ECLI:NL:PHR:2022:1061
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken middelen van cassatie
De verdachte is door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens medeplegen van valsheid in geschrift en medeplegen van opzettelijk gebruik van een vals geschrift, conform artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De opgelegde straf bestond uit 120 uren taakstraf, subsidiair 60 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Het cassatieberoep werd ingesteld door de verdachte, waarbij op grond van artikel 435, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering een aanzegging is betekend op een adres waar de verdachte sinds 1998 staat ingeschreven. Volgens artikel 437, tweede lid, Sv is het verplicht dat binnen twee maanden na deze aanzegging schriftuur houdende de middelen van cassatie wordt ingediend bij de Hoge Raad.
De verdachte heeft echter niet voldaan aan deze verplichting, waardoor het cassatieberoep niet ontvankelijk kan worden verklaard. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt dan ook tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. Er is tevens sprake van samenhang met andere zaken die op dezelfde zitting worden behandeld.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van schriftuur houdende middelen van cassatie.