Conclusie
Nummer21/04590
Het cassatieberoep
oplichting, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een taakstraf van 102 uren, subsidiair 51 dagen hechtenis.
Het eerste middel
De bewezenverklaring en bewijsmiddelen
De klachten van het eerste middel
dat zij op internetsite Badoo contact heeft gezocht met [aangever]” niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. Daartoe is aangevoerd dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte een ‘Badoo’-profiel heeft aangemaakt onder een andere dan haar eigen naam en dat de aangever op dat profiel heeft gereageerd. De aangever heeft dus contact met de verdachte gezocht en niet andersom.
Het juridische kader
gesproken en/of geschreven uitingen die bij [een] ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen”. [1] Bij “
het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de ‘persoon’ van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken”. [2]
dat voor oplichting blijkens art. 326, eerste lid Sr is vereist dat iemand door zo een oplichtingsmiddel wordt ‘bewogen’ tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel ‘beweegt’ tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr. (…) Oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien”. [3]
De bespreking van het middel
dat zij op internetsite Badoo contact heeft gezocht met [aangever]" uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden, maar wat mij betreft tevergeefs. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat de verdachte – terwijl zij zich voordeed als [alias 1] , [alias 2] en [alias 3] – (meerdere malen) contact heeft gezocht met de aangever. Dat het de aangever is geweest die in eerste instantie met de verdachte contact heeft gezocht, doet daar mijns inziens niet aan af.
het aannemen van een valse hoedanigheiden het gebruik van
een samenweefsel van verdichtselsde aangever heeft
bewogen totafgifte van aan hem toebehorende geldbedragen, niet onbegrijpelijk is en tevens toereikend is gemotiveerd.
wildvreemden”. Voordat de verdachte de aangever de eerste maal heeft verzocht om geld over te maken, had zij als ‘ [alias 1] ’ reeds intensief chatcontact met de aangever. Daarna presenteerde zij zich achtereenvolgens als familielid en vriendin van [alias 1] . Bovendien is de verdachte begonnen met een verzoek om een relatief bescheiden bedrag van € 200 aan haar over te maken. De verdachte heeft dat bedrag vervolgens stapsgewijs verhoogd tot € 7.500. Juist dit geraffineerde en intensieve karakter van het chatcontact in combinatie met het feit dat de oplichting zich gedurende een periode van elf maanden heeft afgespeeld, maakt dat het oordeel van het hof dat de aangever door het gebruik van de oplichtingsmiddelen is bewogen tot afgifte van het geldbedrag – in welk oordeel besloten ligt dat niet kan worden gezegd dat de aangever de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien – ook zonder nadere vaststellingen omtrent de persoon van de verdachte mijns inziens niet onbegrijpelijk is en tevens toereikend is gemotiveerd.
Het tweede middel
ook overigens niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een op verdachte uitgeoefende van buiten komende drang" miskent voorts, voor zover het hof daarmee heeft bedoeld dat de verdachte deze drang aannemelijk had moeten maken, dat het hof is gehouden de feitelijke grondslag van een beroep op psychische overmacht te onderzoeken, terwijl hij de last van het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen. Indien en voor zover het hof met "
ook overigens" heeft bedoeld dat het wel zelfstandig onderzoek heeft gedaan naar de van buiten komende drang, is het oordeel dat de drang niet aannemelijk is geworden in het licht van de verklaringen en stukken waarop door de verdachte een beroep is gedaan zonder nadere motivering niet begrijpelijk.
tussen rechte haken en cursief weergegeven] van de ter terechtzitting gedane aanvullingen van de raadsman):
Anders dan de advocaat-generaal zegt, zit er wel bewijs in het dossier, namelijk deze mail van [betrokkene 1] .]
Dan zou je kunnen zeggen: we gebruiken de verklaringen van [betrokkene 1] niet voor het bewijs in zaak van [verdachte] . Dit is echter vooral van belang voor de ondersteuning van het verhaal van verdachte.]
[e-mailadres] @gmail.com,hetzelfde e-mailadres waarmee ik op 27 december 2016 om 19:52 uur door [betrokkene 1] werd geïnformeerd over het feit dat hij niet bij de zitting aanwezig zou zijn (bijlage 9). Bovendien blijkt uit de door cliënte overgelegde print screen dat de e-mail niet alleen van [betrokkene 1] afkomstig is, maar ook door haar is ontvangen op het e-mailadres
info@ [website] .nl.
en[betrokkene 1] staat. Cliënte stelt niets van deze rekening te weten. De €10.000,00 lijkt grotendeels door [betrokkene 1] te zijn geïncasseerd. Cliënte heeft daarvan – en van de mogelijke identiteitsfraude door [betrokkene 1] bij het afsluiten van twee telefoonabonnementen, waarbij dezelfde rekening is gebruikt – aangifte gedaan (bijlage 11 en 12). [
Onze stelling is dat [betrokkene 1] een rekening heeft geopend. De rekening staat op een adres in [plaats] . Er is gepind in [plaats] en [plaats] , waar [betrokkene 1] destijds zat. [betrokkene 1] wist dat er € 10.000,- betaald zou gaan worden, heeft verdachte gebeld en heeft gezorgd dat verdachte haar ouders ertoe heeft bewogen het geld naar die rekening over te maken.]
Bespreking van het middel
drugsverslaving, maar door de raadsman is aangevoerd dat zij werd gechanteerd met haar
gokverslaving.
ook overigens niet aannemelijk [is] geworden dat er sprake is geweest van een op verdachte uitgeoefende van buiten komende drang” blijkt dat het hof heeft voldaan aan het vereiste om zelfstandig te onderzoeken of het beroep op psychische overmacht feitelijke grondslag heeft. Ook op dit punt voldoet het oordeel van het hof dus aan de eisen die aan de verwerping van een beroep op psychische overmacht worden gesteld.