Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Daarnaast merkt de rechtbank op dat hetgeen de raadsman heeft gesteld over de wijze waarop de herkenningen volgens hem tot stand zouden zijn gekomen, namelijk dat “het voor de hand ligt dat men eerst de - op de beelden duidelijk zichtbare – medeverdachte heeft herkend en vervolgens bij de herkenning van verdachte heeft gevist uit een vijver met bekenden van deze medeverdachte”, niet is onderbouwd.Het hof vult deze overweging als volgt aan. Het hof is van oordeel dat hetgeen de raadsman heeft gesteld, in het licht van hetgeen zichtbaar is op de beelden in het dossier en de door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] genoemde kenmerken, niet maakt dat de herkenning van de verdachte onbetrouwbaar is. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat beide verbalisanten in het kader van hun functies als jeugdagent en wijkagent verdachte vaker hebben gezien en regelmatig contact met hem hadden.
De rechtbank leidt uit voornoemde bewijsmiddelen af dat de medeverdachte [betrokkene 4] verdachte niet alleen heeft opgehaald van school, zijn jas heeft geleend, naast het slachtoffer is gaan rijden en vaart heeft geminderd in de nabijheid van het slachtoffer, waardoor verdachte de kans kreeg om het slachtoffer van zijn fiets te duwen of te trappen teneinde hem te beroven van zijn horloge.Het hof is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld of de verdachte of de medeverdachte degene is geweest die het slachtoffer van zijn fiets heeft geduwd of getrapt, maar wel dat één van hen dit heeft gedaan. Dit doet echter geen afbreuk aan de conclusie dat het feit in vereniging is gepleegd, nu naar het oordeel van het hof in beide gevallen sprake is van medeplegen.”