Conclusie
eerste middel klaagt dat het hof in strijd met art. 358, derde lid, Sv heeft verzuimd te reageren op ter terechtzitting gevoerde verweren inhoudende “(i) dat primair sprake was van ‘afvloeiend hemelwater’, (ii) dat, voor zover sprake zou zijn geweest van ‘afvalwater’ dat met inerte goederen in contact zou zijn geweest, subsidiair geen sprake was van ‘visuele verontreiniging’ in de zin van art. 3.33 Activiteitenbesluit milieubeheer en (iii) dat geen sprake was van ‘percolaat’ zoals tenlastegelegd.”
tweede middelheeft het hof “de verdediging in het arrest en in proces-verbaal van de zitting onjuist geciteerd en de verweren van de verdediging feitelijk niet juist geïnterpreteerd.” Omdat de vaststelling van de inhoud van de verweren voorafgaat aan de vraag of op de verweren gemotiveerd is beslist bespreek ik eerst dit tweede middel.
22.Het tweede middelis in alle onderdelen kansloos.
eerste middelis hierboven onder randnummer 12 al weergegeven. Nu ik bij de bespreking van het tweede middel heb vastgesteld dat de weergave van het gevoerde verweer in het arrest niet onjuist of onbegrijpelijk is, neem ik die weergave, zoals hierboven vermeld onder randnummer 5, tot uitgangspunt. Daarin kan inderdaad allereerst met de steller van het middel worden gelezen dat het verweer inhield dat er sprake was (i) van ‘afvloeiend hemelwater’. Dat begrip is kennelijk bedoeld in de zin van art. 3.3, eerste lid, Activiteitenbesluit milieubeheer en daarmee strekt het verweer ertoe dat lozen van dit afvloeiend hemelwater anders dan in een vuilwaterriool (en dus bijvoorbeeld in oppervlaktewater) is toegestaan als bedoeld in art. 3.3, tweede lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het hof heeft op dat verweer beslist en geoordeeld dat het water niet kan worden aangemerkt als ‘afvloeiend hemelwater’ omdat het gaat om hemelwater dat in contact is gekomen met goederen in de activiteit op- en overslaan van goederen. Hemelwater dat in contact is gekomen als hier bedoeld merkt het hof aan als niet langer een 'schone' afvalwaterstroom. Dat is geen wettelijk begrip, maar dat staat aan het gebruik van deze bewoordingen niet in de weg. Op het verweer onder (i) is daarmee beslist en de motivering is niet onjuist of onbegrijpelijk. [17]
30.Ook het eerste middeltreft geen doel.
derde middelhoudt in: “Het hof heeft miskend dat eerst moet worden vastgesteld dat geen sprake is van vrijstellingen in de zin van artikel 6.2 lid 1 aanhef en onder b. Waterwet, voordat kan worden vastgesteld dat sprake kan zijn van een overtreding van het lozingsverbod van artikel 6.2 lid 1 Waterwet. Indien sprake is van een vrijstelling, kan nog slechts de vraag aan de orde zijn of aan de voorwaarden van de betreffende vrijstelling is voldaan en kan nog slechts sprake zijn van overtreding van artikel 1.6 lid 2 Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit is temeer het geval indien de verdediging een beroep doet op specifieke wettelijke vrijstellingen.”
33.Het derde middelfaalt eveneens.
vierde middeltenslotte. Dat klaagt dat de geconstateerde overtreding de verdachte niet kan worden toegerekend, omdat de kraanmachinist tegen de regels en instructies in, op eigen houtje heeft besloten de greppel te graven van de berg naar het water in de haven.