Conclusie
1.Feiten en procesverloop
De vrouw heeft daarnaast onvoldoende onderbouwd dat voormelde omstandigheden ertoe leiden dat zij in het geheel niet zou kunnen werken. Voorts is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende inzicht heeft gegeven in de wijze waarop zij – in ieder geval in de periode tussen augustus 2018 (datum uiteengaan partijen) en juli 2020 (datum inschrijving echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand) – in haar levensonderhoud heeft voorzien. De verklaringen die zij heeft overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat zij gelden heeft geleend, geven geen duidelijkheid over de hoogte van de leningen en evenmin omtrent de periode waarin de bedragen zouden zijn geleend. Slechts uit de verklaring van [betrokkene 1] valt af te leiden dat in totaal een bedrag van € 844,- is betaald om rekeningen te voldoen. Mede gelet op het standpunt dat de man in zijn beroepschrift hierover heeft ingenomen, had het op de weg van de vrouw gelegen om hierin helderheid te scheppen, bijvoorbeeld door aangiften inkomstenbelasting en bankafschriften over te leggen, waaruit haar inkomens- en vermogenspositie blijkt.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond of en, zo ja, in hoeverre zij de nodige middelen van bestaan miste. Haar verzoek om partneralimentatie zal worden afgewezen. Onder deze omstandigheden behoeven de hoogte van de verdiencapaciteit van de vrouw en de draagkracht van de man niet meer te worden besproken.’
2.Bespreking van het cassatiemiddel
daarnaastonvoldoende onderbouwd dat
voormelde omstandighedenertoe leiden dat zij in het geheel niet zou kunnen werken’. (mijn curs., A-G). Het woord ‘daarnaast’ heeft betrekking op de woorden ‘voormelde omstandigheden’. Deze ‘voormelde omstandigheden’ zijn door het hof in de eerste alinea van rov. 5.5.10 opgesomd, te weten dat (i) de vrouw sinds 2015 niet meer heeft gewerkt, (ii) zij de zorg voor de minderjarige kinderen heeft en (iii) zij gezondheidsklachten heeft gehad. Deze ‘voormelde omstandigheden’ hebben – en daarmee heeft ook de bestreden overweging – geen betrekking op andere omstandigheden, zoals de andere omstandigheden die door het subonderdeel worden aangevoerd. De klacht berust op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking en faalt daarom.
ex nunc). [6] In rov. 5.5.8 – onbestreden in cassatie – heeft het hof de stellingen van de man omtrent de behoeftigheid van de vrouw weergegeven en in rov. 5.5.9 – eveneens onbestreden in cassatie – het verweer van de vrouw. In rov. 5.5.10 heeft het hof hierop gerespondeerd. Daaruit blijkt dat het hof de behoeftigheid van de vrouw
ex nuncheeft beoordeeld. Het subonderdeel stuit op het voorgaande af.
equality of armsin de zin van art. 6 EVRM Pro zou hebben geschonden. [7] Het subonderdeel bevat uitsluitend een motiveringsklacht. Een rechtsoordeel kan in cassatie niet met een motiveringsklacht worden bestreden. [8] Voor zover op dit punt al sprake zou zijn van een gemengd oordeel [9] , heeft het niet aanvoeren van een rechtsklacht tot gevolg dat in cassatie vaststaat dat het hof het beginsel van
equality of armsniet heeft miskend. Bij deze stand van zaken valt zonder nadere onderbouwing niet in te zien op welke wijze de motiveringsklacht zou kunnen slagen.