‘
7a. De beoordeling van de civiele vordering en de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en een bedrag van € 1.603,14, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2016, gevorderd. Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende schadeposten:
- € 1.467,00 weggenomen inhoud gokkasten;
- € 83,86 herstel sloten van deur en handvat;
- € 40,07 vervangen slot andere deur;
- € 12,21 reiskosten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot betaling van het bedrag van € 1.603.14 toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht hoofdelijk wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] moet worden afgewezen, omdat het onduidelijk is hoe tot het bedrag van € 1.603.14 is gekomen.
Beoordeling door de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot het bedrag van € 136,14 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank wijst in totaal een bedrag van € 136,14, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2016, toe.
De rechtbank is, met de raadsman, van oordeel dat het uit de gokkasten weggenomen bedrag niet voldoende inzichtelijk is gemaakt. Op de ingebrachte stukken staan vier gokkasten vermeld en het is onduidelijk over welke gokkasten het gaat. Tevens is onduidelijk hoe de genoemde bedragen tot stand zijn gekomen en of het gaat om schade van benadeelde of van de gokkasteigenaar. Het aanhouden van de zaak, zodat de benadeelde partij hierover uitleg kan geven, levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. Om die reden verklaart de rechtbank [benadeelde] in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk.
Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van [benadeelde] , met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 2 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.’