ECLI:NL:PHR:2023:731

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 september 2023
Publicatiedatum
23 augustus 2023
Zaaknummer
22/04436
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 94a SvArt. 116 lid 1 SvArt. 420bis SrArt. 552a lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onjuiste beoordeling termijn beklag conservatoir beslag

De zaak betreft een beklag tegen de niet-ontvankelijkverklaring van klager in zijn verzoek tot teruggave van een Audi A3 die conservatoir in beslag was genomen op grond van artikel 94a Sv. De rechtbank had het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn van drie maanden na het einde van de vervolging, zoals bedoeld in artikel 552a, derde lid, Sv.

De Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de vervolging tegen de beslagene, onder wiens naam het voertuig in beslag is genomen, was beëindigd. De vervolging tegen deze persoon was nog niet afgerond, zodat de termijn voor het indienen van het klaagschrift nog niet was aangevangen.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat bij conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv de termijn voor het indienen van beklag pas begint te lopen als de vervolging van de beslagene is beëindigd. Omdat de rechtbank dit niet heeft vastgesteld en hierover niets heeft beslist, is het middel gegrond.

De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, om het klaagschrift opnieuw te behandelen en te beslissen. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging gevonden.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en wijst de zaak terug voor herbeoordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/04436 B
Zitting5 september 2023

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,
hierna: de klager
De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, heeft bij beschikking van 7 november 2022 de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag strekkende tot teruggave van een Audi A3 (met kenteken [kenteken] ).
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en A. Kilinç, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel klaagt dat de rechtbank de klager ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn klaagschrift wegens overschrijding van de termijn van art. 552a, derde lid, Sv.
3.2
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Feiten
Uit de stukken in het dossier blijkt dat op 8 december 2020 op grond van artikel 94 Sv Pro, onder [betrokkene] (onderzoek: [naam] ) een Audi A3, kenteken [kenteken] , in beslag is genomen.
Voorts blijkt uit het dossier dat de rechter-commissaris op 6 januari 2021 een machtiging tot conservatoir beslag op voornoemd voertuig heeft afgegeven na vordering van de officier van justitie, d.d. 5 januari 2021, ter verhaal van een eventueel op te leggen geldboete tot (maximaal) € 87,000 en/of ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 78.255,- wegens verdenking terzake artikel 420bis Wetboek van Strafrecht (witwassen).
Tegen klager bestond de verdenking van medeplichtigheid aan witwassen c.q. schuldwitwassen in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020.
De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door een brief van de officier van justitie van 30 maart 2022 aan verzoeker waarin deze meedeelt dat de strafzaak is geseponeerd met als reden ‘onvoldoende bewijs'.
Procedure
Het klaagschrift is op 9 september 2022 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 7 november 2022 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft mr. S. Mabrouk, namens mr. A. Kiliç voornoemd, en de officier van justitie op zitting gehoord.
Klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. Evenmin is de belanghebbende [betrokkene] , hoewel daartoe goed opgeroepen, in raadkamer verschenen.
Namens belanghebbende, [betrokkene] , heeft mr. M. Jonk - kort samengevat - per e-mail d.d. 2 november 2022 aangegeven dat de Audi met kenteken [kenteken] van de [klager] is en dat [klager] in de auto aanwezig was ten tijde van de beslaglegging. Nu de verdenking tegen de [klager] is geseponeerd vanwege onvoldoende bewijs (code 02), impliceert dit dat het voertuig niet van misdrijf afkomstig is, waardoor het beslag op het voertuig dient te worden opgeheven. Om juridische redenen, gelegen in het bepaalde van art. 116 lid 1 Sv Pro, geeft [betrokkene] voor de volledigheid aan geen afstand te doen van het voertuig.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp
De raadsvrouw is in de gelegenheid gesteld het klaagschrift nader toe te lichten. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank het klaagschrift ontvankelijk te verklaren, nu door uitblijven van een reactie van het Openbaar Ministerie op alle verstuurde e-mailberichten door de verdediging, onderhavig klaagschrift zo laat is ingediend. Tot op heden heeft de verdediging geen reactie gehad. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank voorts het klaagschrift gegrond te verklaren. Klager heeft tijdens zijn verhoor, d.d. 13 april 2021, uitvoerig verklaard over de aanschaf van de auto. Nu de strafzaak tegen klager is geseponeerd, ontbreekt het strafvorderlijk belang tot handhaving van het beslag.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank primair het klaagschrift niet-ontvankelijk te verklaren nu de inbeslagname van 20 december 2020 dateert en het klaagschrift pas in september 2022, en derhalve buiten de termijn is ingediend. Subsidiar verzoekt de officier van justitie het klaagschrift ongegrond te verklaren.
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat de de zaak tegen de medeverdachte, [betrokkene] , niet geseponeerd is. [betrokkene] wordt meerdere malen in de auto aangetroffen en betaalt ook de boetes. Daarnaast heeft de garage-eigenaar verklaard dat [betrokkene] de auto contant heeft afgerekend, maar dat de auto op naam van klager gezet moest worden. Dit suggereert een katvangerconstructie. Het Openbaar Ministerie gaat er van uit dat de auto aan [betrokkene] toebehoort en [betrokkene] is ook de beslagene.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
De rechtbank stelt voorts vast dat de strafzaak tegen klager op 30 maart 2022 tot een einde is gekomen door de betekening van de kennisgeving van niet verdere vervolging. Het op 9 september 2022 ingediende beklag is dus buiten de wettelijke termijn van drie maanden na het einde van de strafzaak ingediend.
De raadsvrouw stelt dat door toedoen van het Openbaar Ministerie de termijn is overschreden, maar het had op de weg van de verdediging gelegen om een klaagschrift in te dienen ondanks uitblijven van reactie van het Openbaar Ministerie.
De klager zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het beklag.
Beslissing
De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk.”
3.3
In de toelichting op het middel wordt, onder verwijzing naar onder meer de beschikking van de Hoge Raad van 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8949, aangevoerd dat tegen de belanghebbende, de [betrokkene] , wel vervolging is ingesteld en deze vervolging nog niet ten einde is gekomen. Volgens de steller van het middel is er daarom nog sprake van een vervolgde zaak, waardoor de termijn als bedoeld in art. 552a, derde lid, Sv nog niet is aangevangen. Het klaagschrift zou dan ook tijdig zijn ingediend.
3.4
Art. 552a, derde lid, Sv luidt:
“Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen of de kennisneming of ontoegankelijkmaking van de gegevens of het bevel, bedoeld in de artikelen 125k en 125p, ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift of het verzoek is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.”
3.5
De rechtbank heeft vastgesteld dat de strafzaak tegen de klager op 30 maart 2022 tot een einde is gekomen door betekening van de kennisgeving van niet verdere vervolging. Nu het klaagschrift eerst op 9 september 2022 is ingediend, is volgens de rechtbank sprake van een buiten de wettelijke termijn van drie maanden na het einde van de strafzaak ingediend klaagschrift. Volgens de rechtbank is geen sprake van een verontschuldigbare termijnoverschrijding, nu het op de weg van de verdediging had gelegen om - ondanks het uitblijven van een reactie van het Openbaar Ministerie - het klaagschrift tijdig in te dienen, hetgeen meebrengt dat de klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag.
3.6
De rechtbank heeft kennelijk geoordeeld dat sprake is van een tot het einde gekomen vervolgde zaak als bedoeld in art. 552a, derde lid, Sv. De vraag is of dit juist is.
3.7
Bij de beantwoording van die vraag moet worden vooropgesteld dat de Hoge Raad in zijn beschikking van 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8949 heeft overwogen dat indien het beslag is gelegd in een zaak waarin verscheidene personen als verdachten zijn aangemerkt, aan de vervolgde zaak pas een einde is gekomen, indien de vervolgingen van alle verdachten tot een einde zijn gekomen. De rechter is daarom gehouden vast te stellen of de tegen hen ingestelde strafvervolgingen dan wel ingediende ontnemingsvorderingen tot een einde zijn gekomen. In de beschikking van 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:135 heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat de in genoemde beschikking gegeven uitleg aan art. 552a, derde lid, Sv is toegesneden op en beperkt tot het geval waarin een voorwerp op grond van art. 94 Sv Pro in beslag is genomen. Ingeval een voorwerp op de voet van art. 94a Sv conservatoir in beslag is genomen, is echter voor de beantwoording van de vraag of de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, beslissend of de vervolging van degene(n) ten laste van wie het beslag is gelegd tot een einde is gekomen. Daarbij wordt nog opgemerkt dat wanneer de termijn voor het doen van beklag op grond van art. 552a Sv is verlopen, tegen het treffen van verhaalsmaatregelen ter zake van een voorwerp dat op grond van art. 94a Sv conservatoir in beslag is genomen, bij de burgerlijke rechter kan worden opgekomen (vgl. art. 574, eerste en derde lid, Sv en art. 438 Rv Pro).
3.8
De rechtbank heeft op basis van de dossierstukken vastgesteld dat de betreffende Audi A3 op 8 december 2020 op grond van art. 94 Sv Pro onder [betrokkene] (onderzoek: [naam] ) in beslag is genomen. Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat de rechter-commissaris op 6 januari 2021 een machtiging tot conservatoir beslag op genoemd voertuig heeft afgegeven ter verhaal van een eventueel op te leggen geldboete tot (maximaal) € 87.000,- en/of ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 78.255,- wegens verdenking terzake artikel 420bis Wetboek van Strafrecht (witwassen). [1] Verder is vastgesteld dat tegen de klager de verdenking van medeplichtigheid aan witwassen c.q. schuldwitwassen in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 bestond en dat de strafzaak tegen de klager op 30 maart 2022 is geëindigd door een brief van de officier van justitie inhoudende dat de strafzaak is geseponeerd wegens “onvoldoende bewijs”. Uit het door de officier van justitie ingenomen standpunt volgt dat de zaak tegen voornoemde [betrokkene] niet geseponeerd is.
3.9
Gelet op de onder 3.8 weergegeven vaststellingen over de grondslag van de inbeslagneming en het onder 3.7 weergegeven beoordelingskader, heeft de rechtbank miskend dat in het onderhavige geval voor de beantwoording van de vraag of de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, als bedoeld in art. 552a, derde lid, Sv, beoordeeld had moeten worden of de vervolging van [betrokkene] - de beslagene - tot een einde is gekomen. Nu de bestreden beschikking daarover niets inhoudt, is het middel terecht voorgesteld. [2]
3.1
Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, teneinde de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw te behandelen en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Uit de dossierstukken blijkt dat de inbeslagneming is geschied ten laste van [betrokkene] (dossierpagina 689-693).
2.Uit namens mij ingewonnen inlichtingen bij het Openbaar Ministerie blijkt dat er nog geen zitting heeft plaatsgevonden in de zaak tegen [betrokkene] .