ECLI:NL:PHR:2022:475

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 maart 2022
Publicatiedatum
16 mei 2022
Zaaknummer
21/02472
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in beklag tegen beslag op telefoons

De zaak betreft een beklag van klager tegen het beslag op twee mobiele telefoons die in het kader van een strafzaak waren ingenomen. Klager was veroordeeld wegens het bezit en vervaardigen van kinder- en dierenpornografische afbeeldingen, waarbij het vonnis van de strafrechter geen beslissing over het beslag bevatte.

Klager diende op 13 april 2021 een klaagschrift in op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, waarin hij verzocht het beslag op zijn telefoons op te heffen en terug te geven. De rechtbank Gelderland verklaarde het klaagschrift ontvankelijk maar ongegrond.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad merkte ambtshalve op dat het klaagschrift meer dan drie maanden na het einde van de strafzaak was ingediend, waardoor de rechtbank klager niet-ontvankelijk had moeten verklaren op grond van artikel 552a lid 3 Sv. De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en verklaart klager niet-ontvankelijk, zonder inhoudelijk op het middel in te gaan.

Uitkomst: Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van het klaagschrift.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/02472 B
Zitting22 maart 2022
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de klager.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft bij beschikking van 17 mei 2021 het klaagschrift van de klager strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan hem van twee onder hem in beslag genomen telefoons ongegrond verklaard.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. Mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld, dat zich richt tegen de ongegrondverklaring van het klaagschrift.

2.Ambtshalve beoordeling van de bestreden beschikking

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De klager is door de rechtbank veroordeeld wegens (een gewoonte maken van) het bezitten, vervaardigen en middels een geautomatiseerd werk en communicatiedienst zich toegang verschaffen van kinder- en dierenpornografische afbeeldingen. In het kader van deze strafzaak zijn twee mobiele telefoons (Samsung S6 en Samsung S9) in beslag genomen. De strafrechter heeft in het vonnis geen beslissing genomen over het beslag. Het vonnis bevindt zich in het dossier dat is toegezonden aan de Hoge Raad en dateert van 25 juni 2020. Uit namens mij ingewonnen inlichtingen volgt dat tegen dit vonnis geen rechtsmiddel is ingediend. Op 13 april 2021 [1] is namens de klager op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft de klager ontvankelijk geacht en het beklag ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiermee miskend dat ex art. 552a lid 3 Sv een ingediend klaagschrift niet-ontvankelijk is als het wordt ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sinds de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Nu de strafzaak tegen de klager is geëindigd op 9 juli 2020 en het klaagschrift is ingediend op 13 april 2021, had de rechtbank de klager niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn beklag. [2]
2.3.
Ik zal dan ook concluderen dat de Hoge Raad zal doen wat de rechtbank had behoren te doen, zodat ik niet toekom aan een inhoudelijke bespreking van het middel.

3.Conclusie

3.1.
Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en dat de Hoge Raad klager niet-ontvankelijk zal verklaren in het beklag.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De ondertekening van het klaagschrift met 13 april 2020 doet anders vermoeden, maar de begeleidende e-mail van 13 april 2021, de inhoud van het klaagschrift en overige stukken in het dossier laten zien dat het 13 april 2021 is geweest.
2.Vgl. HR 24 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1482.