ECLI:NL:PHR:2022:1061

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 2022
Publicatiedatum
14 november 2022
Zaaknummer
21/02071
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken middelen van cassatie

De verdachte is door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens medeplegen van valsheid in geschrift en medeplegen van opzettelijk gebruik van een vals geschrift, conform artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De opgelegde straf bestond uit 120 uren taakstraf, subsidiair 60 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het cassatieberoep werd ingesteld door de verdachte, waarbij op grond van artikel 435, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering een aanzegging is betekend op een adres waar de verdachte sinds 1998 staat ingeschreven. Volgens artikel 437, tweede lid, Sv is het verplicht dat binnen twee maanden na deze aanzegging schriftuur houdende de middelen van cassatie wordt ingediend bij de Hoge Raad.

De verdachte heeft echter niet voldaan aan deze verplichting, waardoor het cassatieberoep niet ontvankelijk kan worden verklaard. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt dan ook tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. Er is tevens sprake van samenhang met andere zaken die op dezelfde zitting worden behandeld.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van schriftuur houdende middelen van cassatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/02071
Zitting15 november 2022

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 30 april 2021 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens ‘medeplegen van valsheid in geschrift en medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst’ veroordeeld tot 120 uren taakstraf subsidiair 60 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/01944, 21/02051 en 21/05032. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 4 maart 2022 op het adres [a-straat 1], [postcode] [plaats] betekend. Uit een BRP bevraging op 8 juli 2022 blijkt dat de verdachte ingaande 6 februari 1998 is ingeschreven op dit adres.
Art. 437, tweede lid, Sv bepaalt dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is binnen twee maanden nadat de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur houdende zijn middelen van cassatie te doen indienen. Nu dit voorschrift niet in acht is genomen kan de verdachte niet in het beroep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG