ECLI:NL:PHR:2023:74

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2023
Publicatiedatum
17 januari 2023
Zaaknummer
21/04398
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 36d SrArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen auto met verborgen ruimte

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beklag van klaagster tegen de inbeslagname van haar auto met een verborgen ruimte ongegrond. De rechtbank motiveerde dit met het feit dat een verborgen ruimte in een auto vaak wordt gebruikt voor criminele doeleinden, ook al was er niets in de ruimte aangetroffen. Klaagster stelde cassatie in tegen deze beslissing.

De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd dat de auto in verband staat met een begaan strafbaar feit, zoals vereist voor onttrekking aan het verkeer op grond van artikel 36b Sr in verbinding met artikel 552f Sv. De omstandigheid dat verborgen ruimtes vaak voor criminele doeleinden worden gebruikt, is volgens de Hoge Raad niet toereikend.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het vonnis en verwees de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam voor een nieuwe beoordeling. Er werden geen andere gronden voor vernietiging gevonden. De zaak betreft de zorgvuldige afweging van belangen bij beslag en onttrekking aan het verkeer van een voertuig met een verborgen ruimte.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst de zaak terug wegens onvoldoende motivering van het verband tussen de auto en een strafbaar feit.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04398 B
Zitting31 januari 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de klaagster

1.Inleiding

1.1
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 19 oktober 2021 het beklag van de klaagster, strekkende tot teruggave van een inbeslaggenomen personenauto, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat de rechtbank het beklag ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Daartoe wordt aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de strafrechter de inbeslaggenomen auto later kan onttrekken aan het verkeer. Voor onttrekking aan het verkeer is immers een verband vereist tussen het inbeslaggenomen voertuig en een strafbaar feit, terwijl de rechtbank heeft overwogen dat in de verborgen ruimte geen strafbare goederen zijn aangetroffen.
2.2
De rechtbank heeft in haar beschikking de inhoud van het klaagschrift als volgt weergegeven:
“Klaagster is niet als verdachte aangemerkt. Het is niet waarschijnlijk dat een rechter later oordelend de onttrekking aan het verkeer zal bevelen. Er ligt nu ook geen vordering tot onttrekking. Het is redelijk en opportuun om klaagster in de gelegenheid te stellen de verborgen ruimte te laten herstellen. Klaagster zal dan eerst een offerte laten opstellen voor de herstelkosten en naar aanleiding daarvan kunnen beslissen of tot herstel zal worden overgegaan. De rechtbank kan het klaagschrift dan voorwaardelijk gegrond verklaren onder de voorwaarde dat klaagster de auto in oorspronkelijk staat laat herstellen.”
2.3
De rechtbank heeft vervolgens overwogen:
“Op 16 april 2021 is onder [betrokkene] op de voet van artikel 94 Sv Pro voornoemd voorwerp in beslag genomen. Uit het proces-verbaal van politie van 16 april 2021 blijkt dat in de auto een verborgen ruimte is aangetroffen onder de zitting van de achterbank.
(…)
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, met betrekking tot het voorwerp de verbeurdverklaring zal uitspreken of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art 552f Sv.
(…)
De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal opleggen.
Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke speciaal in een auto aangebrachte ruimte veelal wordt gebruikt voor criminele doeleinden zoals bijvoorbeeld het vervoer van drugs, geld en/of vuurwapens. Het feit dat er in dit geval niets in de verborgen ruimte is aangetroffen maakt dit niet anders. De auto hoort in de huidige staat niet thuis in het verkeer. De rechtbank is op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen auto zal onttrekken aan het verkeer.
Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard.”
2.4
De rechtbank heeft dus geoordeeld dat de auto later door de strafrechter kan worden onttrokken aan het verkeer. In de schriftuur wordt dat oordeel betwist. De steller van het middel wijst daartoe op een conclusie van mijn ambtgenoot Spronken in een vergelijkbare zaak over een auto met een verborgen ruimte. [1] De Hoge Raad heeft in zijn daarop volgende arrest het volgende overwogen:

De beslissing op de vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 Sv
3.4.1
Met het “feit” in artikel 36c en 36d Sr wordt een begaan strafbaar feit bedoeld. De rechter die bij afzonderlijke beschikking als bedoeld in artikel 36b lid 1, onder 4°, Sr de onttrekking aan het verkeer beveelt, zal moeten vaststellen dat het inbeslaggenomen voorwerp in een in artikel 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot een begaan strafbaar feit.
3.4.2
Gelet hierop, is het oordeel van de rechtbank dat de auto vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer ontoereikend gemotiveerd, nu de bestreden beschikking niets inhoudt waaruit kan worden afgeleid dat de auto in verband staat tot een begaan strafbaar feit. De door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden dat in de auto een verborgen ruimte is aangebracht en dat een feit van algemene bekendheid is dat dergelijke verborgen ruimtes veelal worden gebruikt voor criminele doeleinden, zoals het vervoer van drugs, geld en/of vuurwapens, zijn niet toereikend voor dat oordeel.
3.4.3
Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld.
(…)
De beslissing op het klaagschrift als bedoeld in artikel 552a lid 1 Sv
3.6
De rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave van de auto verzet omdat de auto vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer en de rechtbank de vordering tot onttrekking aan het verkeer van de auto toewijst. Gelet op wat hiervoor onder 3.4.1 en 3.4.2 is overwogen, is het oordeel van de rechtbank ontoereikend gemotiveerd. Ook in zoverre is het cassatiemiddel terecht voorgesteld.” [2]
2.5
Naar mijn oordeel is de klacht gegrond. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de onttrekking aan het verkeer van de auto zal opleggen, omdat een feit van algemene bekendheid is dat een verborgen ruimte in een auto veelal wordt gebruikt voor criminele doeleinden, en daaraan niet afdoet dat in de verborgen ruimte niets is aangetroffen. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd, omdat de beschikking niets inhoudt waaruit blijkt dat de auto in verband staat tot een begaan strafbaar feit. De door de rechtbank genoemde omstandigheden zijn voor dat oordeel niet toereikend.

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beslissing aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Conclusie van 23 november 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1088.
2.HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:37.