harde subregel heeft miskend (
onder 2.1.1), althans dat het oordeel onvoldoende gemotiveerd is, nu uit de vaststaande feiten volgt dat de harde subregel van toepassing is, terwijl het hof niet duidelijk toelicht waarom die regel toepassing mist (
onder 2.1.2).
vuistregel’ dat een wachtdienst waarbij de werknemer slechts enkele minuten heeft om zijn werk te hervatten, in principe integraal moet worden beschouwd als arbeidstijd, aangezien hij dan in de praktijk sterk wordt ontmoedigd om enige ontspanning – ook al duurt die niet lang – in te plannen. Het subonderdeel wijst erop dat niet blijkt dat het hof deze vuistregel tot uitgangspunt neemt en dat het hof niet motiveert waarom de door hem in aanmerking genomen omstandigheden zo zwaarwegend zijn dat zij afwijking van deze vuistregel rechtvaardigen. [63]
onder 2.3.1). [64] Verder klaagt het subonderdeel dat indien het hof de impact van de korte reactietijd wel afzonderlijk heeft beoordeeld, zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, omdat uit het arrest (in het bijzonder rov. 6.5.2 en 6.6) niet volgt wat de impact is van de korte reactietijd ‘sec’. Het hof had de impact van de korte reactietijd kenbaar afzonderlijk moeten motiveren, nu [eisers] ook hebben gesteld dat (i) de korte reactietijd op zichzelf de hiervoor bedoelde impact heeft, en dat (ii) daarom voor de vraag of sprake is van arbeidstijd niet beslissend is hoeveel oproepen er gemiddeld zijn. [65]
reactietijd. Het Hof heeft duidelijk gemaakt dat een wachtdienst waarbij de werknemer slechts enkele minuten heeft om zijn werk te hervatten,
in principeintegraal als arbeidstijd moet worden beschouwd, aangezien hij dan in de praktijk sterk wordt ontmoedigd om enige ontspanning, ook al duurt die niet lang, in te plannen. [67] De impact van die reactietijd moet in concreto worden beoordeeld, in voorkomend geval rekening houdend met andere verplichtingen die de werknemer krijgt opgelegd of de faciliteiten die hem worden geboden. [68]
frequentie van de interventies, dat wil zeggen het gemiddelde aantal prestaties dat de werknemer normaal gezien daadwerkelijk per dienst verricht en de gemiddelde duur daarvan (voor zover dit objectief kan worden ingeschat). Het Hof heeft duidelijk gemaakt dat een wachtdienst waarbij de werknemer door elkaar genomen vaak prestaties dient te leveren en die prestaties doorgaans niet van korte duur zijn, in principe integraal arbeidstijd vormt. [69]
’is om de gehele wachttijd als arbeidstijd aan te merken als de werknemer een korte reactietijd heeft. Ik kan een dergelijke regel niet uit de hiervoor weergegeven rechtspraak van het Hof opmaken. Blijkens die rechtspraak dient juist een
totaalbeoordelingte worden gemaakt. [72] Harde subregels en vuistregels hanteert het HvJEU niet, net zo min als bijvoorbeeld vermoedens.
regelworden afgeleid [73] dat de rechter éérst afzonderlijk moet beoordelen in hoeverre de korte duur van de reactietijd de bedoelde impact heeft (vgl. subonderdeel 2.3.1-slot). Een door de werkgever opgelegde korte reactietijd is een relevant gezichtspunt, waarvan de impact in concreto en
in samenhang met andere factorenmoet worden onderzocht, onder meer met het aantal interventies dat een werknemer tijdens een wachtdienst gemiddeld moet uitvoeren. [74]
van belang hoeveel tijd de werknemer heeft om zijn werk te hervatten vanaf het moment dat de werkgever hierom verzoekt (de reactietijd), in voorkomend geval in combinatie met het gemiddeld aantal interventies dat hij tijdens de wachtdienst daadwerkelijk moet uitvoeren, hoe lang deze duren en de impact die dat voor de werknemer heeft om zijn tijd vrij in te vullen en in te plannen.”
bij een oproep snel de standplaats of de met de collega afgesproken plaats van samenkomst te bereiken. (…).”
De werknemers worden immers wel geacht onmiddellijk bij een oproep voor een inzet te reageren, waarbij voor hen de regel geldt dat zij bij samenkomst van chauffeur én verpleegkundige in de ambulance moeten ‘plotten’ ofwel met een druk op een knop moeten registreren op welk moment zij met de ambulance naar de opgegeven locatie uitrukken.
Voor de tijd tussen de oproep en dat plotten geldt een streeftijd van 2 minuten en daarna een uitruktijd van 13 minuten, dit alles om de voor UAZ geldende norm te kunnen halen. Onbetwist is dat van de werknemers ook steeds een toelichting wordt gevraagd als de genoemde streeftijden niet zijn gehaald.
Dat maakt dat, ondanks het ontbreken van een (arbeidsrechtelijke) consequentie voor de werknemers ter zake,
de druk van de reactietijd meeweegt bij de impact van de verplichtingen, zoals bedoeld onder 6.3.”
moet hij onmiddellijk reageren, naar de plaats van samenkomst gaan en gekleed in uniform uitrukken,waarna de inzet doorgaans minder dan twee uren omvat. (…)”
(1) de dienst ziet steeds op de uren tussen 20.00 uur en 8.00 uur;
(2) zij mogen tijdens zo’n dienst slapen;
(3) zij worden niet beperkt bij het doen van inkopen;
(4) zo’n dienst beperkt hun deelname aan sociale activiteiten in de avonduren, en er geldt een alcoholverbod;
(5) een werknemer moet tijdens een bereikbaarheidsdienst in de nabijheid blijven van de piketfiets of -auto om bij een oproep snel de standplaats of de met de collega afgesproken plaats van samenkomst te bereiken. Daardoor zijn (lange) strandwandelingen e.d. niet mogelijk, evenals het ondernemen van een activiteit met jonge kinderen waarbij geen andere verzorger aanwezig is;
(6) andere privé-activiteiten zijn wel mogelijk, aldus het hof;
(7) de werknemers zijn niet verplicht tijdens een bereikbaarheidsdienst hun uniform te dragen. Zij dragen dat doorgaans wel om bij een oproep sneller te kunnen reageren. Gesteld noch gebleken is dat het dragen van een uniform op zichzelf (fysiek) belastend of beperkend is bij voorgenomen privé-activiteiten.
bij gewone dagelijkse dingen in en om het huis”.
bij gewone dagelijkse dingen in en om het huis”.
tijdens een bereikbaarheidsdienst in de nabijheid moeten blijven van een piketfiets of -auto om zo bij een oproep snel de standplaats of de afgesproken plaats van samenkomst te bereiken”. Het snel kunnen bereiken van de ambulance speelt daarbij in de ogen van het hof kennelijk een zelfstandige rol, getuige ook de bespreking door het hof van de praktische implicaties van die beperkingen. Het hof noemt daarbij immers niet alleen dat (lange) strandwandelingen e.d. niet mogelijk zijn, maar ook het ondernemen van een activiteit met jonge kinderen waarbij geen andere verzorger aanwezig is. Laatstgenoemd voorbeeld maakt duidelijk dat het hof hier mede op het oog heeft dat de werknemer snel ter plaatse moet kunnen zijn en daarom zijn activiteit acuut moet kunnen afbreken.
andere privé-activiteiten [zijn] wel [mogelijk]” rechtvaardigt die lezing niet, omdat het hof hiermee niet doelt op de activiteiten die hij concreet benoemt, maar op privé-activiteiten die niet worden belemmerd door de genoemde beperkingen van nabijheid bij het piketvoertuig én (de verplichting van) het snel bereiken van plaats van samenkomst. Het hof is derhalve niet voorbijgegaan aan de stelling van [eisers] dat zij enkel activiteiten kunnen ontplooien die acuut gestaakt kunnen worden.
Onderdeel 4 – onderschatting beperkingen die [eisers] ondervinden (rov. 6.5.7)
verplichtingendie aan de werknemer worden opgelegd van dien aard zijn dat zij een
objectieveen aanzienlijke impact hebben op zijn mogelijkheden om tijdens de wachtdienst zijn tijd vrij in te vullen en aan zijn eigen interesses te besteden. De intrinsieke druk die [eisers] stellen te ervaren, vormt niet een objectieve beperking in de zin van de hiervoor aangehaalde rechtspraak van het Hof.
feitelijkeen onderscheid te maken tussen beperkingen die de werknemers ervaren doordat zij de korte reactietijd van twee minuten willen halen tegenover beperkingen als gevolg van intrinsieke druk. In dat verband wijs ik erop dat de privé-activiteiten waarvan [eisers] stellen daar als gevolg van deze druk van af te zien, ook al in rov. 6.5.2 aan de orde zijn geweest (klaarblijkelijk omdat de genoemde activiteiten ook als gevolg van de korte reactietijd niet mogelijk zijn).
onder 4.2.1dat het hof ten onrechte geen of weinig gewicht toekent aan deze pieperdruk omdat die niet voldoende geobjectiveerd zou zijn en wijst daarbij op het arrest
Dopravní podnik hl. m. Prahy. [79] Voorts klaagt het subonderdeel
onder 4.2.2dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd zijn oordeel dat deze pieperdruk, die volgens [eisers] tot gevolg heeft dat zij géén activiteiten kunnen en willen ondernemen, [80] “
niet doorslaggevend” is. Wat het hof afdoet als onvoldoende geobjectiveerde beleving, is volgens het HvJEU een wél voldoende objectiveerbare permanente staat van paraatheid die objectief tot gevolg kan hebben dat de werknemer verdergaand wordt beperkt in het vrijelijk beheren van zijn wachttijd. In de derde plaats klaagt het subonderdeel (
onder 4.2.3) dat het oordeel onbegrijpelijk is, voor zover het hof door te verwijzen naar
rov. 6.5.2heeft gemotiveerd dat de pieperdruk in dit geval niet voldoende geobjectiveerd is en/of [eisers] niet voldoende beperkt in de vrije besteding van de wachttijd. Dat [eisers] gelet op de reactietijd wellicht enkele van de in rov. 6.5.2 genoemde activiteiten zouden kunnen ontplooien, neemt immers niet weg dat zij dat door de permanente staat van paraatheid die het gevolg is van de onvoorspelbaarheid van mogelijke oproepen tóch niet (kunnen) doen, zodat het door [eisers] gestelde “
bijkomend beperkend effect” zich voordoet. [81] Tot slot klaagt het subonderdeel (
onder 4.2.4) dat het oordeel onbegrijpelijk is voor zover het hof door te verwijzen naar
rov. 6.5.4heeft gemotiveerd dat de pieperdruk in dit geval niet voldoende geobjectiveerd is en/of [eisers] niet voldoende beperkt in de vrije besteding van de wachttijd. [eisers] hebben er ook op gewezen dat het feit dat er mogelijk minder vaak oproepen zijn dan op de vaste wal, niet wegneemt dat de druk van die mogelijke oproepen tijdens de diensten op beide locaties er voortdurend is. En volgens [eisers] kan het wachten op een oproep net zo intens zijn als het krijgen van een oproep, [82] aldus het subonderdeel.
Dopravní podnik hl. m. Prahy.Het Hof spreekt daar van een
mogelijkbijkomend beperkend effect ( ‘
kanhebben’) van de onvoorspelbaarheid van onderbrekingen van de pauzes (door oproepen) op de mogelijkheid van de werknemer om zijn tijd vrijelijk te beheren. Dat de enkele onvoorspelbaarheid van oproepen en de daarmee gepaard gaande onzekerheid alleen niet voldoende is om de kwalificatie arbeidstijd te kunnen dragen, zou vanzelf moeten spreken. Anders zou bij iedere wachtdienst, waaraan inherent is dat de werknemer in onzekerheid verkeert of er een oproep komt, sprake zijn van arbeidstijd. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat dit niet het geval is. Het criterium in dit verband blijft of sprake is van een
objectieveen
aanzienlijkeimpact op de mogelijkheden van de werknemer om tijdens de wachtdienst zijn tijd vrij in te vullen.
onder 4.3.1, zakelijk weergegeven, dat het hof in rov. 6.5.2 en 6.5.7 (en rov. 6.6) ten onrechte meeweegt dat het [eisers] tijdens een bereikbaarheidsdienst is toegestaan te slapen. Volgens het subonderdeel gaat het er niet zozeer om of het [eisers] is toegestaan te slapen, maar of zij (ondanks de druk van de reactietijd, de intrinsieke druk en de ‘pieperdruk’) daartoe ook daadwerkelijk in staat zijn.
Onder 4.3.2klaagt het onderdeel vervolgens dat het hof met de hiervoor bedoelde overweging onvoldoende gemotiveerd is voorbijgegaan aan de stellingen van [eisers] dat zij (i) tijdens een bereikbaarheidsdienst door (pieper)druk minder goed slapen en continu ‘aan staan’, [83] en (ii) bij een oproep een gebroken nacht hebben met slaaptekort en vermoeidheid tot gevolg. [84] Volgens het subonderdeel is de overweging eveneens onvoldoende gemotiveerd, nu (iii) het een feit van algemene bekendheid is dat reeds het vooruitzicht dat slaap kan worden onderbroken door een oproep de kwaliteit van de slaap vermindert, [85] zelfs als er uiteindelijk geen oproep komt. Dit pleit er sterk tegen de bereikbaarheidsdienst aan te merken als rusttijd, ook al kunnen werknemers slapen.
nietdeel uitmaakt van de verplichtingen die in het kader van de bereikbaarheidsdienst worden opgelegd.
objectiefbezien belemmeringen zijn voor de nachtrust.
Onderdeel 5 – hof is uitgegaan van een te laag aantal interventies (A2-inzetten)
(a) het hof rekent het aantal inzetten uitsluitend uit aan de hand van een A1-inzet (spoedinzet bij een levensbedreigende situatie), terwijl vaststaat dat [eisers] ook worden opgeroepen voor A2-inzetten (spoedinzet zonder levensbedreigende situatie);
(b) volgens UAZ is de helft van het aantal inzetten een A2-inzet (waarvoor een plannorm van 30 minuten geldt). Daaruit volgt dat [eisers] twee keer zo vaak moeten uitrukken als het hof aanneemt, ook al geldt voor die A2-inzetten een langere aanrijtijd;
(c) [eisers] hebben bovendien gesteld dat het niet zelden voorkomt dat een oproep bij hen start als A1-inzet, en later alsnog wordt geregistreerd als A2-inzet;
(d) omdat [eisers] tevoren niet weten of zij worden opgeroepen voor een A1-melding of een minder spoedeisende melding, staan zij altijd paraat wanneer zij worden opgepiept. Ook het in piepereffect is dus in werkelijkheid twee keer zo groot als het hof aanneemt.
een inzetbinnenkomt, zoals de procesinleiding – mogelijk onbedoeld – suggereert (onder 5.1). Het hof heeft alleen de A1-inzetten in de beoordeling betrokken. De bestreden overweging is niet reeds feitelijk onjuist of onbegrijpelijk omdat er daarnaast ook A2-inzetten zijn.
Onderdeel 6 – relevantie aantal bereikbaarheidsdiensten en zeggenschap over planning
tijdens de bereikbaarheidsdienstde wachttijd vrij in te vullen en aan hun eigen interesses te besteden. Dat [eisers] hun diensten kunnen inplannen op andere avonden dan hun te plannen sociale activiteiten buitenshuis, betekent immers niet dat zij in mindere mate gehinderd worden in hun mogelijkheden om de wachttijd vrij in te vullen.
Subonderdeel 6.2klaagt dat ‘die overweging’ onbegrijpelijk is, nu het hof in feite overweegt dat [eisers] hun sociale activiteiten buitenshuis maar op andere avonden dan de bereikbaarheidsdienst moeten inplannen, waaruit slechts kan volgen dat zij daarin tijdens zo’n dienst dus wél zijn beperkt.