De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor het aanwezig hebben van ongeveer 238 hennepplanten in een pand dat hij huurde. Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder politieprocessen-verbaal, huurcontracten en verklaringen van betrokkenen. De verdachte had het pand onderverhuurd aan een derde, die de huur betaalde en in het pand verbleef.
De verdediging stelde in cassatie dat niet kon worden bewezen dat de verdachte feitelijke macht over de hennepplanten had, een vereiste voor het bewezen verklaren van het delict 'aanwezig hebben' onder de Opiumwet. De procureur-generaal bij de Hoge Raad onderschreef dit standpunt en stelde dat uit de bewijsvoering niet bleek dat de verdachte de beschikking had over de hennepplanten.
De Hoge Raad bevestigde dat voor het bewezen verklaren van 'aanwezig hebben' feitelijke macht over de verdovende middelen noodzakelijk is. In deze zaak ontbrak bewijs dat de verdachte toegang had tot het pand of betrokken was bij de kwekerij. De enkele omstandigheid dat hij het pand huurde en in het verleden was veroordeeld voor soortgelijke feiten, volstond niet.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het hof Den Haag voor hernieuwde beoordeling. De overige onderdelen van het arrest bleven in stand.