Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
onverbindend te verklaren.”
Parket bij de Hoge Raad
De klager werd op 17 juli 2021 staande gehouden wegens overtreding van artikel 2.2 lid 1 APV Amsterdam en zijn HAMC-vest werd in beslag genomen. Hij voerde aan dat artikel 2.2 APV onverbindend is omdat het onderwerp reeds uitputtend bij formele wet is geregeld en dat HAMC geen onherroepelijk verboden organisatie is. De rechtbank verklaarde het beklag ongegrond zonder inhoudelijk te oordelen over de onverbindendheid vanwege het summiere karakter van de klaagschriftprocedure.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank wel degelijk op een dergelijk verweer moet beslissen, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. Vervolgens onderzocht hij of artikel 2.2 lid 2 APV Amsterdam in strijd is met artikel 7 lid 3 Grondwet Pro en artikel 140 lid 2 Sr Pro. Hij oordeelde dat de bepaling geen inhoudsverbod oplegt maar een inhoudsneutrale beperking is gericht op het voorkomen van ordeverstoring.
Verder werd betoogd dat de bepaling strijdig is met het strafrechtelijk verbod op deelname aan een criminele organisatie, maar de Hoge Raad stelde vast dat deze materies verschillen en dat het vest onder artikel 2.2 lid 2 APV Amsterdam valt als een zaak die kan worden gebruikt om de orde te verstoren. De conclusie was dat het cassatieberoep faalt en de bestreden beschikking wordt bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en artikel 2.2 lid 2 APV Amsterdam wordt als verbindend bevestigd.