ECLI:NL:PHR:2023:739

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 augustus 2023
Publicatiedatum
25 augustus 2023
Zaaknummer
22/02772
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 94 SvArt. 94a SvArt. 33a lid 1 SrArt. 7A:1683 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring klaagschrift beslag Mercedes E200 VOF na uittreden vennoot

De zaak betreft een beklag op grond van artikel 552a Sv tegen het beslag op een Mercedes E200, geregistreerd op naam van een VOF waarvan een vennoot was uitgetreden. De rechtbank verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk omdat de VOF volgens haar was opgehouden te bestaan na het uittreden van een vennoot. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het beklag ongegrond was omdat het belang van strafvordering het beslag rechtvaardigde.

De Hoge Raad stelt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat de VOF van rechtswege is ontbonden na het uittreden van een vennoot, mede gelet op het handelsregister waaruit blijkt dat de VOF nog bestond. Daarom is de niet-ontvankelijkverklaring onjuist en wordt deze vernietigd.

Het subsidiaire oordeel dat het beklag ongegrond is, wordt door de Hoge Raad verworpen. De rechtbank had geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de auto verbeurd zal worden verklaard vanwege de verdenking van witwassen en het feit dat de auto feitelijk door de verdachte werd gebruikt. De Hoge Raad acht dit oordeel begrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

De zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling, waarbij de rechtbank opnieuw moet beoordelen of de VOF nog bestond en of het beslag moet worden opgeheven. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van de niet-ontvankelijkverklaring en verwerping van het beroep tegen het subsidiaire oordeel.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift wordt vernietigd; het beroep tegen het subsidiaire oordeel wordt verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02772 B
Zitting29 augustus 2023
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klaagster] VOF,
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de klaagster

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Rotterdam, heeft bij beschikking van 22 juli 2022 de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in het op grond van art. 552a Sv ingediende beklag strekkende tot opheffing van het (derden)beslag en teruggave aan de klaagster van de onder een ander in beslag genomen personenauto (Mercedes E200 met kenteken [kenteken]).
1.2
Het cassatieberoep is op 22 juli 2022 ingesteld namens de klaagster. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel is gericht tegen (i) de niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in haar beklag en (ii) het oordeel van de rechtbank dat ook indien de klaagster wel ontvankelijk zou zijn geweest in haar beklag, het klaagschrift ongegrond zou moeten worden verklaard.
1.3
Deze conclusie leidt tot de slotsom dat de eerste deelklacht slaagt en de tweede deelklacht faalt.

2.Aanleiding en verloop van de zaak

2.1
De broers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] waren tot 1 maart 2020 samen eigenaar (vennoten) van de klaagster. Met ingang van 1 maart 2020 is [betrokkene 1] als vennoot uitgetreden. [betrokkene 2] heeft de zaak voortgezet en [betrokkene 1] is bij hem in loondienst gegaan. [1]
2.2
Naar aanleiding van een anonieme tip dat [betrokkene 1] in drugs zou handelen en geld zou witwassen is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. In dat onderzoek is ook de partner van [betrokkene 1], [betrokkene 3], als verdachte aangemerkt. Het stel zou zich gezamenlijk schuldig maken aan witwassen. [betrokkene 2] is niet als verdachte aangemerkt in dit strafrechtelijk onderzoek.
2.3
In het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft op 29 maart 2022 een doorzoeking plaatsgevonden van de gezamenlijke woning van [betrokkene 1] en [betrokkene 3]. Ten tijde van de doorzoeking parkeerde [betrokkene 3] een Mercedes E200 met kenteken [kenteken] voor de woning. De auto is op grond van art. 94 lid 1 en Pro 2 Sv (ten behoeve van de waarheidsvinding of om wederrechtelijk voordeel aan te tonen respectievelijk met het oog op latere verbeurdverklaring) in beslag genomen. [2]
2.4
De inbeslaggenomen Mercedes stond geregistreerd op naam van de klaagster. Namens de klaagster is op 6 april 2022 een op art. 552a Sv gebaseerd klaagschrift ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag op voornoemd voertuig met last tot teruggave daarvan. De klaagster stelt dat het voertuig aan haar toebehoort en dat zij de auto voor langere tijd heeft uitgeleend aan [betrokkene 1] en [betrokkene 3].
2.5
Het klaagschrift is op 22 juli 2022 in de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank behandeld. De rechtbank heeft op diezelfde dag op het klaagschrift beslist.

3.De beschikking

3.1
In de bestreden beschikking is hetgeen door partijen is aangevoerd door de rechtbank als volgt samengevat:
“Het klaagschrift strekt tot teruggave aan de klaagster van het voornoemde voertuig. Aangevoerd is dat de auto eigendom is van de klaagster. De klaagster had deze auto voor langere tijd uitgeleend aan [betrokkene 1] en diens partner. [betrokkene 2] maakte zelf ook wel eens gebruik van de auto. Het is goed voor te stellen dat zij niet aan een bruikleenovereenkomst hebben gedacht, omdat zij broers zijn.
De klaagster zelf is geen verdachte in de strafzaak en [betrokkene 2] had geen weet van enig strafbaar feit. Er is ook geen strafbaar feit gepleegd met de auto. Hij heeft geen afstand gedaan en hij heeft de auto niet door enig strafbaar feit verkregen of onttrokken aan een rechthebbende. De klaagster wordt bezwaard door de inbeslagneming en het voortduren daarvan, alsmede door het uitblijven van een last tot teruggave van de auto. Het belang van strafvordering verzet zich niet tegen de gevraagde teruggave.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Daartoe is gesteld dat een bruikleenovereenkomst ontbreekt ter onderbouwing van het verweer dat de klaagster de auto aan [betrokkene 1] en [betrokkene 3], heeft uitgeleend. Het onderzoek naar het eigendom van de auto is thans nog gaande. Uit het procesdossier blijkt dat het feitelijk eigendom aan [betrokkene 1] en diens partner toebehoort. Immers, er zijn bekeuringen door [betrokkene 1] en [betrokkene 3] betaald, [betrokkene 1] is een aantal keer in de auto aangehouden, er is pechhulp aangevraagd voor dit voertuig door [betrokkene 3] en er is een reparatie bij Carglass uitgevoerd. Alles is steeds betaald door [betrokkene 1]. In het belang van het onderzoek dient het beslag op het voertuig dan ook voort te duren. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat te zijnertijd de verbeurdverklaring zal volgen, gelet op de verdenking tegen [betrokkene 1] van witwassen en omdat uit het onderzoek het vermoeden is gerezen dat het feitelijk eigendom van de auto aan [betrokkene 1] en [betrokkene 3] toebehoort.”
3.2
In aanvulling hierop maak ik nog melding van de standpunten van partijen zoals weergegeven in het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 22 juli 2022:
“Op vragen van de rechter deelt de raadsman mede dat [betrokkene 2] inderdaad als enige vennoot van de VOF staat ingeschreven. Hij was vennoot met zijn broer [betrokkene 1], maar omdat zijn broer al per 1 maart 2020 uit de VOF is getreden is de VOF nu de eenmanszaak van [betrokkene 2] geworden. De raadsman treedt thans op namens [betrokkene 2].
De inbeslaggenomen auto heeft steeds op de balans van de VOF gestaan. Voor zover bij de raadsman bekend zijn er bij het uittreden van de vennoot [betrokkene 1] geen afspraken gemaakt over de toedeling van de assets van de VOF aan ieder van de vennoten.
De raadsmanwordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt toe te lichten en deelt mede: De auto is een Mercedes uit 2015 en de klaagster wil hem graag terug. Het is een auto van het bedrijf en behoort toe aan de bedrijfsboedel. Uit de kennisgeving van inbeslagneming blijkt dat de [klaagster] V.O.F. de eigenaar van de auto is.
[betrokkene 1] is lange tijd vennoot geweest in het bedrijf. Hij maakte toen gebruik van de auto, evenals [betrokkene 2]. Toen [betrokkene 1] uittrad als vennoot van het bedrijf heeft hij de auto mogen blijven gebruiken. Het klopt dat er geen gebruiksovereenkomst is opgemaakt tussen de VOF en [betrokkene 1], maar het gaat hier toch om twee broers. Het zou wel heel kil zijn om hierover een overeenkomst op te maken en het is goed voorstelbaar dat je daar als familie niet over nadenkt. Wanneer de auto dan door [betrokkene 1] wordt gebruikt is het ook logisch dat hij de lasten daarvan draagt, net als de door hem veroorzaakte boetes en schades.
Al met al acht de raadsman het hoogst onwaarschijnlijk dat de auto verbeurd zal worden verklaard. Er is immers geen strafbaar feit gepleegd met het voertuig. Daarnaast moet een derde wel weet hebben van het feit dat een strafbaar feit met het voertuig wordt of kan worden gepleegd. Ook dat is niet het geval. [betrokkene 2] is zelf ook geen verdachte. Hij zou graag willen dat er een eind komt aan deze vervelende situatie en hij zal de auto ook niet meer uitlenen. Hij wil niet nogmaals in zo’n situatie komen. Mocht het mogelijk zijn, dan zou hij graag willen dat vandaag geregeld wordt dat hij de auto terugkrijgt, nu de kosten blijven doorlopen.
De officier van justitiewordt in de gelegenheid gesteld te reageren en deelt mede: Ik blijf bij het schriftelijk standpunt, dat ik eerder al heb overgelegd. Daar wil ik graag nog aan toevoegen dat [betrokkene 3] in 2022 ook nog in de auto is aangehouden. Toen was het eigenaarschap wat mij betreft nog steeds aanwezig. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de verbeurdverklaring zal volgen.
De raadsmanwordt in de gelegenheid gesteld andermaal het woord te voeren. Hij deelt mede:
Er zijn geen bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de auto eigendom is van [betrokkene 1]. Bij die stand van zaken vind ik de verbeurdverklaring hoogst onwaarschijnlijk.”
3.3
De rechtbank heeft de klaagster in haar beklag niet-ontvankelijk verklaard en geoordeeld dat ook indien de klaagster wel ontvankelijk zou zijn geweest in haar beklag, het klaagschrift ongegrond zou moeten worden verklaard. De rechtbank heeft in dat verband het volgende overwogen:
“Wanneer een vennootschap niet langer over twee vennoten beschikt houdt deze op een VOF te zijn. Met het uitschrijven bij de Kamer van Koophandel van de medevennoot [betrokkene 1] per 1 maart 2020 heeft de VOF opgehouden te bestaan. De vennoten hebben dan enkel nog het vermogen (bezittingen en schulden) onderling moeten vereffenen.
Reeds daarom kan het klaagschrift dat pas nadien namens de VOF is ingediend en betrekking heeft op een inbeslagname die aanzienlijk later dan het einde van de VOF heeft plaatsgevonden niet worden ontvangen. Voor zover het klaagschrift thans zou moeten worden verstaan als een klaagschrift namens de eenmanszaak van [betrokkene 2] leidt dit evenmin tot opheffing van het beslag.
Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde inde mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag dient de rechter eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast.
Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.
Uit de zich in het raadkamerdossier bevindende processen-verbaal kan worden opgemaakt dat, naar aanleiding (van een anonieme tip, waarin beschreven staat dat [betrokkene 1] in drugs zou handelen en zwart geld wit zou wassen, sprake is van een verdenking van witwassen door [betrokkene 1] en [betrokkene 3]. Onderzoek naar de inkomsten en uitgaven van [betrokkene 3] laat namelijk zien dat zij leeft in luxe, jaarlijks naar het buitenland op vakantie gaat, terwijl dit volgens haar inkomsten en die van [betrokkene 1] niet mogelijk zou zijn. Ze doet contante uitgaven aan levensonderhoud en stort veelvuldig contant geld met grote coupures die niet gangbaar zijn.
Met betrekking tot de inbeslaggenomen auto is gebleken dat deze oorspronkelijk op naam heeft gestaan van de VOF, maar dat [betrokkene 1] steeds in die auto heeft gereden, de bekeuringen van verkeersovertredingen heeft betaald en reparaties aan de auto voor zijn rekening heeft genomen. Deze situatie is ook na het einde van de VOF voortgezet. Op grond hiervan is thans niet aannemelijk geworden dat de auto gedurende de VOF aan [betrokkene 2] in bruikleen is gegeven of na het einde van de VOF aan hem is toegescheiden. Veeleer zal [betrokkene 1] redelijkerwijs als de rechthebbende op de auto kunnen worden aangemerkt.
Voornoemde omstandigheden, mede in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen de conclusie dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen. Gelet daarop verzet het belang van strafvordering zich tegen opheffing van het beslag. Dit brengt mee dat ook indien de VOF wel ontvankelijk zou zijn geweest het klaagschrift ongegrond verklaard zou moeten worden.”

4.Het middel

4.1
In het middel wordt geklaagd dat de rechtbank “ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat [i] het klaagschrift 552a Sv niet ontvankelijk is en [ii] ware dat wel het geval geweest het klaagschrift ongegrond had moeten worden verklaard.”
Eerste deelklacht
4.2
Het middel richt zich in de eerste plaats op het oordeel van de rechtbank dat de klaagster niet-ontvankelijk is in haar beklag. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat “(w)anneer een vennootschap niet langer over twee vennoten beschikt (…) deze op[houdt] een VOF te zijn. Met het uitschrijven bij de Kamer van Koophandel van de medevennoot [betrokkene 1] per 1 maart 2020 heeft de VOF opgehouden te bestaan. De vennoten hebben dan enkel nog het vermogen (bezittingen en schulden) onderling (…) [AG: te] vereffenen.” Gelet hierop kan het klaagschrift “dat pas nadien namens de VOF is ingediend en betrekking heeft op een inbeslagname die aanzienlijk later dan het einde van de VOF heeft plaatsgevonden niet worden ontvangen”, aldus de rechtbank.
4.3
In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de rechtbank ten onrechte, althans ongemotiveerd heeft geoordeeld dat door de uittreding van [betrokkene 1] per 1 maart 2020 de VOF van rechtswege heeft opgehouden te bestaan omdat de rechtbank de VOF-overeenkomst niet heeft ingezien en dus niet exact heeft kunnen vaststellen wie de vennoten waren en of de uittreding van een of meer vennoten van rechtswege tot gevolg heeft dat de VOF wordt ontbonden.
4.4
Dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de klaagster bestond uit twee vennoten en dat [betrokkene 1] op 1 maart 2020 is uitgetreden als vennoot acht ik op zichzelf niet onbegrijpelijk. Bij de stukken in het procesdossier dat de rechtbank ter beschikking stond (en dat ook aan de Hoge Raad is toegezonden) bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2022 waaruit volgt dat de politie onderzoek heeft gedaan naar de relatie tussen de klaagster en [betrokkene 1]. Uit dit onderzoek is gebleken dat [betrokkene 1] in de periode van 1 mei 2008 tot en met 1 maart 2020 als vennoot stond ingeschreven bij de klaagster. Zijn medevennoot was zijn broer [betrokkene 2]. Na 1 maart 2020 was [betrokkene 1] bij de klaagster in loondienst, aldus de verbalisant. De raadsman van de klaagster heeft een en ander in raadkamer op 22 juli 2022 bevestigd door op vragen van de voorzitter aan te geven “dat [betrokkene 2] inderdaad als enige vennoot van de VOF staat ingeschreven. Hij was vennoot met zijn broer [betrokkene 1], maar omdat zijn broer al per 1 maart 2020 uit de VOF is getreden is de VOF nu de eenmanszaak van [betrokkene 2] geworden. De raadsman treedt thans op namens [betrokkene 2].”
4.5
Een andere vraag is of de uittreding van [betrokkene 1] als medevennoot ook betekent dat – zoals de rechtbank heeft geoordeeld – de klaagster als VOF heeft opgehouden te bestaan. Hierbij is het volgende van belang.
4.6
Ingevolge art. 16 WvK Pro is de VOF een maatschap. De maatschap is geregeld in titel 9 van boek 7A BW. Op grond van art. 1 (en art. 15) WvK is deze titel van toepassing op de VOF. [3] In art. 7A:1683 BW is bepaald in welke gevallen de vennootschap van rechtswege wordt ontbonden. Dat is onder meer het geval wanneer één van de vennoten de vennootschap opzegt (uittreedt). [4] Een uitzondering hierop is het in art. 30 WvK Pro opgenomen voortzettingsbeding. De vennoten kunnen in de maatschapsovereenkomst afspreken dat opzegging door een van de vennoten niet leidt tot beëindiging van de VOF. [5] Zo kan verbintenisrechtelijk worden bewerkstelligd dat nieuwe vennoten kunnen toetreden of nieuwe partijen met instandhouding van de contractsband tussen de overigen kunnen toetreden. [6] Ook is mogelijk dat een onderneming door één van de vennoten als eenmanszaak wordt voortgezet. [7] Indien de VOF wordt ontbonden, dient het vermogen van de VOF te worden vereffend (art. 32 e.v. WvK). Vereffening moet ook plaatsvinden als er een voortzettingsbeding aan de orde is. [8]
4.7
Uit het voorgaande volgt dat het oordeel van de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat de klaagster bestond uit twee vennoten en dat op het moment dat één van hen is uitgetreden, te weten op 1 maart 2020, de VOF is opgehouden te bestaan, zonder nadere motivering – die ontbreekt – niet zonder meer begrijpelijk is. Dit klemt te meer nu uit het ‘Uittreksel Handelsregister Kamer van Koophandel’ van 9 februari 2022 (dat als bijlage aan het inleidende klaagschrift is gehecht) volgt dat de onderneming, bijna twee jaar nadat [betrokkene 1] de VOF heeft verlaten nog steeds als VOF bij de Kamer van Koophandel stond ingeschreven. Uit dit uittreksel volgt verder dat de VOF bestaat sinds 1 mei 2008, dat het samenwerkingsverband voor onbepaalde tijd is aangegaan, dat er twee werkzame personen in de VOF werkzaam zijn en dat (enkel) [betrokkene 2] als vennoot bij de KvK is ingeschreven. Dit zou er op kunnen duiden dat de VOF na uittreding van [betrokkene 1] toch is voortgezet door [betrokkene 2].
4.8
Of de klaagster als VOF ook nog bestond op 6 april 2022 (het moment van het indienen van het beklag) en op 22 juli 2022 (de dag waarop de raadkamer het beklag heeft behandeld en (direct) uitspraak heeft gedaan) is daarmee nog niet vastgesteld, maar in ieder geval kan zonder nadere motivering niet worden gesteld dat de VOF op 1 maart 2020 heeft opgehouden te bestaan en om die reden niet-ontvankelijk is in haar beklag.
De eerste deelklacht slaagt.
De tweede deelklacht
4.9
In cassatie wordt ook geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat “(v)oor zover het klaagschrift thans zou moeten worden verstaan als een klaagschrift namens de eenmanszaak van [betrokkene 2]’’ en de klaagster wel ontvankelijk zou zijn geweest in haar beklag, “het klaagschrift ongegrond zou moeten worden verklaard”.
4.1
Strikt genomen gaat het hier om een oordeel ten overvloede dat de rechtbank dusdanig uitgebreid heeft gemotiveerd dat het in feite door kan gaan voor een inhoudelijke beoordeling van het beklag. Hoewel de klacht over deze overweging zich in wezen niet leent voor beoordeling in cassatie zal ik deze klacht uit praktisch oogpunt toch bespreken. Wanneer de Hoge Raad mij volgt in de conclusie met betrekking tot de eerste deelklacht zou dit immers betekenen dat de zaak – na terugwijzing – door de rechtbank alsnog inhoudelijk zou moeten worden beoordeeld, maar in feite heeft de rechtbank dat in dit geval al gedaan.
4.11
De rechtbank heeft vastgesteld dat op de auto beslag is gelegd op de voet van art. 94 Sv Pro. Die vaststelling is correct. Eerst ruim nadat de rechtbank op 22 juli 2022 haar beschikking heeft gewezen is op 5 oktober 2022 op de voet van art. 94a Sv ook conservatoir beslag op de auto gelegd. Van die gang van zaken had de rechtbank geen weet en die gang van zaken maakt het juridisch toetsingskader in cassatie niet anders. Ook de cassatierechter zal moeten uitgaan van een klassiek beslag op de voet van art. 94 Sv Pro. Ten aanzien van dit klassieke beslag heeft de rechtbank niet met zoveel woorden vastgesteld onder wie het beslag is gelegd. In de KVI staat geen naam van een beslagene vermeld, maar wel dat de klaagster “Eigenaar/Houder/Rechthebbende” is van de auto. Namens de klaagster is aangevoerd dat zij eigenaar is van de inbeslaggenomen auto en dat zij deze heeft uitgeleend aan [betrokkene 1] en zijn partner [betrokkene 3]. Hier doet zich dus het geval voor dat een ander dan de (onbekend gebleven) beslagene stelt dat het inbeslaggenomen voorwerp haar in eigendom toebehoort en dat deze zich bij de rechtbank beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan haar.
4.12
In zo’n geval dient de rechter a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo nee, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de klaagster indien deze redelijkerwijze als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. [9] Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen. [10]
4.13
Een inbeslaggenomen voorwerp is in beginsel alleen vatbaar voor verbeurdverklaring als is voldaan aan één of meer van de in art. 33a lid 1 Sr opgesomde voorwaarden en het voorwerp aan de veroordeelde toebehoort. Van ‘toebehoren’ kan ook sprake zijn als de verdachte niet de eigenaar is van het voorwerp. Voldoende is dat hij “een zodanige zeggenschap heeft over en belang heeft bij het (voorwerp), dat zijn betrekking tot dat (voorwerp) in zoverre met die van een eigenaar kan worden gelijkgesteld”. [11] In art. 33a lid 1 Sr is opgesomd welke voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Daartoe behoren onder meer “voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen” (art. 33a lid 1 aanhef en onder a Sr).
4.14
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het in randnr. 4.12 genoemde toetsingskader vooropgesteld, zij het dat de rechtbank daarbij wel heeft vermeld dat het hier gaat om “een beklag van de beslagene”. Hoewel het gelet op voorgaande niet gaat om het beklag van een beslagene, maakt dat in dit geval voor het toepasselijke toetsingskader niet uit: getoetst moet worden of, zoals de rechtbank het noemt “een ander”, in dit geval dus de klaagster, als derde belanghebbende redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
4.15
Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat “het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen” en dat “(g)elet daarop (…) het belang van strafvordering zich tegen opheffing van het beslag verzet”. Zij heeft daarmee de eerste vraag van de maatstaf (onder a) bevestigend beantwoord. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd gelet op de volgende door de rechtbank aangehaalde “omstandigheden, mede in onderlinge samenhang bezien”, te weten
(i) dat uit “de zich in het raadkamerdossier bevindende processen-verbaal kan worden opgemaakt dat, naar aanleiding (van een anonieme tip, waarin beschreven staat dat [betrokkene 1] in drugs zou handelen en zwart geld wit zou wassen, sprake is van een verdenking van witwassen door [betrokkene 1] en [betrokkene 3]” nu
“(o)nderzoek naar de inkomsten en uitgaven van [betrokkene 3] (…) namelijk [laat] zien dat zij leeft in luxe, jaarlijks naar het buitenland op vakantie gaat, terwijl dit volgens haar inkomsten en die van [betrokkene 1] niet mogelijk zou zijn” en “zij contante uitgaven [doet] aan levensonderhoud en (…) veelvuldig contant geld [stort] met grote coupures die niet gangbaar zijn” en
(ii) “(m)et betrekking tot de inbeslaggenomen auto is gebleken dat deze oorspronkelijk op naam heeft gestaan van de VOF, maar dat [betrokkene 1] steeds in die auto heeft gereden, de bekeuringen van verkeersovertredingen heeft betaald en reparaties aan de auto voor zijn rekening heeft genomen” en dat “(d)eze situatie (…) ook na het einde van de VOF [is] voortgezet” zodat “(o)p grond hiervan (…) thans niet aannemelijk [is] geworden dat de auto gedurende de VOF aan [betrokkene 2] in bruikleen is gegeven of na het einde van de VOF aan hem is toegescheiden” en dat “(v)eeleer (…) [betrokkene 1] redelijkerwijs als de rechthebbende op de auto [zal] kunnen worden aangemerkt.”
Hierin ligt immers besloten dat de rechtbank van oordeel is dat de auto feitelijk aan [betrokkene 1] toebehoort en dit voertuig geheel of grotendeels door middel van witwassen is verkregen, een en ander als bedoeld in art. 33a lid 1 aanhef en onder Sr.
4.16
De tweede deelklacht faalt.
4.17
Nu de eerste deelklacht slaagt, ligt vernietiging en terugwijzing in de rede. De vraag is echter welk belang daarmee is gediend. De rechtbank heeft zich immers al uitgesproken over het strafvorderlijk belang tot het handhaven van het klassieke beslag. Wat is bij die stand van zaken de meerwaarde van een terugwijzing? Anders gezegd: waarom zou de rechtbank na terugwijzing materieel ineens anders oordelen over het gelegde beslag? Om die reden meen ik dat als de Hoge Raad mij volgt in de conclusie dat de eerste deelklacht slaagt, het vanuit een oogpunt van proceseconomie nuttig is dat de Raad zich ook uitspreekt over de tweede deelklacht en de zaak enkel terugwijst wanneer hij oordeelt dat beide deelklachten slagen.

5.Slotsom

5.1
De eerste deelklacht slaagt. De tweede deelklacht faalt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, maar uitsluitend wat betreft het primair door de rechtbank uitgesproken oordeel dat de klaagster niet ontvankelijk is in haar beklag. Ten aanzien van het subsidiaire oordeel van de rechtbank strekt de conclusie tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Dit volgt onder meer uit het aan de Hoge Raad toegezonden proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2022 opgemaakt door verbalisant D. den Haan en uit de uitlatingen die de raadsman van de klaagster hieromtrent in raadkamer heeft gedaan (zie proces-verbaal van de raadkamerzitting van 22 juli 2022).
2.Zie “Kennisgeving van inbeslagneming artikel 94 en Pro 94a wetboek van strafvordering” geregistreerd op 5 april 2022. Op de Kvi staat geen beslagene vermeld.
3.Een VOF is een bijzondere, gekwalificeerde maatschap, zie uitgebreider hierover: J.E. Brink-van der Meer & B.H.A. van Leeuwen,
4.Art. 7A:1683 onder 3° BW; Blanco Fernández, in: Tekst en Commentaar Ondernemingsrecht, art. 7A:1686 BW, aant. 1d (online, bijgewerkt 1 juli 2022).
5.HR 6 februari 1935, NJ 1935/1513 m.nt. EMM; J.E. Brink-van der Meer & B.H.A. van Leeuwen,
6.J.E. Brink-van der Meer & B.H.A. van Leeuwen,
7.HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143,
8.J.E. Brink-van der Meer & B.H.A. van Leeuwen,
9.HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823,
10.HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, rov. 2.3.1; HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823,
11.HR 28 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1571,