ECLI:NL:PHR:2022:518

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 mei 2022
Publicatiedatum
27 mei 2022
Zaaknummer
21/01284
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Vuurwapenverordening 1930Art. 12 Vuurwapenwet 1919 (oud)Art. 5 Vuurwapenverordening 1930Art. 3 Vuurwapenverordening 1930
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende motivering wetenschap verdachte over machinegeweer

De zaak betreft een verdachte die op 3 september 2020 te Curaçao werd betrapt met een Glock-pistool en zestien scherpe patronen. Het Hof had hem veroordeeld tot 60 maanden gevangenisstraf wegens overtreding van de Vuurwapenverordening 1930, met de strafverzwaring dat hij wist dat het vuurwapen een machinegeweer betrof.

De verdediging voerde aan dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd was, met name dat niet vaststond dat de verdachte wist dat het vuurwapen een machinegeweer was. De Hoge Raad concludeert dat de motivering van het Hof voor dit strafverzwarende onderdeel niet toereikend is, omdat niet uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte deze wetenschap had.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het Hof voor een nieuwe beoordeling. De overige klachten van de verdediging behoeven geen bespreking. De zaak draait om de vraag of het Hof voldoende heeft vastgesteld dat het vuurwapen een machinegeweer was en dat de verdachte dit wist, wat niet het geval is gebleken.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering dat verdachte wist dat het vuurwapen een machinegeweer was, en de zaak wordt terugverwezen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/01284 C
Zitting31 mei 2022
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
Geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder ook: het Hof) heeft bij vonnis van 4 maart 2021 het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht) van 21 oktober 2020 bevestigd, met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de straf en met vervanging van de door het Gerecht gebezigde bewijsoverweging. De verdachte is door het Hof veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden, met aftrek van de tijd die door de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, wegens “Overtreding van een bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 gesteld verbod, meermalen gepleegd”.
Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
II. Het middel
3. Het middel bevat drie klachten. Met de
eerste klachtkomen de opstellers van de schriftuur op tegen de motivering van de bewezenverklaring. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou niet kunnen volgen dat het om een machinegeweer ging en evenmin dat de verdachte wist dat het vuurwapen een machinegeweer betreft. De
tweede klachtis gericht tegen de strafmotivering en houdt in dat uit de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting niet (zonder meer) kan volgen dat sprake is van een ‘zwaar vuurwapen’, terwijl daaruit ook niet (zonder meer) blijkt dat de verdachte het vuurwapen op de openbare weg voorhanden heeft gehad. De
derde klachtkeert zich eveneens tegen ’s Hofs strafmotivering, nu deze niet zou voldoen aan de eisen die daaraan worden gesteld omdat het Hof in de strafmotivering feiten heeft betrokken waarvoor de verdachte op het moment van het wijzen van het arrest niet onherroepelijk was veroordeeld.
4. Het middel bespreek ik in onderdeel V. van deze conclusie. Eerst geef ik onder III. de tenlastelegging, bewezenverklaring, bewijsvoering en strafmotivering weer en onder IV. het verweer van de verdediging voor zover hier van belang.
III. Tenlastelegging, bewezenverklaring, bewijsvoering en strafmotivering
5. Zoals blijkt uit het deels bevestigde vonnis van het Gerecht van 21 oktober 2020 is (na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting) aan de verdachte onder meer tenlastegelegd:
“dat hij, op of omstreeks 3 September 2020 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een pistool (van het merk Glock /17; serienummer [001] ; kaliber 9x19 mm), in elk geval een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of zestien (16) scherpe patronen, in elk geval één of meerdere (scherpe) patronen, in elk geval munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 voorhanden heeft gehad, zulks terwijl hij, verdachte, ten tijde van dat voorhanden hebben wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat voornoemd (vuur)wapen een machinegeweer betrof; (artikel 5 j° 3 j° 11 van de Vuurwapenverordening 1930)”
6. Het Hof heeft – door het vonnis van het Gerecht in zoverre te bevestigen – ten laste van de verdachte bewezenverklaard:
“dat hij op 3 september 2020 te Curaçao een pistool (van het merk Glock /17; serienummer [001] ; kaliber 9x19 mm) en zestien (16) scherpe patronen voorhanden heeft gehad, zulks terwijl hij, verdachte, ten tijde van dat voorhanden hebben wist dat voornoemd (vuur)wapen een machinegeweer betrof;”
7. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van aanhouding op heterdaad verdachte [verdachte] van 4 september 2020, pagina 2, opgemaakt door agenten van het Korps Politie Curaçao, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] inhoudende als hun verklaring, zakelijk weergegeven:
Op donderdag 03 september 2020, bevonden wij verbalisanten op avonddienst in het opvallend dienstvoertuig "POLIS-91" belast met preventieve patrouille c.q. handhaving van het openbare en opsporen van strafbare feiten. Tijdens onze patrouille op de Orinocoweg zagen wij verbalisanten drie (3) voor ons onbekende mannen op een houten bank zitten die gedeeltelijk op de openbare weg komt. De mannen zaten op de kruising Yukonweg en Orinocoweg. Tijdens het verrichten van het onderzoek aan de kleding van de drie voor ons onbekende mannen werd niks vatbaar voor inbeslagname gevonden, wel had een van de personen een donker kleurige tas van het merk "Louis Vuitton" bij zich. De tas lag binnen een straal van 1 meter waarvan de persoon zat. In de tas trof ik verbalisant, [verbalisant 2] vuistvuurwapen van het merk "GLOCK". Het vuistvuurwapen had een zilver kleurige slede en een zwarte handvat. Verder zat ook een serie nummer op het vuurwapen. Serie nummer " [001] ". Deze werd in beslag genomen voor verder onderzoek. In de tas lag verschillende pasjes met pasfoto met de voorletters " [verdachte] " en achternaam " [verdachte] " erop en een som geld. De tas met het vuurwapen en de pasjes bleek later te zijn van de man genaamd: [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] en is woonachtig bij het adres [a-straat 1] .
2.
Het proces-verbaal, (verhoor verdachte [verdachte] ) van 4 september 2019, pagina 20 van het eindproces-verbaal, inhoudende de antwoorden op vragen door verbalisant [verbalisant 3] , Inspecteur bij het KPC:
OV: U toont mij thans een afbeelding van een zwartkleurig schouder tas aan.
VV: Herkent u deze tas?
AV: Ja.
VV: Van wie is deze tas?
AV: Ja, het is mijn tas.
3. Proces-verbaal forensisch onderzoek aan een op een vuurwapen gelijkend voorwerp van 2 oktober 2020, opgemaakt door [verbalisant 4] brigadier en forensisch rechercheur en getekend voor gezien door [verbalisant 5] , inspecteur bij het Korps Politie Curaçao, met als conclusie:
Aangeboden vuurwapen:
Het op woensdag
3 september 2020in beslag genomen voorwerp is een pistool van het merk Glock model 17 van het kaliber 9 mm met het serienummer [001] . Het aangeboden pistool is voorzien van zijn bijbehorende patroonhouder en zestien (16) scherpe patronen voorzien van het bodemstempel.
In verband met het bovenstaande feit werd de navolgende verdachte aangehouden:
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1996 en wonende op het adres [a-straat 1] .
Conclusie:
• Het voor onderzoek aangeboden pistool (aanbiedingsbrief 000837/2020) is een vuurwapen in de zin van het Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd.
• Het voor onderzoek aangeboden scherpe patronen is munitie in de zin van het Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd.
• Het voor onderzoek aangeboden pistool is deugdelijk
entot schieten gereed.
• Het pistool is voorzien van een vuur selecteer apparaat zodat het automatisch kan schieten. Dit pistool kan semiautomatisch als full automatisch schieten.
• Het pistool is voorzien van een inrichting aan de voorzijde van de loop die ervoor zorgt dat de mondingsvlam gedempt wordt.”
8. Het Hof heeft in het bestreden vonnis de volgende bewijsoverweging opgenomen:
“De verdachte heeft ontkend dat hij toen en daar dat pistool en die munitie voorhanden heeft gehad. Daartoe is door en namens hem aangevoerd dat die voorwerpen weliswaar door de politie bij gelegenheid van een onderzoek bij de andere spullen in zijn tas zijn aangetroffen, maar dat hij het niet is geweest die deze voorwerpen in die tas heeft gestopt, terwijl het hem ook anderszins aan enige wetenschap daaromtrent heeft ontbroken. Wat is gebeurd, is dat de verdachte die tas in de publieke ruimte, nabij een mangoboom open en bloot per ongeluk heeft achtergelaten toen hij die plek 's middags verliet om elders een aantal uren door te brengen. Toen hij 's avonds weer terugkwam op diezelfde plek heeft de politie in zijn aanwezigheid zijn ter plaatse aangetroffen tas op de inhoud daarvan onderzocht. Pas toen realiseerde de verdachte zich dat hij die tas gedurende vele uren onbeheerd daar had achtergelaten. Daarom kan het niet anders zijn dan dat een ander dat wapen en die munitie heimelijk in die tas heeft gestopt, aldus het relaas van de verdachte. Het Hof begrijpt de onderbouwing van het verweer aldus, dat het volgens zijn verklaring hem toen en daar niet alleen aan enige wetenschap over de aanwezigheid van die voorwerpen, maar bovendien aan feitelijke beschikkingsmacht daarover heeft ontbroken.
Het Hof gaat aan deze stelling voorbij, omdat het daaraan geen geloof hecht. Dit oordeel impliceert, dat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan de uitzondering op de regel moet worden aangenomen, inhoudend dat degene die zijn tas feitelijk tot zijn gebruik heeft, moet worden geacht bekend te zijn met de inhoud daarvan.
De door verdachte geschetste gang van zaken staat immers op zichzelf, en ontbeert iedere verankering in de stukken van het dossier. Daarbij komt, dat hij ervan heeft afgezien voor verificatie of falsificatie geschikte feiten aan te reiken, niet tijdens het voorbereidend onderzoek en evenmin ter terechtzitting. Aan dit oordeel doet niet af dat bij de stukken in het dossier zich niet ook een proces-verbaal bevindt, waaruit blijkt dat en met welk resultaat de twee mannen die zich nabij verdachte ophielden door de politie in het opsporingsonderzoek zijn betrokken.”
9. Met betrekking tot de strafoplegging heeft het Hof overwogen:
“Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft op de openbare weg een semi-automatisch vuurwapen voorhanden gehad. Een dergelijk zwaar wapen, in handen van een burger, is slechts geschikt om ernstige misdrijven mee te plegen. Illegaal vuurwapenbezit vormt een groot risico voor de maatschappelijke veiligheid van Curaçao, waar het bezit en gebruik van vuurwapens veelvuldig voorkomt en een groot maatschappelijk probleem vormt. Dit blijkt ook uit het grote aantal misdrijven dat hier met vuurwapens wordt gepleegd. Tegen het illegale bezit van vuurwapens dient daarom streng te worden opgetreden, zodat vanwege de afschrikkende werking van de strafrechtspleging een bijdrage wordt geleverd aan de preventie van dergelijke strafbare feiten.
Het Hof stelt vast dat het bovendien niet de eerste keer dat de verdachte vanwege vuurwapenbezit in contact is gekomen met politie en justitie. In 2019 is hij in Nederland tweemaal met politie en justitie in aanraking gekomen wegens verdenking ter zake van overtreding van de Wet Wapens en Munitie. In 2016 is hij veroordeeld tot een forse straf voor vuurwapenbezit. Het Hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij uit deze veroordeling geen lering heeft getrokken, maar nu opnieuw – terwijl hij na een verblijf in Nederland pas negen dagen terug was in Curaçao – in de fout is gegaan.
Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor het bezit van een zwaar vuurwapen waarbij sprake is van recidive – zoals gelet op de even bedoelde strafrechtelijke veroordeling hier aan de orde is – als indicatie gegeven een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden.
Het Hof heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, en het onderkent dat zijn detentie ook raakt aan de belangen van zijn jonge gezin. Echter, het ziet hierin geen aanleiding om in het voordeel van de verdachte af te wijken van voornoemde oriëntatiepunten.
Alles afwegende is het Hof tot het oordeel gekomen dat de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt in de door het Gerecht opgelegde straf. Het Hof is - met eenparigheid van stemmen - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 60 maanden met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.”
IV. Het verweer van de verdediging
10. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2021 blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte het woord heeft gevoerd overeenkomstig de inhoud van de in het dossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“16. Het is inderdaad zo dat cliënt in 2016 reeds is gestraft voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en in die zin is cliënt ook recidivist. De zaak die in Nederland loopt kan niet worden meegewogen omdat die straf niet onherroepelijk is. Zelfs indien Uw Hof cliënt schuldig acht en cliënt tevens als recidivist beschouwd dan is nog de door de eerste rechter opgelegde straf buitensporig hoog. Indien we immers naar de richtlijnen gaan kijken welke straffen worden opgelegd voor recidivisten dan zien we het volgende:
17. Voor het dragen van een vuurwapen op straat in een tas of op het lichaam wordt volgens de oriëntatiepunten van zowel Uw Hof als het Openbaar Ministerie voor een recidivist een gevangenisstraf opgelegd van 21-24 maanden onvoorwaardelijk. In casu is geen sprake van een zwaar vuurwapen. Het vuurwapen betreft immers een handvuurwapen en is niet een mitrailleur, handgranaat, bazooka, vlammenwerper, kanon of raketwerper zoals in de richtlijnen van het Openbaar Ministerie als zwaar vuurwapen wordt aangeduid.
18. Het is overigens in deze zaak nog maar de vraag of ervan uit kan worden gegaan dat hier sprake is van het dragen van een vuurwapen op straat. Immers heeft cliënt aangegeven dat hij naar het huis van zijn vriend [betrokkene 1] ging. De politie geeft aan dat de bank waarop cliënt zat "gedeeltelijk op de openbare weg stond". Blijkbaar was er dus een gedeelte van de bank die niet op de openbare weg stond en dus het huis van [betrokkene 1] betrof. Cliënt kan juist op dat gedeelte hebben gezeten. Daar komt nog bij dat de tas een meter verder lag. We weten niet of de tas misschien binnen de woning of erf of porch van [betrokkene 1] lag of niet. Nu hierover onduidelijkheid bestaat dient dit in het voordeel van cliënt uit te pakken en dient uit te gaan te worden van het voor cliënt meest voordelige scenario.
19. Op grond van hetgeen naar voren dient geconcludeerd te worden dat zelf indien u cliënt strafbaar acht, aan cliënt een veel te hoge straf is opgelegd. Ik verzoek Uw Hof rekening te houden met hetgeen naar voren gebracht en cliënt - indien u komt tot strafoplegging - een substantieel lagere straf op te leggen.”
11. Voormeld proces-verbaal houdt voorts het volgende in:
“De procureur-generaal repliceert als volgt:
Het in beslag genomen wapen ziet er weliswaar op het eerste gezicht niet uit als een zwaar wapen, maar is dat wel. Door een hendeltje te verschuiven, wordt het een automatisch wapen. Het wapen is vergelijkbaar met een mitrailleur. Dergelijke wapens worden in Curaçao regelmatig in beslag genomen in onderzoeken naar ernstige strafbare feiten.
[…]
De raadsvrouw dupliceert als volgt:
Het openbaar ministerie heeft geen bewijs geleverd dat het in beslag genomen vuurwapen moet worden gekwalificeerd als een zwaar wapen.”
V. De bespreking van het middel
12. In de toelichting op de
eerste klachtdie in het middel is geformuleerd, wordt allereerst betoogd dat de bewezenverklaring innerlijk tegenstrijdig, althans onbegrijpelijk, is, aangezien de bewezenverklaring inhoudt dat de “verdachte een
pistoolvoorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat vuurwapen een
machinegeweerbetrof” en “een pistool en een geweer verschillende soorten vuurwapens zijn”. Voorts wordt aangevoerd dat “uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden hebben van het pistool wist dat het een machinegeweer betrof”.
13. Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – het volgende vastgesteld. Op 3 september 2020 werd de verdachte met twee anderen op een houten bank aangetroffen door patrouillerende agenten. Nadat de verdachte aan zijn kleding was onderzocht, werd in een tas gekeken die bij de verdachte lag. In die tas werden het in de bewezenverklaring bedoelde vuurwapen en de munitie aangetroffen tezamen met verschillende pasjes met daarop de pasfoto en de voorletters en achternaam van de verdachte. De verdachte heeft tijdens een politieverhoor verklaard dat een getoonde zwartkleurige schoudertas – klaarblijkelijk de tas waarin het vuurwapen is aangetroffen – zijn tas is.
14. Het Hof heeft geoordeeld dat het geen geloof hecht aan de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte die, kort gezegd, inhoudt dat de verdachte de tas per ongeluk nabij een mangoboom open en bloot een aantal uren heeft achtergelaten, dat het niet anders kan zijn dan dat iemand anders dan hij heimelijk in die tas het wapen en die munitie heeft gestopt en dat het hem derhalve aan feitelijke beschikkingsmacht en wetenschap over de aanwezigheid van het wapen en munitie heeft ontbroken. De begrijpelijkheid van dit – van een nadere motivering voorziene – oordeel van het Hof wordt in cassatie niet betwist, zodat ik het hier bij de weergave van dit oordeel laat.
15. Op basis van de hiervoor weergegeven vaststellingen en het kennelijke oordeel van het Hof dat de door de verdachte voorgespiegelde gang van zaken als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven, heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte – als feitelijke gebruiker van de tas – bekend was met de inhoud van die tas. In de bewijsvoering ligt aldus als oordeel van het Hof besloten dat de verdachte het in zijn tas aangetroffen vuurwapen, dat zich op het moment van aantreffen ook in zijn directe nabijheid bevond, voorhanden heeft gehad. Tegen dit oordeel van het Hof wordt in cassatie evenmin opgekomen, zodat ik hier ook met enkel de weergave van dit deel van de bewijsvoering van het Hof volsta.
16. Waar het in cassatie om draait is de vraag of begrijpelijk is dat het Hof op basis van de bewijsvoering heeft geoordeeld dat het bewezenverklaarde vuurwapen dat de verdachte voorhanden had een machinegeweer betreft én dat de verdachte ook
wistdat dit wapen als zodanig valt aan te merken. Ik begin met de vraag naar de begrijpelijkheid van de aanduiding ‘machinegeweer’. Daarna ga ik in op het in de schriftuur gestelde gebrek aan wetenschap bij de verdachte dat het om een machinegeweer ging.
17. Het oordeel van het Hof dat het in de bewezenverklaring bedoelde vuurwapen een machinegeweer betreft, is klaarblijkelijk gestoeld op hetgeen in bewijsmiddel 3 is vervat. In dat bewijsmiddel is als bevinding van de forensisch rechercheur onder meer opgenomen dat het aangeboden pistool van het merk Glock model 17 van het kaliber 9 mm met het serienummer [001] is voorzien van een vuur selecteer apparaat zodat het automatisch kan schieten, en dat dit pistool semiautomatisch en full automatisch kan schieten. Tegen de in het gebezigde bewijsmiddel 3 besloten liggende vaststelling van het Hof dat het in de bewezenverklaring bedoelde vuurwapen automatisch kan schieten, zijn geen cassatieklachten gericht. In het licht van deze vaststellingen, en bij het ontbreken van een in hoger beroep gevoerd verweer dat specifiek is gericht op de betwisting dat het aangetroffen vuurwapen valt aan te merken als een machinegeweer, acht ik niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft bewezenverklaard dat het automatische vuurwapen dat de verdachte voorhanden had een machinegeweer betrof. Daarbij neem ik in aanmerking dat het bewezenverklaarde vuurwapen dat de verdachte voorhanden had naar mijn inzicht ook volgens het normale spraakgebruik als een machinegeweer kan worden aangeduid, aangezien een machinegeweer volgens het woordenboek Van Dale wordt gedefinieerd als “een automatisch, snelvurend wapen”. [1]
18. Dan de kwestie of voldoende uit de bewijsvoering van het Hof kan worden afgeleid dat, zoals het Hof heeft bewezenverklaard, de verdachte ten tijde van het voorhanden hebben van het vuurwapen wist dat het vuurwapen een machinegeweer betrof. Naar mijn oordeel is dit niet het geval. Noch de bewijsmiddelen, noch de nadere bewijsoverweging van het Hof bevatten immers vaststellingen die direct grond bieden voor het oordeel dat de verdachte
wistdat het om een automatisch vuurwapen ging. Het komt mij voor dat een dergelijk oordeel ook niet als kennelijk in de bewijsvoering van het Hof besloten liggend kan worden beschouwd, aangezien bewezenverklaard is dat de verdachte
een pistoolvoorhanden heeft gehad en, zonder nadere, doch ontbrekende, motivering niet valt in te zien dat uit het uiterlijk van dit pistool kan worden afgeleid dat met dit wapen automatisch kan worden geschoten. Zouden vaststellingen van het Hof over het uiterlijk van het pistool wel duidelijk maken dat het wordt aangemerkt als een automatisch vuurwapen, dan zou geredeneerd kunnen worden dat de verdachte met het voorhanden hebben van zo een wapen ook willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit wapen een machinegeweer betrof en dat de verdachte dit dan dus ook “wist”. [2]
19. Opmerking verdient echter dat – anders dan het geval zou zijn bij een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een als categorie II, onderdeel 2° aangeduid “vuurwapen, geschikt om automatisch mee te vuren” in de zin van art. 2, eerste lid, Wet Wapens en Munitie (hierna: WWM) – voor een toereikend gemotiveerde bewezenverklaring van het tenlastegelegde in de onderhavige zaak is vereist dat uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het voorhanden hebben van een vuurwapen met bepaalde kenmerken. [3] Blijkens de tenlastelegging is het tenlastegelegde in de voorliggende zaak toegesneden op onder meer art. 11 Vuurwapenverordening Pro 1930. Daarbij gaat het om een
strafverzwaringen als vereiste daarvoor geldt dat de verdachte “weet of redelijkerwijze moet vermoeden” dat het voorwerp dat hij voorhanden heeft een machinegeweer betreft. [4] Deze grond voor strafverzwaring heeft veel weg van de strafverzwarende omstandigheid die is opgenomen in het – vervallen – art. 12, tweede lid, Vuurwapenwet 1919 (oud) en is daar, indachtig het concordantiebeginsel, klaarblijkelijk naar gemodelleerd. [5] Dat brengt mee dat de toepasselijkheid van de in art. 11 Vuurwapenverordening Pro 1930 geformuleerde grond voor
strafverzwaringafhankelijk is van de vaststelling van de subjectieve gesteldheid van de verdachte – opzet of culpa – met betrekking tot de kenmerken van het aanwezige wapen. Als – zoals in de voorliggende zaak – is bewezenverklaard dat de verdachte “wist” dat het vuurwapen een machinegeweer betrof en niet dat hij dat “redelijkerwijs moest vermoeden”, dan zal (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de kwalificatie van het aanwezige pistool als machinegeweer uit de bewijsvoering moeten kunnen volgen. [6] Zoals ik echter al aangaf, kan in het onderhavige geval het voor
strafverzwaringvereiste opzet van de verdachte naar mijn oordeel niet voldoende uit de bewijsvoering worden afgeleid. [7]
20. Gelet op het vorenstaande, acht ik de bewezenverklaring niet zonder meer toereikend gemotiveerd wat betreft het
strafverzwarendeonderdeel dat de verdachte “ten tijde van dat voorhanden hebben wist dat voornoemd vuurwapen een machinegeweer betrof”. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.
21. Dat moet, naar het mij voorkomt, tot cassatie leiden, aangezien het Hof, door een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 60 maanden, onmiskenbaar is uitgegaan van het strafmaximum van zes jaren dat van toepassing is indien zich de in art. 11 Vuurwapenverordening Pro 1930 geformuleerde strafverzwaringsgrond voordoet.
VI. Slotsom
22. Nu het middel in zoverre slaagt en de bestreden uitspraak reeds om die reden niet in stand kan blijven, behoeven de tweede en de derde klacht van het middel geen bespreking. In het geval de Hoge Raad anders mocht oordelen over de eerste klacht en behoefte heeft aan een aanvullende conclusie waarin de andere klachten alsnog worden besproken, zal ik daartoe overgaan.
23. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Bij zijn oordeel dat een vuurwapen een machinegeweer is in de zin van art. 12 van Pro de – vervallen – Vuurwapenwet 1919 kan de rechter, zo meen ik uit HR 21 december 1948, ECLI:NL:HR:1948:122,
2.Volgens De Hullu betreft het bestanddeel ‘wetende dat’ een algemene en gewone uitdrukking van het opzet waarvoor voorwaardelijk opzet in beginsel voldoende is; zie J. de Hullu,
3.Uit HR 31 maart, ECLI:NL:HR:2020:507,
4.Art. 11 VERORDENING Pro van den 4den januari 1930, houdende nadere voorzieningen op het stuk van wapenen en munitie, P.B. 1931, no. 80 luidt onder meer: “Hij, die een bij of krachtens deze verordening gesteld verbod, overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste tienduizend gulden. Indien echter, naar hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden, enig voorwerp met betrekking tot hetwelk het feit wordt begaan is een bom, een handgranaat of een dergelijk voor ontploffing of voor het verspreiden van verstikkende of vergiftige gassen bestemd wapen, een vlammenwerper, een kanon, een machinegeweer of een onderdeel van een dier vuurwapenen, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van ten hoogste vijfentwintig duizend gulden opgelegd”. Ik merk op dat, anders dan in art. 12 Vuurwapenwet Pro 1919 (oud), zoals die bepaling luidde sinds de op 1 juli 1970 in werking getreden wijziging daarvan (zie
5.Art. 12 Vuurwapenwet Pro 1919 (oud) luidde sinds de inwerkingtreding op 6 augustus 1919 (
6.Volgens Knigge valt onder de in art. 12 Vuurwapenwet Pro 1919 (oud) opgenomen bewoordingen ‘redelijkerwijs moeten weten’ (kennelijk is hier gedoeld op “redelijkerwijs moet vermoeden”) ook onbewuste schuld; zie G. Knigge, ’Delicten I: het voorhanden hebben van wapens en munitie’, in: D.H. de Jong & H.G.M. Krabbe,
7.Het in de bestreden uitspraak inlezen van het oordeel dat in plaats van de wetenschap van de verdachte het Hof heeft bedoeld bewezen te verklaren dat de verdachte ‘redelijkerwijs moest vermoeden’ dat het wapen een machinegeweer betrof, gaat mij een stap te ver.