Bewezenverklaring en bewijsvoering
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 22 mei 2012 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 8790 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II”
5. Deze bewezenverklaring heeft het hof doen steunen op de bewijsmiddelen zoals in de aanvulling op het bestreden arrest opgenomen. Gelet op de inhoud van de voorgestelde cassatiemiddelen komt het mij voor dat het niet nodig is al deze (deels omvangrijke) bewijsmiddelen hier weer te geven. Ik volsta met aanhaling van de navolgende bewijsmiddelen (voor zover van belang):
“7. Het proces-verbaal van stemherkenning [verdachte] d.d. 24 mei 2012 (pagina’s 677-678) inhoudende – zakelijk weergegeven – het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
(pagina 677)
Op dinsdag 22 mei 2012, tussen 05.20 uur en 05.25 uur, werden, naar aanleiding van het onderzoek 23BM1108 meerdere verdachten aangehouden in Nederland en Duitsland. Onder de in Nederland aangehouden verdachten bevond zich onder andere een verdachte genaamd: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1982.
Ik, verbalisant, was op woensdag 23 mei 2012 belast met het verhoor van de verdachte [verdachte] .
(pagina 678)
Op woensdag 23 mei 2012, werd, tijdens het verhoor, door de tolk met tolkennummer TLK00092, de stem van de verdachte [verdachte] beluisterd.
De tolk gaf aan, dat de stem van [verdachte] , dezelfde stem betreft als de gebruiker van het mobiele telefoonnummer 06- [telefoonnummer 1] en de stem van de gebruiker van het mobiele telefoonnummer 06- [telefoonnummer 2] .
Met betrekking tot de beide hier boven genoemde telefoonnummers kan gezegd worden, dat er gesprekken hebben plaatsgevonden met de getapte nummers binnen het onderzoek 23BM1108.
[…]
16. Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte d.d. 24 mei 2012 (pagina’s 1875 - 1884), voor zover inhoudende de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] :
[…]
V: Op 21 mei 2012 omstreeks 17.45 uur krijg jij een sms-bericht van het gsm-nummer 06- [telefoonnummer 2] . Van wie is dit telefoonnummer?
A: Dat is [verdachte] . Hij is een hele goede vriend.
V: Hij wordt in de afgeluisterde tapgesprekken [bijnaam] genoemd. Waarom?
A: [bijnaam] wordt iemand genoemd als het een goede vriend is. Het is geen echte naam.
(pagina 1880)
V: Wij weten dat [bijnaam] mogelijk de aangehouden [verdachte] is. Wat kun je hierover verklaren. A: Ik weet dat ook die [verdachte] is aangehouden.
[…]
17. Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte d.d. 31 mei 2012 (pagina’s 1035-1042, met in de bijlage twee foto’s op pagina’s 1044 en 1045), voor zover inhoudende de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] :
[…]
V: Hoe ben je die nacht naar huis gekomen?
We hebben het nu over die nacht dat jij bent aangehouden.
A: Ik heb [bijnaam] gebeld. [bijnaam] heeft mij gebeld en hij heeft me naar huis gebracht.
V: Wie is [bijnaam]?
A: [bijnaam] is [verdachte] . Hij woont op de [a-straat] in [plaats] .
18. Het proces-verbaal van aanhouding van [medeverdachte 1] d.d. 22 mei 2012 (pagina’s 1003 - 1005), voorzover inhoudende de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
(pagina 1003)
Op dinsdag 22 mei 2012 te 05:20 uur, hielden wij, verbalisanten, op de locatie [b-straat 1] , [postcode] [plaats] a|s verdachte aan:
Achternaam: [medeverdachte 1]
Voornamen: [medeverdachte 1]
Geboren: [geboortedatum] 1978
Bevindingen
Op dinsdag 22 mei 2012 omstreeks 05.10 uur waren wij belast met de noodhulpsurveillance voor het bewakingsgebied van de politie Peel en Maas binnen de politieregio Limburg-Noord. Op genoemde dag en tijd werden wij gebeld door een collega van de recherche. Hij deelde ons mede om naar camping [A] te [plaats] te rijden. Aldaar zouden zich een of meerdere verdachten kunnen ophouden die betrokken zouden zijn geweest bij een overtreding van de Opiumwet. De verdachte [medeverdachte 1] zou zich vermoedelijk ophouden in huisje nummer [001] op camping [A] te [plaats], dan wel daarnaartoe onderweg zijn. Omstreeks 05.13 uur reden wij op de toegangsweg naar camping [A]. Wij zagen dat voor ons een Ford Fiësta reed, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken]. Bij navraag bij de regionale meldkamer bleek deze op naam te staan van ene [verdachte] . Wij zagen dat er twee personen in dit voertuig zaten. Wij zagen dat het voertuig bij de slagboom bij de ingang van camping [A] stopte. Wij zagen dat er een manspersoon uitstapte. Wij zagen dat deze persoon een witte trui, een witte broek, een rode bodywarmer en blauwe gymschoenen droeg. Wij zagen dat deze persoon een Turks uiterlijk had. Hij voldeed daarmee aan het door de recherche opgegeven signalement. Wij zagen dat deze persoon met stevige pas de camping opliep.
Wij (pagina 1004) volgden de persoon te voet de camping op en hielden deze even verderop staande. Wij vorderden inzage van zijn legitimatiebewijs. Wij hoorden de verdachte zeggen dat hij geen legitimatiebewijs bij zich had, maar dat dit in de auto van zijn broer lag die net was weggereden. Desgevraagd belde hij zijn broer en vroeg deze in de Turkse taal om terug te komen. Wij liepen met de verdachte terug naar de ingang van de camping. Aldaar zagen wij de Ford Fiësta terug komen rijden. Wij zagen dat de verdachte aan de bijrijderszijde het portier opende en een Nederlands rijbewijs aangereikt kreeg van de bestuurder. Desgevraagd overhandigde de verdachte het rijbewijs aan mij, verbalisant [verbalisant 2] . Ik zag dat de foto op het rijbewijs niet overeenkwam met de verdachte die voor mij stond. Ik zag dat dit rijbewijs op naam stond van [verdachte] , geboren op [geboortedatum]-1982 te [geboorteplaats]. Op datzelfde moment ontving ik, verbalisant [verbalisant 3] , een email van de rechercheur met de foto van de verdachte [medeverdachte 1] . Ik herkende hierop de verdachte die wij hadden staande gehouden. Hierop liet ik deze foto aan verbalisant [verbalisant 2] zien. Ik verbalisant [verbalisant 2] zag dat het dezelfde persoon was als de persoon die we staande hadden gehouden. Hierop deelde ik de verdachte mede dat hij was aangehouden op verdenking van het overtreden van de Opiumwet. Wij, verbalisanten, zagen dat de verdachte [medeverdachte 1] in de auto plaatsnam op de bijrijdersstoel van de Ford Fiësta. Wij bevolen verdachte [medeverdachte 1] uit te stappen, waaraan hij voldeed. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , beval de verdachte samen met mij naar ons opvallende politievoertuig te lopen en achterin het voertuig plaats te nemen. Op datzelfde moment heb ik, verbalisant [verbalisant 3] , de bestuurder van de vernoemde Ford Fiësta als verdachte aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet.”
6. De bewijsoverwegingen van het hof houden het volgende in (met weglating van een voetnoot):
“De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is primair in de kern het volgende aangevoerd.
[…]
Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat indien het hof niet overgaat tot bewijsuitsluiting er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de betrokkenheid van verdachte bij het drugstransport. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat onvoldoende vast is komen te staan dat ‘[bijnaam]’ verdachte is geweest. Indien het hof wel vaststelt dat ‘[bijnaam]’ verdachte is, dan komt verdachte slechts vijfmaal voor in de tapgesprekken. In deze tapgesprekken is te horen dat ‘[bijnaam]’ afspraken maakt met [medeverdachte 1] om hem op te halen. Het enkel ophalen van iemand zegt volgens de verdediging nog niets over het medeplegen van het drugstransport. Nu [medeverdachte 1] illegaal in Nederland was, is het waarschuwen voor de politie niet raar. Indien het hof het ophalen van [medeverdachte 1] een bijdrage vindt aan het tenlastegelegde feit, dan is naar het oordeel van de verdediging geen sprake van een wezenlijke bijdrage aan het strafbare feit.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Medeplegen uitvoer hennep
Het hof stelt voorop dat voor medeplegen noodzakelijk is dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met (een) ander(en), gericht op het voltooien van het delict. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan daarvan sprake zijn. Vereist is dan wel dat de materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit van voldoende gewicht is. Voor de beantwoording van de vraag of verdachtes bijdrage in zoverre voldoende zwaarwegend is geweest, kan worden gekeken naar onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte betrokken was als medepleger bij de uitvoer van ongeveer 8790 gram hennep naar Duitsland in de vroege ochtend van 22 mei 2012. De hennep werd in de kofferruimte van een BMW met Duits kenteken aangetroffen, nadat deze BMW in Duitsland werd staande gehouden na het passeren van de grens met Nederland. Verdachte was betrokken in de aanloop naar het transport en was aanwezig rondom de levering en bij de begeleiding van het transport naar Duitsland. In de tapgesprekken is - weliswaar veelal in versluierd taalgebruik - veelvuldig gesproken over de aanloop naar de drugstransactie en het verloop van dit transport. Ook verdachte is op enig moment die ochtend over de tap gekomen. De persoon genoemd ‘[bijnaam]’ is verdachte geweest. Zo is het telefoonnummer behorende bij ‘[bijnaam]’ volgens medeverdachte [medeverdachte 1] van verdachte en wordt verdachte door [medeverdachte 1] ‘[bijnaam]’ genoemd. ‘[bijnaam]’ zegt voorts in een opgenomen tapgesprek wat zijn geboortedatum en geboorteplaats is. Dit alles komt overeen met de gegevens van verdachte. Daarenboven is de stem van verdachte herkend. Het hof is dan ook van oordeel dat gelet op het vorenstaande het niet anders kan zijn dan dat verdachte de betreffende ‘[bijnaam]’ is geweest.
Gelet op het feit dat het hof van oordeel is dat ‘[bijnaam]’ verdachte is, kan het hof voorts uit de gebezigde bewijsmiddelen afleiden dat verdachte medeverdachte [medeverdachte 1] op 22 mei 2012 heeft opgehaald en thuis heeft gebracht. Uit het gesprek dat verdachte omstreeks 04.06 uur die ochtend had met [medeverdachte 1] kan het hof afleiden dat verdachte niet alleen betrokken was bij het ophalen van [medeverdachte 1] , maar ook dat hij weet had van het drugstransport. Verdachte laat namelijk weten “dat hij bij de BP is, dat hij daar langs is geweest en dat alles schoon was”. Vervolgens belt [medeverdachte 1] verdachte met de mededeling “dat hij erg langzaam moet rijden, zodat hij ook rond kan kijken”. Verdachte is voorts degene die op zijn beurt [medeverdachte 1] waarschuwt voor “ooms” (het hof begrijpt: politie). Hetgeen namens de verdachte is aangevoerd, namelijk dat [medeverdachte 1] illegale verblijf in Nederland, reden was om alert te zijn op de aanwezigheid van de politie acht het hof niet geloofwaardig in de context waarin die uitlatingen zijn gedaan. Verdachte heeft geen enkele redengevende verklaring gegeven voor zijn deelname aan en de inhoud van de tapgesprekken die nacht. Verdachte ontkent iedere betrokkenheid, terwijl uit de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien verdachte een duidelijke rol vervulde. Immers, wanneer de tapgesprekken naast de observaties van de politie en de verklaringen van [medeverdachte 1] en de twee Duitsers worden gelegd, volgt daaruit dat verdachte in de vroege ochtend van 22 mei 2012, net als medeverdachten [betrokkene 1] en [medeverdachte 2], samen met medeverdachte [medeverdachte 1] op pad ging en nauw contact met hem onderhield. Dit terwijl [medeverdachte 1] tegelijkertijd contact had met (een van) de Duitse afnemers van de hennep en medeverdachte [betrokkene 1] omtrent de transactie van de hennep en het transport van de hennep. De hennep werd overgedragen in de woning van [medeverdachte 1] met bestemming Duitsland. Verdachte deed op zijn beurt contra-observaties en waarschuwde voor de politie op de uitvoerroute van Nederland naar Duitsland. Het hof is dan ook van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat de verdachte, mede gezien zijn observaties bij de tankstations, de uitvoer naar Duitsland mede heeft gerealiseerd.
Verdachte, wetende van de hoed en de rand, bestuurde op de pleegdatum een van de auto’s, naar eigen zeggen de groene Ford Fiësta van zijn zus, die de Duitse BMW met daarin de hennep, fysiek naar Duitsland begeleidde. Aldus kan de verdachte naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als een van de medeplegers van de tenlastegelegde drugssmokkel.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.”