Conclusie
Nummer21/00665
Het eerste middel
bewogenis zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten? De rechtbank meent dat die vraag bij alle zeven aangevers in de zaak van cliënt positief beantwoord moet worden en de rechtbank doet dat aan de hand van de, voor de verdediging moeilijk te doorgronden, motivering op pagina 12 en 13 van het vonnis.
voor elk feitontkennend beantwoord moet worden. Tot dat oordeel komt de verdediging op grond van de volgende feitelijke vaststellingen. In algemene zin stelt de verdediging voorop dat (meer dan) aannemelijk is dat aangevers
zelfnaar Nederland zijn gekomen met een motief van groot eigen financieel gewin (
cash, een eigen huis (om te verkopen), etc...) voor nagenoeg geen tegenprestatie – te mooi om waar te zijn; ‘berghen van gout’. Cliënt had daarbij geen betrokkenheid, dit ging via [betrokkene 3] of [betrokkene 4] , zo volgt uit hun eigen verklaring(en) de verklaringen van [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7] .
nietis toegestaan – ongeacht de Nederlandse of Arubaanse cultuur en achtergrond. Of bij aangevers zodoende sprake is van opzet dan wel schuld door het sluiten van de ogen daarvoor, doet er dan allicht minder toe: van misleiding of misbruik
vande aangevers is geen sprake. Sprake is van misleiding of misbruik
metaangevers, die zichzelf vervolgens misbruikt voelen na realisatie: criminele plan gaat niet door en pas dan, na anderhalf jaar, doen ze aangifte, maken ze zelfs onderling afspraken over de inhoud van hun aangiftes en zinnen ze op wraak. Maar dat gevoel valt niet rechtens te respecteren en is in elk geval niet onder het bereik van art. 273f of zelfs art. 326 Sr Pro te scharen.” [1]
2.
3.
4.
6.
7.
3.4 Algemene overwegingen betreffende mensenhandel (dwangmiddelen en diensten)” ten aanzien van de wetenschap van de aangevers/aangeefsters het volgende overwogen:
Het tweede middel
3.11 Medeplegen
Het derde middel
gewezendoor het vereiste aantal rechterlijke ambtenaren, terwijl dat verzuim met nietigheid is bedreigd door de Wet op de rechterlijke organisatie. Het middel klaagt ten tweede dat het bestreden arrest tot stand is gekomen na een
behandeling ter terechtzitting(van de meervoudige kamer) zonder dat daarbij het vereiste aantal rechterlijke ambtenaren in de zin van voornoemde wet en/of een wettelijke c.q. rechtmatige vertegenwoordiger van het openbaar ministerie aanwezig was en/of zonder dat daarbij sprake was van een situatie waarin “niemand plaatsneemt” aan de tafel van het hof behalve rechters en griffier, terwijl dat verzuim zozeer in strijd is met de behoorlijke procesorde dat het de nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.