Conclusie
1. het eindproces-verbaal van de regiopolitie Eenheid Oost-Brabant, onderzoek 2018189862 “ [naam] ”, nummer OBRBC18143, afgesloten op 20 december 2019, voor zover -zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een jeugdige verdachte die door het gerechtshof 's-Hertogenbosch is veroordeeld tot tien maanden jeugddetentie wegens medeplegen van verkrachting door dwang met feitelijkheden, gepleegd in een park tegen een vijftienjarig meisje. De verdachte en mededaders dwongen het slachtoffer seksuele handelingen te verrichten door gebruik te maken van een numeriek overwicht en het wegnemen van haar telefoon, waardoor het slachtoffer onder psychische druk stond.
De verdediging voerde in cassatie aan dat de bewezenverklaring van dwang door feitelijkheden onvoldoende gemotiveerd was en dat de verklaringen van het slachtoffer en medeverdachten onbetrouwbaar waren. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van het slachtoffer, forensisch DNA-onderzoek en het opsporingsonderzoek, op juiste wijze heeft gewogen en dat de bewezenverklaring toereikend is gemotiveerd.
De Hoge Raad bevestigt dat voor dwang door feitelijkheden niet vereist is dat de verdachte zelf de feitelijkheid heeft veroorzaakt, maar dat het voldoende is dat hij deze feitelijkheid heeft aangewend om het slachtoffer tot seksuele handelingen te dwingen. De Hoge Raad sluit zich aan bij de motivering van het hof en het gerechtshof en wijst het cassatieberoep af. Daarmee blijft de veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie in stand.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt veroordeling tot tien maanden jeugddetentie wegens medeplegen verkrachting met dwang door feitelijkheden.