Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
10 januari 2023.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 april 2021. Ondanks het instellen van het beroep zijn er geen cassatiemiddelen ingediend door de advocaat van de verdachte, wat een vereiste is volgens de wet.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep vanwege het ontbreken van cassatiemiddelen. De Hoge Raad heeft vervolgens beoordeeld dat het beroep niet in behandeling kan worden genomen omdat niet is voldaan aan de wettelijke verplichting om binnen de gestelde termijn schriftelijke klachten in te dienen.
Daarom heeft de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het gerechtshof in stand gelaten. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van ingediende cassatiemiddelen.