ECLI:NL:PHR:2022:1165

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 december 2022
Publicatiedatum
12 december 2022
Zaaknummer
21/01728
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 onder C OpiumwetArt. 27 SrArt. 435 SvArt. 437 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-indienen middelen van cassatie in cocaïnezaak

De verdachte is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 108 dagen gevangenisstraf wegens opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet, betreffende het bezit van cocaïne. Tevens werd de teruggave van een inbeslaggenomen geldbedrag gelast en een vordering tot herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen.

Het cassatieberoep werd ingesteld, maar de verdachte heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van twee maanden na betekening van de aanzegging schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend bij de Hoge Raad. De aanzegging werd op 11 april 2022 betekend, maar ondanks meerdere pogingen om de gerechtelijke brief aan het adres van de verdachte te bezorgen, werd deze niet aangenomen.

Op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is het verplicht om binnen de termijn de middelen in te dienen, op straffe van niet-ontvankelijkheid. Omdat dit niet is gebeurd, concludeert de Procureur-Generaal dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. Deze conclusie werd op 13 december 2022 aan de Hoge Raad voorgelegd.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01728
Zitting13 december 2022

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 9 maart 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot 108 dagen gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft voorts de teruggave gelast van een inbeslaggenomen geldbedrag en een vordering tot herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/01003 en 21/01220. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 11 april 2022 betekend. De gerechtelijke brief is uitgereikt aan een medewerker van het parket van de Procureur-Generaal. Zij is op 22 en 29 maart 2022 (en naar ik begrijp ook op 5 april 2002) aangeboden aan het adres [a-straat 1], [postcode] [plaats], alwaar volgens de akte van uitreiking niemand aanwezig of bereid was om de brief aan te nemen. Uit de BRP-bevraging van 11 april 2022 blijkt dat dit adres sinds 25 november 2014 het BRP-adres van verdachte is.
Art. 437, tweede lid, Sv bepaalt dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is binnen twee maanden nadat de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur houdende zijn middelen van cassatie te doen indienen. Nu dit voorschrift niet in acht is genomen kan de verdachte niet in het beroep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG