Conclusie
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
- Toedienen van vocht en voeding;
- Toedienen van medicatie;
- Het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- Beperken van de bewegingsvrijheid;
- Onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beinvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- Aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- Opnemen in een accommodatie.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt dat de rechtbank miskent dat art. 2:1 lid 6 onder Pro b Wvggz voor het honoreren van wilsbekwaam verzet uitsluitend een uitzondering maakt als er sprake is van een acuut levensgevaar voor betrokkene zelf of een aanmerkelijk risico voor anderen. Volgens het onderdeel bevestigt de rechtbank dat het in dit geval gaat om betrokkene zelf, maar gaat eraan voorbij dat het ernstig nadeel van de katatonie onvoldoende is om geen gevolg te geven aan een als wilsbekwaam beoordeeld verzet van betrokkene. De wetgever heeft de grens bij het honoreren van het wilsbekwaam verzet gelegd bij het voorkomen van acuut levensgevaar en niet bij een kans op ernstig nadeel. Of betrokkene de inschatting van het nadeel ten gevolge van zijn stoornis anders maakt, zoals de rechtbank overweegt is voor de toepassing van art. 2:1 lid 6 onder Pro b Wvggz niet relevant, aldus nog steeds het onderdeel.
Dit ernstig nadeel is gelegen in:
- levensgevaar;
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige materiele schade.”