Conclusie
eerste klachtkomen de opstellers van de schriftuur op tegen de motivering van de bewezenverklaring. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou niet kunnen volgen dat het om een machinegeweer ging en evenmin dat de verdachte wist dat het vuurwapen een machinegeweer betreft. De
tweede klachtis gericht tegen de strafmotivering en houdt in dat uit de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting niet (zonder meer) kan volgen dat sprake is van een ‘zwaar vuurwapen’, terwijl daaruit ook niet (zonder meer) blijkt dat de verdachte het vuurwapen op de openbare weg voorhanden heeft gehad. De
derde klachtkeert zich eveneens tegen ’s Hofs strafmotivering, nu deze niet zou voldoen aan de eisen die daaraan worden gesteld omdat het Hof in de strafmotivering feiten heeft betrokken waarvoor de verdachte op het moment van het wijzen van het arrest niet onherroepelijk was veroordeeld.
3 september 2020in beslag genomen voorwerp is een pistool van het merk Glock model 17 van het kaliber 9 mm met het serienummer [001] . Het aangeboden pistool is voorzien van zijn bijbehorende patroonhouder en zestien (16) scherpe patronen voorzien van het bodemstempel.
entot schieten gereed.
eerste klachtdie in het middel is geformuleerd, wordt allereerst betoogd dat de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig, althans onbegrijpelijk, is, aangezien de bewezenverklaring inhoudt dat de “verdachte een
pistoolvoorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat vuurwapen een
machinegeweerbetrof” en “een pistool en een geweer verschillende soorten vuurwapens zijn”. Voorts wordt aangevoerd dat “uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden hebben van het pistool wist dat het een machinegeweer betrof”.
wistdat dit wapen als zodanig valt aan te merken. Ik begin met de vraag naar de begrijpelijkheid van de aanduiding ‘machinegeweer’. Daarna ga ik in op het in de schriftuur gestelde gebrek aan wetenschap bij de verdachte dat het om een machinegeweer ging.
wistdat het om een automatisch vuurwapen ging. Het komt mij voor dat een dergelijk oordeel ook niet als kennelijk in de bewijsvoering van het Hof besloten liggend kan worden beschouwd, aangezien bewezenverklaard is dat de verdachte
een pistoolvoorhanden heeft gehad en, zonder nadere, doch ontbrekende, motivering niet valt in te zien dat uit het uiterlijk van dit pistool kan worden afgeleid dat met dit wapen automatisch kan worden geschoten. Zouden vaststellingen van het Hof over het uiterlijk van het pistool wel duidelijk maken dat het wordt aangemerkt als een automatisch vuurwapen, dan zou geredeneerd kunnen worden dat de verdachte met het voorhanden hebben van zo een wapen ook willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit wapen een machinegeweer betrof en dat de verdachte dit dan dus ook “wist”. [2]
strafverzwaringen als vereiste daarvoor geldt dat de verdachte “weet of redelijkerwijze moet vermoeden” dat het voorwerp dat hij voorhanden heeft een machinegeweer betreft. [4] Deze grond voor strafverzwaring heeft veel weg van de strafverzwarende omstandigheid die is opgenomen in het – vervallen – art. 12, tweede lid, Vuurwapenwet 1919 (oud) en is daar, indachtig het concordantiebeginsel, klaarblijkelijk naar gemodelleerd. [5] Dat brengt mee dat de toepasselijkheid van de in art. 11 Vuurwapenverordening Pro 1930 geformuleerde grond voor
strafverzwaringafhankelijk is van de vaststelling van de subjectieve gesteldheid van de verdachte – opzet of culpa – met betrekking tot de kenmerken van het aanwezige wapen. Als – zoals in de voorliggende zaak – is bewezenverklaard dat de verdachte “wist” dat het vuurwapen een machinegeweer betrof en niet dat hij dat “redelijkerwijs moest vermoeden”, dan zal (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de kwalificatie van het aanwezige pistool als machinegeweer uit de bewijsvoering moeten kunnen volgen. [6] Zoals ik echter al aangaf, kan in het onderhavige geval het voor
strafverzwaringvereiste opzet van de verdachte naar mijn oordeel niet voldoende uit de bewijsvoering worden afgeleid. [7]
strafverzwarendeonderdeel dat de verdachte “ten tijde van dat voorhanden hebben wist dat voornoemd vuurwapen een machinegeweer betrof”. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.