ECLI:NL:PHR:2022:1165
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-indienen middelen van cassatie in cocaïnezaak
De verdachte is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 108 dagen gevangenisstraf wegens opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet, betreffende het bezit van cocaïne. Tevens werd de teruggave van een inbeslaggenomen geldbedrag gelast en een vordering tot herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen.
Het cassatieberoep werd ingesteld, maar de verdachte heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van twee maanden na betekening van de aanzegging schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend bij de Hoge Raad. De aanzegging werd op 11 april 2022 betekend, maar ondanks meerdere pogingen om de gerechtelijke brief aan het adres van de verdachte te bezorgen, werd deze niet aangenomen.
Op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is het verplicht om binnen de termijn de middelen in te dienen, op straffe van niet-ontvankelijkheid. Omdat dit niet is gebeurd, concludeert de Procureur-Generaal dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. Deze conclusie werd op 13 december 2022 aan de Hoge Raad voorgelegd.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.