Conclusie
[verweerster 1],
[verweerster 2],
1.Inleiding en samenvatting
de moeder) en dochter [verweerster 1] (hierna:
[verweerster 1]) hebben (o.a.) een verklaring voor recht gevorderd dat dochter [eiseres] (hierna:
[eiseres]) op grond van die bepaling is onterfd, nadat zij driemaal niet is verschenen voor de ondertekening van een notariële akte. De betreffende vordering is door de rechtbank toegewezen. Het hof heeft het vonnis in hoger beroep bekrachtigd.
2.Feiten en procesverloop
de vader).
II. Ik legateer mijn echtgenote, voornoemd, die zaken welke ik zal nalaten en zij mocht verkiezen onder de verplichting om de waarde van die zaken in mijn nalatenschap in te brengen of met haar erfdeel te verrekenen; bedoelde waarde dient te worden vastgesteld op de wijze die de wet voorschrijft voor nalatenschappen waarin minderjarige kinderen zijn gerechtigd; de legataris zal binnen drie maanden nadat een mede-erfgenaam zulks heeft verzocht dienen te verklaren ten aanzien van welke zaken zij dit legaat accepteert.
[verweerster]), gevorderd – samengevat en voor zover in cassatie van belang – dat de rechtbank Midden-Nederland, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primairvoor recht verklaart dat [verweerster] rechtsgeldig een beroep op artikel III van het testament heeft gedaan en dat [eiseres] derhalve haar hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van de vader heeft verloren;
subsidiair[eiseres] veroordeelt om binnen 7 dagen na betekening van het te wijzen vonnis de akte inzake boedelbeschrijving en afgifte legaat van 31 januari 2018, met boedelbeschrijving van 16 mei 2018, alsnog te tekenen, op verbeurte van een dwangsom.
het verstekvonnis) heeft de rechtbank de primair gevorderde verklaring voor recht toegewezen en het meer of anders gevorderde afgewezen. [5]
Verder heeft zij bij wijze van tegenvordering gevorderd dat de rechtbank [verweerster 1] veroordeelt om, voor zover zij dat nog niet heeft gedaan, binnen 7 dagen na betekening van het te wijzen vonnis, de akte inzake boedelbeschrijving en afgifte legaat van 31 januari 2018, met boedelbeschrijving, alsnog te tekenen, op verbeurte van een dwangsom. [6]
het vonnis) [7] heeft de rechtbank het verstekvonnis bekrachtigd en de tegenvordering van [eiseres] afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, als volgt overwogen:
grief 1, waarmee zij stelt dat de cautio Socini haar in combinatie met het levenstestament van de moeder beperkt in haar rechten als erfgenaam (rov. 3.2-3.4);
grief 2komt erop neer dat [eiseres] drie keer bij de notaris is uitgenodigd om de akte voor de afwikkeling van de nalatenschap van de vader te tekenen, maar dat zij telkens gegronde redenen had om daaraan niet mee te werken. Uit hetgeen [eiseres] heeft gesteld kunnen geen gegronde redenen voor de weigering tot medewerking worden afgeleid (rov. 3.5-3.9);
grief 3is dat de moeder haar (liquide) vermogen niet goed zelf zou kunnen beheren en [eiseres] daarvoor een neutrale derde wilde, om te voorkomen dat [verweerster 1] in haar eentje het beheer zou voeren. Ook die grief faalt omdat dit al beoordeeld is onder grief 1 en 2, [eiseres] voorts niet bestrijdt dat moeder nog wel zelf de nalatenschap kon afwikkelen, en [eiseres] de kantonrechter om onderbewindstelling had kunnen verzoeken (rov. 3.10);
grief 4bedoelt [eiseres] kennelijk dat de onterving weer van de baan is, omdat zij haar voorwaarde strekkende tot bewind voor de moeder heeft laten vallen toen de cautio werd ingeroepen. Het hof volgt haar daarin niet, omdat de vader heeft bepaald dat zij geen erfgenaam is als zij niet meewerkt aan de verdeling, vast staat dat zij niet heeft meegewerkt, de onterving dus een feit is en het erfgenaamschap niet herleeft (rov. 3.11);
grief 5voert [eiseres] aan dat er wel aanwijzingen zijn dat de moeder het vermogen niet op een juiste manier zou kunnen beheren of dat [verweerster 1] daar misbruik van zou kunnen maken en dat dit kan rechtvaardigen dat zij niet heeft meegewerkt aan de afwikkeling van de nalatenschap. Zij wijst erop dat moeder een levenstestament heeft gemaakt, wat volgens haar betekent dat moeder wel eens grote moeite zou kunnen hebben met het beheer. Het hof volgt [eiseres] daarin niet (rov. 3.12-3.17);
grief 6komt erop neer dat nergens uit blijkt dat de moeder de cautio Socini heeft ingeroepen en dat [eiseres] vindt dat het inroepen daarvan in dit geval misbruik van bevoegdheid is (art. 3:13 BW Pro) is. De grief faalt. [eiseres] ziet daarbij niet onder ogen dat het niet de moeder en/of [verweerster 1] zijn die haar als erfgenaam uitsluiten, maar dat het haar vader is die haar onterft als zij niet meewerkt aan de afwikkeling. Als toch sprake zou zijn van een bevoegdheid van moeder en [verweerster 1] , dan ziet het hof geen misbruik van die bevoegdheid (rov. 3.18-3.19);
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Diegene van mijn erfgenamen die aan een dergelijke door mijn echtgenote verlangde scheiding en deling van mijn nalatenschap zijn medewerking weigert sluit ik voor zoveel mogelijk als erfgenaam van mijn nalatenschap uit.”
cautio Socinikan worden aangemerkt, dan wel dat die bepaling van toepassing zou zijn op de toedeling van alle goederen in de nalatenschap aan de moeder vanwege het in het testament opgenomen keuzelegaat. Daartoe wordt aangevoerd dat de cautio Socini er juist op ziet dat een
erfgenaam(zoals [eiseres] ) de keuze heeft tussen de legitieme portie en het volle erfdeel, onder bezwaring met een last of een voorwaarde. In dit geval was de keuze ter zake echter niet aan [eiseres] of [verweerster 1] maar, gelet op het keuzelegaat, aan
de moeder: ofwel zij koos voor aanvaarding van het keuzelegaat (hetgeen zij heeft gedaan) ofwel zij deed dat niet, in welk geval de moeder en de dochters als mede-erfgenamen gelijk op zouden delen. Dit hebben rechtbank en hof miskend. Ook als hiertegen geen specifieke grief gericht zou zijn, had het hof dit ambtshalve moeten vaststellen, gelet op het beroep van [verweerster] op de cautio Socini.
voor recht te verklaren dat de moeder en [ [verweerster 1] ] een rechtsgeldig beroep hebben gedaan op artikel III van het testament en dat [ [eiseres] ] derhalve haar hoedanigheid van erfgenaam heeft verloren in de nalatenschap van erflater”. Uit rov. 2.7 in samenhang met 4.3-4.4 volgt dat de rechtbank met het gebruik van de term ‘cautio Socini’ (ook in rov. 4.5) slechts bedoelt te specificeren op welk gedeelte van art. III van het testament [verweerster] een beroep heeft gedaan. [16] Vervolgens controleert zij in rov. 4.4 de rechtsgeldigheid van de betreffende (ontervings)bepaling, waarna zij op grond van haar overwegingen in rov. 4.5 tot het oordeel komt dat aan de voorwaarde voor toepassing ervan (ongegronde weigering van medewerking) is voldaan. De benaming/kwalificatie ‘cautio Socini’ heeft aldus geen betekenis gehad voor de beslissing van de rechtbank.
onderdelen 2 en 3keren zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 3.9 en 3.22) dat de medewerking van [eiseres] aan de afwikkeling van de nalatenschap volgens art. III van het testament vereist was:
voortsdat het oordeel van het hof rechtens onjuist is, omdat het de grenzen van de rechtsstrijd ex art. 24 Rv Pro heeft overschreden. [verweerster] heeft haar vordering niet op verdeling (scheiding en deling) gegrond maar op de beweerdelijke cautio Socini.