Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het processuele verloop van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
(hierna Schadestaat I)is gedateerd op 9 oktober 2018 en is kennelijk opgesteld met het oog op de inhoudelijke behandeling van de zaak bij de rechtbank op 15 en 16 oktober 2018. De andere (ongedateerde) schadestaat
(hierna Schadestaat II)is kennelijk opgesteld met het oog op de behandeling in hoger beroep (zie hierna randnr. 2.13).
bijlage 5[AG: zie hierna onder randnr. 2.5]overgelegd.
[AG: cursivering door mij].
bijlage 6overgelegd.
bijlage7 [AG: zie hiervoor onder randnr. 2.5]overgelegd.
bijlage 8[AG: zie hierna onder randnr. 2.8]overgelegd. In dit tweede rapport is de totale arbeidsvermogensschade berekend vanaf de overval. Uit het rapport blijkt – kort samengevat – het volgende.
€ 359.964,20 [AG: cursivering]. Dit bedrag bestaat uit € 339.964,20 materiële schade en € 20.000,- immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
[AG: [benadeelde 1] ]is op een aantal punten gewijzigd. De nieuwe vordering met bijlagen treft u hierbij aan (bijlage). Ik licht de wijzigingen hieronder toe.
het rapport van arbeidsdeskundige de heer Hopman en het rapport van Van der Eijk (bijlagen 6 en 8 bij de bijgevoegde vordering).Een toelichting op de conclusies van deze deskundigen vindt u op p. 5-6 van de vordering. Met de rapporten van deze deskundige is de schade genoegzaam onderbouwd en staat niets (meer) in de weg aan een volledige toewijzing ervan.”
[AG: cursivering door mij].
[AG: dit bedrag komt niet overeen met het bedrag zoals dat in het vonnis van de rechtbank wordt vermeld (dat was ruim € 10.000,00 meer, zie randnr. 2.9]en immateriële schade ten bedrage van € 20.000,-. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht gedeeltelijk toegewezen. Deze benadeelde partij heeft zich binnen de grenzen van de eerste vordering opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.
[AG: dit bedrag komt overeen met Schadestaat I, maar niet met de bijna € 100.000,- lagere schadepost ‘verlies arbeidsvermogen’ zoals opgenomen in op dat moment meer actuele Schadestaat II],beveiligingskosten tot een bedrag van € 10.000,- en reiskosten ad € 150,-), alsmede € 20.000,- ter zake van immateriële schade. De verdachte is (samen met zijn mededaders) tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag hoofdelijk zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 april 2017 tot aan de dag van algehele voldoening.
3.Bespreking van het eerste middel
[AG: in de schriftuur staat € 238.664,27, ik houd dit voor een kennelijke verschrijving]bedroeg”, het oordeel van het hof dat een bedrag van € 286.761,50 ter zake van materiële schade aan de benadeelde partij kan worden toegewezen, onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is.
NJ2019/380, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.3.3 heeft de Hoge Raad overwogen dat bij beoordeling van een klacht over de materiële verschuldigdheid van de schade – het gaat daarbij om klachten die betrekking hebben op de vraag of, dan wel tot welke omvang de verdachte gehouden is tot vergoeding van de schade die zowel onderwerp is van de vordering van de benadeelde partij als van de schadevergoedingsmaatregel – de gegrondverklaring van die klacht ook gevolgen heeft voor de met betrekking tot diezelfde schadepost opgelegde schadevergoedingsmaatregel.