ECLI:NL:PHR:2023:65

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2023
Publicatiedatum
16 januari 2023
Zaaknummer
21/01109
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 SvArt. 511h Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring betrokkene in cassatieberoep wegens niet-indienen middelen

Het gerechtshof Amsterdam had vastgesteld dat de betrokkene een wederrechtelijk verkregen voordeel van €39.692,50 had en hem verplicht tot betaling van €30.000 aan de Staat ter ontneming van dit voordeel. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 600 dagen.

De betrokkene stelde cassatieberoep in, waarbij de aanzegging conform artikel 435, eerste lid, Sv op 31 mei 2022 werd betekend. De gerechtelijke brief werd meerdere keren aangeboden op het adres van de betrokkene, maar niet uitgereikt wegens afwezigheid of weigering ontvangst.

Volgens artikel 437, tweede lid, Sv is de verdachte verplicht binnen twee maanden na aanzegging schriftuur houdende middelen van cassatie in te dienen bij de Hoge Raad. Deze verplichting geldt ook in ontnemingszaken op grond van artikel 511h Sv. Nu de betrokkene deze verplichting niet is nagekomen, wordt hij niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van schriftuur houdende middelen van cassatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01109 P
Zitting17 januari 2023

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de betrokkene
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 3 maart 2021 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 39.692,50 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 30.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 600 dagen.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/00926, 21/00911, 21/00990, 21/00996, 21/01052, 21/01108, 21/01110 en 21/01191. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 31 mei 2022 betekend. De gerechtelijke brief is uitgereikt aan een medewerker van het parket van de Procureur-Generaal. Volgens een akte van uitreiking met invuldatum 25 mei 2022, tijdstip 17.29 uur is de brief aangeboden op het adres [adres], op 9 mei 2022, 17 mei 2022 en 25 mei 2022, maar is zij niet uitgereikt omdat niemand aanwezig of bereid was om de brief aan te nemen. Uit de BPR-bevragingen van 2 en 31 mei 2022 blijkt dat dit adres het BRP-adres van de betrokkene is.
Art. 437, tweede lid, Sv bepaalt dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is binnen twee maanden nadat de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur houdende zijn middelen van cassatie te doen indienen. Ingevolge art. 511h Sv zijn deze artikelen ook van toepassing in ontnemingszaken. Nu dit voorschrift niet in acht is genomen kan de betrokkene niet in het beroep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG