ECLI:NL:PHR:2021:985

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 november 2021
Publicatiedatum
18 oktober 2021
Zaaknummer
20/01757
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering straf wegens overschrijding redelijke termijn in hoger beroep oplichting

De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 weken wegens voortgezette oplichting. Het hof constateerde dat de redelijke termijn in hoger beroep met 1 jaar en 4 maanden was overschreden, maar vond dat de totale duur van de berechting in twee instanties binnen vier jaar bleef, waardoor dit niet tot strafvermindering leidde.

De advocaat-generaal bij de Hoge Raad stelde dat het hof het beoordelingskader inzake redelijke termijn had miskend, omdat de overschrijding per procesfase afzonderlijk moet worden beoordeeld en niet in samenhang met de totale duur van de procedure. Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom de overschrijding in hoger beroep niet apart gecompenseerd werd.

De Hoge Raad volgt dit advies en vernietigt het arrest van het hof voor zover het de straf betreft. De zaak wordt niet terugverwezen maar de Hoge Raad vermindert zelf de straf. Er zijn geen andere gronden voor vernietiging gevonden. De uitspraak benadrukt het belang van een correcte toepassing van het toetsingskader voor redelijke termijnen in strafzaken.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/01757
Zitting2 november 2021 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De verdachte is bij arrest van 8 juni 2020 door het gerechtshof Amsterdam wegens “de voortgezette handeling van oplichting, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Daarnaast heeft het hof beslist op de vorderingen van benadeelde partijen en over een vordering tot tenuitvoerlegging, een en ander zoals in het arrest omschreven.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.I. Takens en T.P.A.M. Wouters advocaten te Amsterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1.
Het middel bevat, in samenhang gelezen met de toelichting, de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld althans ontoereikend heeft gemotiveerd dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden omdat de totale berechting in twee feitelijke instanties binnen de termijn van vier jaar heeft plaatsgevonden.
2.2.
De redelijke termijn in deze zaak is aangevangen op 29 november 2016, het eerste verhoor van de verdachte bij de politie. Op 18 januari 2017 is de verdachte door de politierechter tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 weken veroordeeld wegens oplichting, meermalen gepleegd. Tegen dit vonnis is door de verdachte op 1 februari 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof heeft drie jaar en ruim vier maanden na het instellen van hoger beroep op 8 juni 2020 arrest gewezen. Bij dit arrest is de verdachte wegens de voortgezette handeling van oplichting, meermalen gepleegd tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 weken veroordeeld.
2.3.
Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Daartoe heeft de raadsman blijkens het proces-verbaal van de zitting van 25 mei 2020 het volgende aangevoerd:
“Meer subsidiair verzoek ik ten aanzien van de strafoplegging, deze te beperken. Het betreft kleine bedragen en het zijn feiten van enige tijd geleden. De overschrijding van de redelijke termijn ziet niet op de voorwaardelijke strafoplegging maar ik vraag deze periode wel in aanmerking te nemen. De benadeelde partijen dienen niet ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen. Tot slot dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging.”
2.4.
Het hof heeft hierop als volgt gereageerd:
“Wat betreft de redelijke termijn overweegt het hof dat in artikel 6, eerste lid Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd binnen een redelijke termijn te worden berecht.
In deze procedure is de op redelijk te beoordelen termijn aangevangen op 29 november 2016, het moment van verhoor van de verdachte. Het vonnis waarvan beroep werd gewezen op 18 januari 2017. Vervolgens is op 1 februari 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst arrest op 8 juni 2020. Daarmee is de redelijke termijn in de fase van hoger beroep overschreden (met één jaar en vier maanden). De duur van de totale berechting in twee feitelijke instanties heeft echter wel binnen de termijn van vier jaren plaatsgevonden.
Derhalve volstaat het hof met louter de constatering dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM in hoger beroep is geschonden. Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.”
2.5.
Over het middel kan ik – onder verwijzing naar het recente arrest van de Hoge Raad van 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:197,
NJ2021/70 – kort zijn. [1] In die zaak is door de Hoge Raad geoordeeld dat het hof het beoordelingskader met betrekking tot overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep en de vraag welk rechtsgevolg daaraan dient te worden verbonden, heeft miskend. [2] De Hoge Raad overwoog daartoe dat het hof weliswaar het tijdsverloop van de behandeling van de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep afzonderlijk had onderzocht, maar dat het hof bij de beoordeling of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn de duur van de “procedure als geheel” en dus de totale duur van de berechting in feitelijke aanleg ten onrechte beslissend heeft laten zijn.
2.6.
Ook in onderliggende zaak heeft het hof het tijdsverloop zowel in eerste aanleg als in hoger beroep onderzocht en vastgesteld dat de redelijke termijn in de fase van hoger beroep met de duur van 1 jaar en vier maanden is overschreden. Door het hof is volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden waarbij het hof als doorslaggevende factor heeft meegewogen dat de totale duur van berechting in twee feitelijke instanties de termijn van vier jaren niet heeft overschreden. Daarmee heeft het hof het door de Hoge Raad geschetste beoordelingskader miskend door de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep niet afzonderlijk te beoordelen. In het oog moet immers worden gehouden dat de redelijke termijn per procesfase dient te worden bekeken, dat dit geen communicerende vaten van elkaar zijn en dat wanneer sprake is van overschrijding van de redelijke termijn dit in beginsel moet worden gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Dat is in de onderhavige zaak ook aan de orde nu in hoger beroep in tegenstelling tot in eerste aanleg aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht weken is opgelegd. [3] Van bijzondere omstandigheden die zouden kunnen rechtvaardigen dat kan worden volstaan met de enkele constatering van overschrijding van de redelijke termijn is evenmin gebleken. [4] Het oordeel van het hof is daarom ontoereikend gemotiveerd.
2.7.
Het middel is gegrond en de Hoge Raad kan de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen.

3.Conclusie

3.1.
Het middel slaagt.
3.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de opgelegde straf betreft en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.En ook HR 6 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1558, rov 3.3.
2.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, m.nt. Mevis,
3.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, m.nt. Mevis,
4.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, m.nt. Mevis,