Conclusie
1.Overzicht
private equityhuis [B] . Haar aandeelhouders zijn [J] Holding BVBA ( [J] Holding) en [K] BVBA ( [K] ), die (middellijk) in handen zijn van leden van een familie die allen in België wonen. Naast het indirecte belang in portfolio-investeringen van [B] houdt de belanghebbende belangen in Nederlandse en Belgische entiteiten.
het Hof Amsterdam [2] met verwijzing naar HR
BNB2020/80 dat de Rechtbank terecht de wegdenkgedachte ten grondslag heeft gelegd aan haar oordeel dat ontgaan van dividendbelasting een hoofddoel is van belanghebbendes houderschap (subjectieve toets), maar anders dan de Rechtbank meent het Hof dat de Inspecteur kunstmatigheid voldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat belanghebbende daartegenover onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit, zodat de vrijstelling niet van toepassing is.
substancebij afwezigheid van (eigen) personeel en kantoorfaciliteiten, en belanghebbendes besluitvorming volledig in handen zou zijn van de familie, zodat zij niet vrij zou kunnen beschikken over de [A] -dividenden. Dat oordeel is onjuiste of onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd.
substanceen aanzienlijke beheerskosten; zij is niet opgericht of tussengeschoven met het oog op een belang in [A] , laat staan met het oog op verwacht dividend. Evenmin is sprake, zoals in
BNB2020/80, van zetelverplaatsing of iets anders dat de Nederlandse dividendbelasting frustreert. Er is volgens haar evenmin iets kunstmatigs aan een al 30 jaar bestaande investeringsmaatschappij van een familie die al die jaren heeft geïnvesteerd en geherinvesteerd, die altijd gevestigd is geweest in de lidstaat waar de familie woont, die haar onderneming drijft met deskundig personeel, al is dat in arbeidsrechtelijke zin niet bij haar in dienst maar bij een gelieerde maatschappij die de aanzienlijke kosten daarvan doorbelast. Dat een vennootschap wordt beheerst door aandeelhouders leidt niet tot toerekening aan die aandeelhouders. De mogelijkheid om vanuit de belanghebbende te herinvesteren is een legitiem zakelijk belang, ook als geen verplichting tot herinvestering bestaat, en van een verplichting tot doorbetaling van ontvangen dividend is geen sprake. ’s Hofs oordeel schendt volgens de belanghebbende (ook) het primaire EU-recht door de grensoverschrijdende situatie te benadelen ten opzichte van de vergelijkbare interne situatie.
beideonder het aan bewijslevering onderworpen
subjectievecriterium (intentie) van het algemene misbruikconcept van het HvJ. Doel en strekking van de wet/het EU-recht daarentegen, behoeven geen bewijs, want
ius curia novit: ter zake daarvan kan geen bewijs(lastverdeling) aan de orde zijn. Ook het Hof Amsterdam is daarvan kennelijk uitgegaan, nu hij óók ter zake van het al dan niet kunstmatige karakter van de structuur de bewijslast expliciet bij de Inspecteur heeft gelegd. Hij heeft dus niet enkel het wegdenk-criterium al voldoende geacht voor een rechts-vermoeden van misbruik en omkering van de bewijslast. Verwarrend aan de Nederlandse implementatie is dat het EU-rechtelijke rechtskundige criterium voor misbruik (‘ondermijning’ van doel en strekking van de richtlijn) niet is overgenomen in art. 4(3)(c) Wet Divb en dat de tweede nationaalrechtelijke toets (kunstmatigheid) kennelijk tegelijk óók moet functioneren als criterium voor strijd met doel en strekking van de wet c.q. de richtlijn: het heeft een dubbelfunctie. Uit kunstmatigheid in het licht van de economische realiteit wordt zowel (weerlegbaar) een subjectieve ontwijkingsintentie afgeleid als een rechtskundig argument voor een rechtskundige kwalificatie (strijd met doel en strekking van de regeling waarop de belastingplichtige zich beroept); HvJ T Danmark en Y Denmark biedt daarvoor steun, maar de implementatie had duidelijker gekund.
rechtsvraag. Ten onrechte merkt zij enkel de ‘subjectieve toets’ aan als een aan bewijslevering onderworpen feitelijke vraag. In haar lezing van de wet zou alleen het wegdenk-criterium dienen als toets voor antifiscale motieven. Dat zou inderdaad een te mechanische en te algemene toets zijn om antifiscale motieven aan te nemen en omkering van de bewijslast te rechtvaardigen. Maar dat heeft het Hof Amsterdam dus niet gedaan. Voor wat de bewijslastverdeling betreft berust het cassatiemiddel op verkeerde lezing van de Hofuitspraak, waardoor het in zoverre geen voorwerp heeft.
BNB2020/80. De bedoeling en toepassing van door het EU-recht beheerste antimisbruikbepalingen wordt niet door de Nederlandse parlementaire geschiedenis bepaald, maar door de HvJ-rechtspraak daarover.
BNB2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster) niet leidend omdat inmiddels de wet twee keer gewijzigd is om hem aan EU-recht aan te passen, ook al verklaarde de wetgever dat geen inhoudelijke wijziging werd beoogd, want het EU-recht kent volgens haar noch aan het ontbreken van een materiële onderneming, noch aan het passieve karakter van beleggingen doorslaggevende betekenis toe bij de vraag of een houdster kunstmatig is. Ik zie niet in dat HR
BNB2020/80 niet leidend zou zijn, met name niet omdat de kern van dat arrest juist is dat de antimisbruikbepaling in art. 4(3) Wet Divb EU-rechtconform moet worden uitgelegd en toegepast, hetgeen ook de belanghebbende wil. Dit onderdeel van het middel lijkt dus op verkeerde lezing van HR
BNB2020/80 te berusten. Dat arrest zegt expliciet dat (i) de nationale implementatie van de MDR-misbruikbepaling conform het EU-recht moet worden toegepast, (ii) welke arresten van het HvJ daarvoor bepalend zijn, waaronder
Eqiom,
Deister en Juhleren
T Danmark en Y Denmark, (iii) ook de bewijslastverdeling door dat EU-recht wordt bepaald en (iv) het Hof in die zaak zulks niet had miskend, waardoor alleen de vraag overbleef of ’s Hofs bewijsoordelen voldoende gemotiveerd waren (dat waren ze). Het werkelijke geschil is dus ook in onze zaak of het Hof Amsterdam de Nederlandse wet (art. 4(3)(c) Wet Divb) heeft toegepast in overeenstemming met de misbruikrechtspraak van het HvJ, ook voor wat betreft de bewijslastverdeling.
Eqiom,
Deister en Juhleren
Euro Park Serviceeen te algemeen vermoeden van rechtsmisbruik, dat daarom geen omkering van de bewijslast kan rechtvaardigen. Het enkele feit dat de (indirecte) aandeelhouders in de moedervennootschap zelf geen recht op de inhoudingsvrijstelling zouden hebben, wijst onvoldoende op misbruik van de richtlijn om omkering van de bewijslast te rechtvaardigen. Maar daarvan is in casu geen sprake, omdat het Hof ook de bewijslast ter zake van de kunstmatigheid op de Inspecteur heeft gelegd. Anders dan in HvJ
Eqiomis in casu geen sprake van een automatisch of categorisch misbruikvermoeden zonder dat de inspecteur gehouden is aanwijzingen van misbruik te geven. En anders dan in
Deister en Juhleris in casu geen sprake van uitsluiting van de richtlijnvoordelen op basis van vooraf vastgestelde algemene of specifieke criteria zonder tegenbewijsmogelijkheid. Tegenbewijs is juist expliciet open gesteld. Ik meen daarom dat het Hof Amsterdam het EU-recht niet heeft geschonden bij de bewijslastverdeling.
private equityfonds is niet toerekenbaar aan belanghebbendes materiële onderneming;
substanceter zake van het belang in [A] ; zij heeft geen personeel en geen kantoorfaciliteiten; de kantoorfaciliteiten staan alleen ten dienste van [J] Holding en [K] ;
Cadbury Schweppes), dat de nationale rechter moet beoordelen of de Inspecteur heeft bewezen “dat de bestanddelen van (…) misbruik verenigd zijn, waarbij zij alle relevante gegevens (…) in aanmerking dient te nemen” (
T Danmark en Y Denmark). De uitkomst van ‘s Hofs feitenonderzoek op basis van die EU-rechtelijk correcte maatstaven acht ik niet onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk en daarom in cassatie onaantastbaar. De omstandigheden dat de belanghebbende i) al lang bestond en ter zake van
andere,door haar
actiefgehouden, belangen wel degelijk
substanceheeft en significante kosten maakt en (ii) mogelijk geen
doorsneedoorstroomvennootschap is, heeft het Hof Amsterdam niet relevant geacht voor zijn oordeel dat de belanghebbende voor wat betreft het belang in [A] een door de familie leeghaalbare of verkoopbare passieve beleggingsgeldzak is. Uitgaande van ’s Hofs feitelijke oordeel dat het belang in [A] ‘een som geld’ is die los staat van belanghebbendes onderneming en die op geen enkele manier door haar wordt
managed, lijkt dat oordeel mij rechtskundig correct, mede gezien r.o. 105 van
T Danmark en Y Denmark. Het is, voor zover feitelijk, niet onbegrijpelijk. Het strookt met HR
BNB2020/80.
Amurtaen
Miljoen, X en Société Généraleniet relevant zijn omdat die zaken niet over misbruik gingen. Voor wat betreft haar beroep op HvJ-arresten die wél over misbruik gaan, geldt dat het HvJ in
T Danmark en Y Denmarkheeft beslist dat als de bronbelastingvrijstelling van art. 5 MDR Pro niet van toepassing is wegens misbruik ervan in de zin van art. 1(2) MDR, evenmin de EU-verkeersvrijheden kunnen worden ingeroepen om op te komen tegen de bronheffing door de bronstaat. Dat ligt ook voor de hand, gegeven dat volgens HvJ
Euro Park Servicede algemeen-belangdoelstelling misbruik te bestrijden dezelfde draagwijdte heeft als zij wordt ingeroepen op basis van een antimisbruikbepaling in een richtlijn of als rechtvaardiging van een uitzondering op het primaire recht op vrij verkeer. Het beroep op het EU-Handvest wordt pas voor het eerst in cassatie gedaan, zodat u daar niet op in kunt of hoeft te gaan. Redelijkerwijs valt mijns inziens overigens niet te betwijfelen dat als feitelijk misbruik van de Richtlijn is vastgesteld, zoals in casu, waardoor ook beroep op het primaire EU-recht van de verkeersvrijheden uitgesloten is, dat geconstateerde misbruik evenzeer beroep uitsluit op ander primair EU-recht zoals het EU-Handvest. Grondrechten zijn er niet om belastingverijdeling te faciliteren.
nietin geval van misbruik.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
high techsector. [N] , de echtgenote van [AA] , doet via [J] Holding juridisch en administratief werk voor de belanghebbende, voor [J] Holding en voor Belgische deelnemingen van de belanghebbende.
feedervennootschap voor een fonds van
private equityhuis [B] die als enige bezitting een 13,57%-aandelenbelang houdt in [E] BV ( [E] ). [E] is commandiet in [F] CV ( [F] CV). [A] en [E] worden volgens de statuten bestuurd door [G] BV ( [G] ), maar feitelijk door werknemers van [G] . Dat geldt indirect ook voor [F]
CV, nl. via de beherende vennoot [F]
BV. Belanghebbendes indirecte belang in de individuele portfolio-investeringen van [F] CV varieert tussen de 0,33% en 0,61%.
BNB2020/80 [5] (Luxemburgse tussenhoudster; zie 4.6 bijlage) waarin u de misbruiktoets van art. 17(3) Wet Vpb toepaste. De Rechtbank overwoog als volgt:
25. In dit geding staat het volgende vast. Eiseres is opgericht in 1991. Haar aandelen worden (uiteindelijk) gehouden door natuurlijke personen (leden van de familie [O] ) die wonen in haar land van oprichting en vestiging (België). Eiseres houdt belangen en verwerft en vervreemdt belangen in een aantal Nederlandse en Belgische deelnemingen welke direct of indirect een onderneming drijven, waaronder het belang in [A] . In enkele Belgische deelnemingen heeft eiseres een sturende invloed. Eiseres beschikt over eigen kantoorruimte in de woning van de heer [AA] en [N] . Zij verrichten ook significante activiteiten voor eiseres, en eiseres heeft uit dien hoofde jaarlijks ook significante kosten van ruim € 650.000 per jaar. De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldoende aannemelijk is geworden dat eiseres een materiële onderneming drijft en in dat kader ook het belang in [A] houdt. Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank dan ook van oordeel dat aan eiseres reële betekenis toekomt en er een economische en commerciële rechtvaardiging is voor haar bestaan en het houden van het belang in [A] . Er is derhalve geen sprake van dat een uitsluitend formele of kunstmatige constructie is opgezet waarvoor geen economische of commerciële rechtvaardiging bestaat. Het gelijk is derhalve aan eiseres, en eiseres kan aanspraak maken op de inhoudingsvrijstelling als geregeld in artikel 4, derde lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965.”
NLF2020/1708) becommentarieerde deze uitspraak als volgt:
NTFR2020/2569) becommentarieerde de objectieve toets door de Rechtbank als volgt:
BNB2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster) als richtsnoer. De Inspecteur heeft er volgens het Hof terecht op gewezen dat belanghebbendes uiteindelijke aandeelhouders natuurlijke personen zijn die geen recht hebben op de inhoudingsvrijstelling (wegdenkcriterium) en evenmin beroep kunnen doen op art. 5 MDR Pro, dat immers alleen aan moeder
vennootschappenrechten toekent. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de subjectieve toets tot hetzelfde resultaat zou leiden indien toegepast op [J] Holding en [K] . Het Hof heeft het standpunt verworpen dat dit wegdenkcriterium bij de beoordeling van mogelijke antifiscale bedoelingen EU-rechtelijk niet gerechtvaardigd zou zijn, gegeven de r.o. 2.6.2. t/m 2.6.4 van HR
BNB2020/80 (zie onderdeel 4.6 van de bijlage) en r.o. 102 van HvJ
T Danmark en Y Denmark(zie onderdeel 4.5 bijlage). Deze “subjectieve” toets kan volgens het Hof niet los worden gezien van de “objectieve” toets (kunstmatigheid) omdat de objectieve omstandigheden waar het bij die laatste toets om gaat in dienst staan van een bij de subjectieve toets aanwezig veronderstelde bedoeling van dividendbelastingontwijking. De subjectieve toets en objectieve toets liggen in elkaars verlengde, en de bewijslast ligt volgens het Hof bij
beidetoetsen op de Inspecteur (r.o. 5.3.5). Het Hof maakt dat op uit r.o. 114 van HvJ
T Danmark en Y Denmark(zie onderdeel 4.5 bijlage). De Inspecteur moet dus zowel antifiscale motieven als kunstmatigheid aannemelijk maken en die twee toetsen lopen volgens het Hof door elkaar heen omdat kunstmatigheid bijdraagt aan het na toepassing van het wegdenk-criterium al opkomende (weerlegbare) vermoeden van misbruik. Slaagt de Inspecteur in dat bewijs van omstandigheden die doen vermoeden dat aan beide toetsen is voldaan, dan heeft de belanghebbende de mogelijkheid om aannemelijk te maken dat de – alsdan in beginsel bewezen kunstmatige – constructie is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
.Zo wordt de administratie van belanghebbende niet door eigen personeel uitgevoerd, maar is ingehuurd van [J] Holding B.V.B.A. (zie de onderdelen 5 en 6 uitspraak rechtbank). Er zijn weliswaar kantoorfaciliteiten, maar deze staan ten dienste aan de vennootschappen die de bestuursfunctie en administratie verzorgen; gesteld noch gebleken is dat belanghebbende er een eigen kantoor op nahoudt. Verder is redengevend dat de besluitvorming van belanghebbende volledig in handen is van leden van de familie [O] ; zij kunnen volledig de bestemming van de resultaten van belanghebbende bepalen; belanghebbende kan niet vrij beschikken over de dividenden die zij ontvangt uit [A] . Deze omstandigheden leiden het Hof tot de conclusie dat - behoudens tegenbewijs - aannemelijk is dat sprake is van een kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit en waarmee heffing van Nederlandse dividendbelasting bij de aandeelhouders van belanghebbende wordt ontgaan; een gelijkenis met de in het arrest T&Y Danmark aan de orde zijnde doorstroomvennootschappen dringt zich op; daarvoor acht het Hof anders dan belanghebbende stelt, niet vereist dat winsten direct worden uitgekeerd, maar is voldoende dat daartoe de mogelijkheid bestaat.
substanceheeft en aanzienlijke beheerskosten maakt en door te wijzen op tal van andere omstandigheden die in het onderhavige geval reden zijn om een houdstervennootschap te gebruiken:
(i) niet onderbouwd is waarom met het houden van het belang door belanghebbende in [A] nodig zou zijn om beperking van aansprakelijkheid te creëren. Immers het belang in [A] bestaat al uit een aandelenbelang dat ten opzichte van [A] voor belanghebbende een beperking van aansprakelijkheid inhoudt. Verder is gesteld noch gebleken waarom beperking van aansprakelijkheid in het onderhavige geval een rol zou hebben gespeeld. Dat die aansprakelijkheid mogelijk van belang is in verband met de andere activiteiten van belanghebbende, dient hier buiten beschouwing te blijven aangezien de deelneming in [A] niet aan deze activiteiten valt toe te rekenen;
(ii) dat het houden van het belang via belanghebbende de verkoop van het belang in [A] vergemakkelijkt in plaats van een verkoop van activa en passiva, valt evenmin te volgen nu het belang in [A] al bestaat uit een aandelenbelang;
(iii) het belang dat belanghebbende voor [A] als ‘pooling vehicle’ zou hebben is niet nader onderbouwd en derhalve is met het in dat verband gestelde niet aannemelijk geworden dat de ontvangen dividenden opgaan in de overige resultaten van de vennootschap; dit kan niet persé als een voordeel worden aangemerkt aangezien die resultaten er evengoed voor kunnen zorgen dat het ontvangen dividend opgaat in een verlies op overige investeringen. Verder is er slechts een tweetal aandeelhouders in belanghebbende; gesteld noch gebleken is dat belanghebbende als houdstervennootschap nodig was om de benodigde fondsen voor het belang in [A] bijeen te brengen. Bovendien is [A] zelf ook al een poolingvennootschap voor diverse investeerders in het investeringsfonds van [B] ;
(iv) De mogelijkheid om niet-uitgekeerde winsten te herinvesteren kan worden aangemerkt als een legitiem zakelijk belang om te beleggen door middel van een houdstervennootschap. Of daarvan in dit geval sprake is, is echter niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt, aangezien er geen enkele verplichting is voor belanghebbende behaalde winsten geheel of gedeeltelijk te herinvesteren. Belanghebbende wordt alleen (feitelijk) bestuurd door (enkele) leden van de familie [O] die ook aandeelhouder zijn en die geheel naar eigen goeddunken kunnen beslissen om winsten al dan niet uit te keren, te herinvesteren dan wel deze winsten te realiseren door middel van een verkoop van hun belang in belanghebbende.
(v) het Hof vermag niet in te zien waarom sprake zou zijn van geldige zakelijke redenen indien er geen (directe) verplichting is om winst uit te keren door belanghebbende. Winstuitkeringen kunnen alsnog in de toekomst plaatsvinden ingeval bestuurders/aandeelhouders daartoe zouden besluiten; de winst zou ook kunnen worden genoten door verkoop van het belang in belanghebbende.
Belanghebbende heeft voorts nog gewezen op de hoge managementvergoeding (€ 500.000) die belanghebbende betaalt voor het beheer door [AA] . Het Hof is met de inspecteur van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat een gedeelte daarvan betrekking zou hebben op activiteiten die in verband staan met het aanhouden van het belang in [A] . Dat in België een roerende voorheffing zou worden geheven bij uitkeringen door belanghebbende is als zodanig niet van belang, maar ook niet zonder meer aannemelijk nu de belangen in belanghebbende niet onmiddellijk worden gehouden door de achterliggende aandeelhouders natuurlijke personen: aannemelijk is dat bij dividenduitkering door belanghebbende of bij verkoop van de belangen in belanghebbende in België de deelnemingsvrijstelling van toepassing is aangezien de directe aandeelhouders in belanghebbende ook vennootschappen zijn.
Deister en Juhler(zie onderdeel 4.4 bijlage) en
T Denmark en Y Danmark(zie onderdeel 4.5 bijlage) voor wat betreft de uitleg van misbruik in de zin van art. 1(2) MDR, en de EU-verkeersvrijheden voor wat betreft de vergelijkbaarheid met de interne situatie: zij acht zich vergelijkbaar met een Nederlandse BV die wordt gehouden door een in Nederland wonende familie, in welk geval de inhoudingsvrijstelling wél zou worden toegekend. Dat verkeersbelemmerende verschil in behandeling op grond van vestigingsplaats is haars inziens alleen bij misbruik toegestaan, waarvan in casu geen sprake is.
T Denmark en Y Danmarkexpliciet geoordeeld dat in misbruiksituaties waarop art. 1(2) MDR van toepassing is, geen beroep op de EU-verkeersvrijheden mogelijk is. Het Hof acht zijn uitleg en toepassing van art. 4(3)(c) Divb in belanghebbendes geval in overeenstemming met de misbruikrechtspraak van het HvJ, met name met de arresten
Deister en Juhleren
T Danmark en Y Denmarken meent dat art. 4(3)(c) Divb in die uitleg naadloos aansluit op art. 1(2) MDR. De vergelijking met een Nederlandse tussenhoudster houdt volgens het Hof overigens geen steek omdat in dat geval – anders dan in belanghebbendes geval – wél tenminste éénmaal Nederlandse belasting wordt geheven ten laste van de uiteindelijke aandeelhouders.
V-N2022/37.7 heeft de uitspraak onder meer als volgt becommentarieerd:
NLF2022/1249) acht de bewijslastverdeling juist:
3.Het cassatiemiddel
substanceen aanzienlijke beheerskosten; zij is niet opgericht of tussengeschoven met het oog op een investering in [A] of zelfs maar in Nederland, laat staan met het oog op een verwacht dividend. Evenmin is sprake, zoals in
BNB2020/80, van zetelverplaatsing of iets anders waardoor een Nederlandse dividendbelastingclaim werd gefrustreerd. De belanghebbende was het meest gerede vehikel omdat zij de middelen hield waaruit de investering moest worden bekostigd.
substanceof personeel onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd c.q. onvoldoende gebaseerd op door de Inspecteur aangevoerde feiten en omstandigheden. Dat de vennootschap wordt beheerst door aandeelhouders leidt niet tot toerekening aan die aandeelhouders. Hun mogelijkheid om vanuit de belanghebbende te herinvesteren is een legitiem zakelijk belang, ook als geen verplichting tot herinvestering bestaat, en van een verplichting tot doorbetaling van ontvangen dividend is geen sprake.
Cadbury Schweppesin onderdeel 4.1 bijlage en r.o. 97 van
T Danmark en Y Denmarkin onderdeel 4.5 bijlage). Die EU-rechtelijke criteria hebben echter een andere inhoud dan de toetsen in art. 4(3)(c) Wet Divb die de wetgever en in navolging daarvan de feitenrechters aanduiden met ‘subjectieve’ en ‘objectieve’ toets. Die twee nationaal-rechtelijke toetsen, óók de objectieve, vallen
beideonder het
subjectievecriterium (intentie) van het algemene misbruikconcept van het HvJ. Beide internrechtelijke toetsen zien op de intentie van de belastingplichtige, althans op
feitendie bewezen moeten worden. Doel en strekking van de wet/het EU-recht daarentegen, behoeven juist geen bewijs, want
ius curia novit: uitleg en toepassing van het recht is een rechtskundige kwestie waarover alleen de rechter gaat, van ambtswege, en ter zake waarvan dus geen bewijs(lastverdeling) aan de orde kan zijn. Opmerkelijkerwijs heeft de wetgever bij de implementatie van (het nieuwe) art. 1(2) MDR in 2018 (zie onderdeel 3.1 van de bijlage) de richtlijnterm “dat het doel of de toepassing van deze richtlijn ondermijnt” (de objectieve misbruiktoets; strijd met doel en strekking van de MDR) niet overgenomen in art. 4(3)(c) Divb. Dat hij het desondanks over een objectieve en een subjectieve misbruiktoets had, is dan verwarrend. Kennelijk moet het kunstmatigheidscriterium naast feitelijke kunstmatigheid óók (rechtskundige) strijd met doel en strekking van de wet aanduiden.
subjectievebedoelingen. Beide toetsen vestigen – weerlegbare – bewijsvermoedens ter zake van ontwijkings-bedoelingen op basis van
objectieveomstandigheden, zoals het HvJ dat ook voorschrijft: ‘een geheel van objectieve elementen’; zie r.o. 64 van
Cadbury Schweppesin onderdeel 4.1 bijlage en r.o. 97 van
T Danmark en Y Denmarkin onderdeel 4.5 bijlage. Die ‘objectieve gegevens’ zijn volgens de nationale wetgever: (i) hoe zou de heffing verlopen bij een rechtstreeks belang van de uiteindelijk gerechtigde in de dividendbetaler? en (ii) is het indirecte houderschap “kunstmatig” of past het bij de economische realiteit? Het verwarrende van deze wijze van nationale implementatie is dat het tweede criterium (kunstmatigheid) kennelijk óók functioneert als criterium voor strijd met doel en strekking van de wet c.q. de richtlijn: kunstmatigheid wordt kennelijk geacht te duiden op strijd met doel en strekking van de wet. Het kunstmatigheidscriterium heeft dus een dubbelfunctie; eigentijds uitgedrukt: het is hybride. Dat kan inderdaad gelezen worden in onder meer r.o. 100 van HvJ
T Danmark en Y Denmark(zie onderdeel 4.5 bijlage;
curs. PJW):
als voornaamste doel (…) heefteen belastingvoordeel te verkrijgen
dat de strekking of het doel van de (..) belastingwetgeving ondermijnt, kan worden beschouwd als een kunstmatige constructie.”
Deister en Juhler; zie onderdeel 4.4 bijlage):
daarnaastook een materiële onderneming dreef en drijft en
substancehad en heeft, voor het belang in [A] als slechts een (antifiscaal) doorgeefluik voor een (beleggings)geldzak.
rechtsvraag naar doel en strekking van de wet. Ten onrechte merkt zij enkel de ‘subjectieve toets’ aan als een aan bewijslevering onderworpen feitelijke vraag. In haar lezing van de wet zou alleen het wegdenk-criterium overblijven als toets voor antifiscale motieven. Dat zou inderdaad een te mechanische en te algemene toets zijn om een rechtsvermoeden van antifiscale motieven en daarmee omkering van de bewijslast te rechtvaardigen. Maar dat heeft het Hof Amsterdam dus niet gedaan: hij heeft de Inspecteur juist expliciet (r.o. 5.3.5) óók belast met het bewijs van kunstmatigheid van de structuur alvorens antifiscale bedoelingen aannemelijk te achten die tegenbewijs door de belanghebbende behoeven, en hij heeft bij de beoordeling van zowel het bewijs als het tegenbewijs alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, zoals de HvJ-rechtspraak voorschrijft: hij heeft “in het concrete geval de desbetreffende constructie in haar geheel (…) onderzocht,” zoals het HvJ voorschrijft sinds zijn oer-arrest over misbruik in de directe belastingen
Cadbury Schweppes(zie onderdeel 4.1 van de bijlage).
substance, geen (eigen) personeel en geen kantoorfaciliteiten ten dienste van de belanghebbende) “aannemelijk heeft gemaakt dat aan de objectieve voorwaarde is voldaan,” waaruit volgt dat ook de belanghebbende ervan uitgaat dat het Hof de ‘objectieve’ toets (kunstmatigheid) als een te bewijzen feitelijke omstandigheid heeft beschouwd en de bewijslast te dier zake op de Inspecteur heeft gelegd.
T Danmark en Y Denmark(zie onderdeel 4.5 bijlage) volgt dat de bewijslast ter zake van voldoening aan de toepassingsvoorwaarden van art. 5 MDR Pro hoe dan ook op de belastingplichtige rust vanwege een algemene regel van bewijsrecht: wie zich op een vrijstelling beroept, moet bewijzen dat hij aan de voorwaarden ervoor voldoet. Aldus oordeelde het HvJ ook expliciet in de gevoegde zaken
Hariboen
Österreichische Salinen: [9] wie zich op basis van art. 4 MDR Pro op (in dat geval) een recht op
credit for underlying taxberoept, moet bewijs leveren dat en hoeveel buitenlandse winstbelasting op het ontvangen dividend heeft gedrukt. Eén van de toepassingsvoorwaarden van art. 4 en Pro 5 MDR is een kwalificerende moedervennootschap. Is de moedervennootschap (in casu: de belanghebbende) in de economische realiteit niet de uiteindelijke dividendgerechtigde, dan voldoet zij niet aan de toepassingsvoorwaarden van art. 5 MDR Pro. In zoverre ligt misbruikbestrijding in het verlengde van correcte bepaling van het toepassingsbereik van de richtlijn. Om die reden had het HvJ het in onder meer de misbruikzaken
Emsland-Stärke, [10] Cadbury Schweppes(zie 4.1 bijlage) en
T Danmark en Y Denmark(zie 4.5 bijlage) over ‘formele vervulling’ van voorwaarden (citaat uit
Cadbury Schweppes):
BNB2020/80 (zie 4.6 bijlage). Ook Marres benadrukt (zie onderdeel 5.5 van de bijlage) dat wat de parlementaire geschiedenis van de Nederlandse implementatie ook moge zeggen over de bedoeling en toepassing van door het EU-recht beheerste antimisbruikbepalingen, niet de Nederlandse parlementaire geschiedenis, maar de HvJ-rechtspraak daarover leidend is.
5.Het EU-recht
BNB2020/80 (Luxemburgse tussenhoudster; zie 4.6 van de bijlage) tot richtsnoer genomen. De belanghebbende acht dat EU-rechtelijk onjuist. Die zaak betrof een eerder jaar (2012) en een antimisbruikbepaling in een andere wet (art. 17(3) Wet Vpb: buitenlandse belastingplicht van een buitenlandse houdster met een aanmerkelijk belang (a.b.) in een Nederlandse vennootschap; zie over die bepaling de onderdelen 3.5 - 3.6 van de bijlage). De belanghebbende acht dat arrest niet (meer) leidend omdat de wet sindsdien is gewijzigd en in die zaak nog bepalend was of het belang in de Nederlandse vennootschap werd gehouden als belegging. Onder het huidige recht daarentegen gaat het om het aan de EU-rechtspraak ontleende begrip ‘kunstmatige constructie’ in art. 4(3) Wet Divb en het HvJ kent noch aan het ontbreken van een materiële onderneming, noch aan het passieve karakter van beleggingen doorslaggevende betekenis toe bij de vraag of een houdster een kunstmatige constructie is, aldus de belanghebbende.
BNB2020/80 de antimisbruikbepaling in art. 17(3) Wet Vpb EU-recht-conform heeft uitgelegd en dat met de gedeeltelijke overheveling van die antimisbruikbepaling naar art. 4(3) Wet DivB geen inhoudelijke wijziging is beoogd, zodat dat arrest ook in belanghebbendes zaak nog steeds het leidende precedent is.
BNB2020/80 betrof het belastingjaar 2012. De wettekst is sindsdien twee maal gewijzigd. Per 1 januari 2016 is de tekst van art. 17(3) Wet Vpb aangepast [11] aan de 2015-wijzigingen van de MDR en per 1 januari 2018 is art. 4(3) Wet DivB ingevoerd bij de Wet inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling. [12] Voor de teksten en toelichtingen verwijs ik naar de onderdelen 2.5, 3.5 en 3.6 van de bijlage.
BNB2020/80 niet leidend zou zijn, te minder nu de kern van dat arrest juist is dat de antimisbruikbepaling in art. 4(3) Wet Divb EU-rechtconform moet worden uitgelegd en toegepast, hetgeen ook de belanghebbende met kracht betoogt. Dit onderdeel van het middel lijkt dus op verkeerde lezing van HR
BNB2020/80 te berusten. Dat arrest zegt expliciet (zie 4.6 bijlage) dat (i) de nationaalrechtelijke implementatie van de MDR-misbruikbepaling conform het EU-recht moet worden toegepast, (ii) welke met name genoemde en geciteerde arresten van het HvJ daarvoor bepalend zijn, waaronder
Eqiom,
Deister en Juhleren
T Danmark en Y Denmark, (iii) ook de bewijslastverdeling door dat EU-recht wordt bepaald en (iv) het Hof in die zaak zulks niet had miskend, waardoor alleen de vraag overbleef of ’s Hofs bewijsoordelen voldoende gemotiveerd waren (dat waren ze).
BNB2020/80 blijkt volgens de Staatssecretaris niet hoe de bewijslast moet worden verdeeld bij de ‘objectieve’ toets (die dus, zo bleek, niet objectief is in de zin dat het alleen om een rechtskundige vraag zou gaan), die destijds niet in die bewoordingen in de wet stond. Hij verzoekt u daarom te beoordelen of het Hof Amsterdam wel van het juiste toetsingskader is uitgegaan, gelet op het belang voor de rechtsontwikkeling en de praktijk. Hij suggereert dat het Hof Amsterdam de bewijslast te ver op de helft van de Inspecteur heeft gelegd door ook voor de kunstmatigheid van het indirecte houderschap van de familie bewijs van de Inspecteur te verlangen. Volgens hem volgt uit de wetsgeschiedenis (zie onderdelen 3.1-3.2 van de bijlage) dat als bij wegdenken van de belanghebbende meer dividendbelasting verschuldigd is, enkel om die reden de bewijslast al verschuift naar de belanghebbende. Zoals boven (4.5) al bleek, acht ik die opvatting onjuist: het enkele wegdenk-criterium lijkt mij in het licht van de rechtspraak van het HvJ, met name de arresten
Eqiom,
Deister en Juhleren
Euro Park Service(zie onderdelen 4.3, 4.4 en 4.2 van de bijlage) een te algemeen vermoeden van rechtsmisbruik, dat daarom geen omkering van de bewijslast kan rechtvaardigen. Het enkele feit dat de (indirecte) aandeelhouders in de moeder-vennootschap zelf geen recht op de inhoudingsvrijstelling zouden kunnen doen gelden, wijst onvoldoende op misbruik van de richtlijn om omkering van de bewijslast te rechtvaardigen. Dat zou teveel afbreuk doen aan doel en strekking van de richtlijn. U zie ook mijn conclusie van 12 mei 2023 in de bij u aanhangige zaak 22/04085 over het misbruikvermoeden in art. 14a(6) Wet Vpb bij verkoop binnen drie jaar van bij splitsing verkregen aandelen in de afgesplitste rechtspersoon. [15] Die enkele verkoop wijst onvoldoende op misbruik van de fusierichtlijn om omkering van de bewijslast te rechtvaardigen.
Eqiom(zie 4.3 bijlage) is in casu geen sprake van een automatisch of categorisch misbruikvermoeden zonder dat de inspecteur gehouden zou zijn ook maar een begin van bewijs of aanwijzingen van misbruik te geven. Integendeel: het Hof Amsterdam heeft expliciet de bewijslast zowel bij de ‘subjectieve’ als de ‘objectieve’ toets op de Inspecteur gelegd en heeft alleen voor de subjectieve toets gebruik gemaakt van een – weerlegbaar – bewijsvermoeden, nl. het wegdenk-criterium. Bij het kunstmatigheidscriterium heeft het Hof geen vermoedens gebruikt, maar de bewijslast bij de Inspecteur gelegd. En anders dan in
Deister en Juhler(zie 4.4 bijlage) is in casu geen sprake van uitsluiting van de richtlijnvoordelen op basis van vooraf vastgestelde algemene of specifieke criteria zonder tegenbewijsmogelijkheid. Tegenbewijs is juist expliciet open gesteld. Volgens de genoemde arresten moet “in elk concreet geval de desbetreffende constructie in haar geheel worden onderzocht.” Dat heeft het Hof Amsterdam gedaan.
private equityfonds [A] is niet toerekenbaar aan belanghebbendes materiële onderneming;
substanceter zake van het belang in [A] ; zij heeft geen personeel en geen kantoorfaciliteiten; de kantoorfaciliteiten staan alleen ten dienste van [J] Holding en [K] ;
private equityfonds en (indirect) de familie die haar beheerst.
Eqiom,
Deister en Juhleren
T Danmark en Y Denmark, lijkt mij met het Hof niet relevant, nu het gaat om de vraag of de (indirecte) aandeelhouders zelf zouden kwalificeren voor de vrijstelling van art. 5 MDR Pro. Dat was in de genoemde arresten niet het geval omdat zij niet in de EU waren gevestigd; in belanghebbendes geval is dat echter om een andere reden niet het geval, nl. omdat haar (indirecte) aandeelhouders natuurlijke personen zijn; het is dus irrelevant waar die wonen: natuurlijke personen zijn
nooitgerechtigd tot de richtlijnvoordelen. De belanghebbende heeft daarnaast met verwijzing naar diverse arresten van het HvJ gesteld dat sommige van de door dat Hof in die zaken genoemde en op misbruik, althans kunstmatigheid, wijzende omstandigheden zich in haar geval niet voordoen. Mogelijk is dat zo, maar dat zegt niet dat andere omstandigheden die zich wél voordoen niet op misbruik zouden kunnen wijzen. Het gaat om de vraag of de simultane combinatie van de door de Inspecteur bewezen omstandigheden in hun samenhang bezien voldoende aannemelijk maken dat het om oneigenlijk (kunstmatig) beroep op de richtlijnvoordelen gaat: “in elk concreet geval moet de desbetreffende constructie in haar geheel worden onderzocht,” aldus het HvJ in onder meer
Cadbury Schweppes(zie 4.1 bijlage). De nationale rechter moet beoordelen of de Inspecteur heeft bewezen “dat de bestanddelen van (…) misbruik [intentie en strijd met doel en strekking van de wet; PJW] verenigd zijn, waarbij zij alle relevante gegevens (…) in aanmerking dient te nemen” (r.o. 117
T Danmark en Y Denmark; zie 4.5 bijlage). In r.o. 114 van
T Denmark en Y Danmarknoemt het HvJ als aanwijzingen van misbruik onder meer het bestaan van een (moeder)vennootschap “zonder economische rechtvaardiging alsook het louter formele karakter van het concern”. In r.o. 67 van
Cadbury Schweppes(zie 4.1 bijlage) overwoog hij dat dat de vaststelling van een kunstmatige constructie:
T Danmark en Y Denmarkzag hij aanwijzingen van misbruik in “het ontbreken van een daadwerkelijke economische activiteit”, die kan worden afgeleid “uit een onderzoek van alle relevante gegevens betreffende met name het beheer van de onderneming, haar boekhoudkundige balans, haar kostenstructuur en de werkelijk gemaakte kosten, haar werknemers, alsook haar kantoren en uitrusting” en in “het gebrek aan bevoegdheid (…) om vanuit economisch oogpunt vrij over de ontvangen dividenden te beschikken” doordat de vennootschap “„in wezen” niet het recht heeft op het gebruik en genot van die dividenden, ook al rust op haar geen dergelijke contractuele of wettelijke verplichting [tot doorbetaling; PJW].”
andere,door haar
actiefgehouden, belangen wel degelijk
substanceheeft en significante kosten maakt en (ii) mogelijk geen
doorsneedoorstroomvennootschap is, heeft het Hof Amsterdam niet relevant geacht voor de economische realiteit dat zij ter zake van het
buitendie
substancehangende belang in [A] volgens dat Hof een geheel door de familie leeghaalbare of verkoopbare passieve beleggingsgeldzak is, mede gezien de overige door de Inspecteur aannemelijk gemaakte omstandigheden. Uitgaande van ’s Hofs feitelijke oordeel dat het belang in [A] ‘een som geld’ is die los staat van belanghebbendes onderneming en die op geen enkele manier door de belanghebbende wordt
managed, lijkt dat oordeel mij rechtskundig correct, mede gezien onder meer r.o. 105 van
T Danmark en Y Denmark(zie 4.5 bijlage). Het is, voor zover feitelijk, niet onbegrijpelijk. En het strookt met HR BNB 2020/80 (zie onderdeel 4.6 bijlage), waarin u overwoog:
Amurtaen
Miljoen, X en Société Généraleniet relevant zijn omdat die zaken niet over misbruik gaan. Voor wat betreft haar beroep op HvJ-arresten die wél over misbruik gaan, geldt hetgeen het Hof Amsterdam terecht overnam uit r.o. 123 van
T Denmark en Y Danmark(zie onderdeel 4.5 van de bijlage):
Euro Park Service(zie 4.2 bijlage):
Van der Weerd e.a.) [16] en evenmin consumentenbescherming betreft. [17] Hij is nationaal-rechtelijk immers niet bevoegd om buiten het geschil te gaan en in dat geval geldt geen EU-rechtelijke plicht tot toepassing van ambtswege, aldus HvJ
Van Schijndel en Van Veen, [18] uit welk arrest ook volgt dat een cassatierechter niet hoeft in te gaan op voor het eerst gedane beroepen op EU-recht die feitelijk onderzoek vragen. Het Hof hoefde belanghebbendes vrije-verkeersklacht geenszins op te vatten als een beroep op gronden ontleend aan het Handvest. De feitenrechter behoort niet mee te procederen, behalve mogelijk – aldus het HvJ in bekritiseerde rechtspraak – in het consumentenrecht, met name in zaken die onder de Richtlijn inzake oneerlijke handelsbedingen [19] kunnen vallen. Mogelijk ligt er ook een ambtshalve EU-recht-handhavingstaak voor de nationale rechter waar het gaat om (arbitrage inzake) kartelafspraken, maar de rechtspraak van het HvJ daarover [20] is niet heel concludent. Wat daarvan zij, de genoemde Handvestbepalingen zijn niet van openbare orde (
ordre public), de MD-richtlijn betreft noch consumentenbescherming tegen oneerlijke bedingen, noch mededingingsrecht, en de Hoge Raad is EU-rechtelijk niet verplicht om in te gaan op beroepen op EU-recht die feitelijk onderzoek vragen.
Timac Agro, [21] noch in het licht van het doel misbruik te bestrijden, welk misbruik zich in casu in de door de belanghebbende opgevoerde binnenlandsituatie niet kan voordoen. Anders dan de belanghebbende lijkt te stellen, is het ook niet zo dat de inhoudingsvrijstelling niet beschikbaar zou zijn in de grensoverschrijdende situatie; dat is zij juist wél, zoals ook de Staatssecretaris opmerkt, alleen niet in geval van misbruik, en het Hof Amsterdam heeft feitelijk misbruik vastgesteld op basis van EU-rechtelijk correcte materiële en bewijs(last)maatstaven.
T Danmark en Y Denmark(onderdeel 4.5 van de bijlage).