ECLI:NL:PHR:2021:970

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 augustus 2021
Publicatiedatum
12 oktober 2021
Zaaknummer
20/00398
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 27 SrArt. 6:4:20 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel in diefstalzaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin verdachte is veroordeeld voor diefstal met braak uit een shoarmazaak. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank Gelderland, waarbij verdachte werd veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf en een schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd.

De verdediging stelde onder meer dat het vonnis innerlijk tegenstrijdig was omdat onduidelijk was of de weggenomen geldlades aan de benadeelde partij of aan de eigenaar van de gokkasten toebehoorden. Dit middel werd verworpen omdat de bewezenverklaring verbeterd gelezen kon worden zonder afbreuk aan de kwalificatie en ernst van het bewezenverklaarde.

Het tweede middel betrof de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad oordeelde dat de vervangende hechtenis onjuist was toegepast en dat in plaats daarvan gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform artikel 6:4:20 Sv Pro.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest voor zover het de toepassing van vervangende hechtenis betreft en bepaalde dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast. Het cassatieberoep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt vervangende hechtenis en bepaalt dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/00398
Zitting31 augustus 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 23 januari 2020 het vonnis van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 18 mei 2017 bevestigd met verbetering van gronden en de verdachte daarmee wegens ‘diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr Pro. In het door het hof bevestigde vonnis is voorts de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerstemiddel klaagt dat de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis heeft bewezenverklaard dat de verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee geldlades met geld die toebehoorden aan [aangever] ( eigenaar van [benadeelde] ), terwijl de rechtbank ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft vastgesteld dat het haar onduidelijk is of de weggenomen goederen aan de benadeelde partij of aan de eigenaar van de gokkasten toebehoorden. Daardoor zou het vonnis van de rechtbank innerlijk tegenstrijdig zijn, ‘zodat het hof ten onrechte het vonnis niet heeft vernietigd maar heeft bevestigd.’
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
‘hij op 23 oktober 2016, in de gemeente [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit shoarmazaak [benadeelde] , gelegen aan de [a-straat] te [plaats] heeft weggenomen twee geldlades (inhoudende een bedrag aan muntgeld) toebehorende aan [aangever] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen en dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak’
5. De bewezenverklaring steunt op de – overgenomen - (Promis)bewijsoverwegingen in het vonnis van de rechtbank. Die houden – voor zover relevant voor de beoordeling van het middel – het volgende in (met weglating van voetnoten):

Beoordeling door de rechtbank
Aangever [aangever] heeft verklaard dat op 23 oktober 2016 twee gokkasten in zijn shoarmazaak [benadeelde] aan de [a-straat] in [plaats] , gemeente [plaats] , zijn opengebroken en dat daaruit twee geldlades met inhoud zijn weggenomen. (…)
Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de twee geldlades met inhoud. (…)’
6. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] heeft de rechtbank in het vonnis het volgende overwogen:

7a. De beoordeling van de civiele vordering en de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en een bedrag van € 1.603,14, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2016, gevorderd. Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende schadeposten:
- € 1.467,00 weggenomen inhoud gokkasten;
- € 83,86 herstel sloten van deur en handvat;
- € 40,07 vervangen slot andere deur;
- € 12,21 reiskosten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot betaling van het bedrag van € 1.603.14 toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht hoofdelijk wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] moet worden afgewezen, omdat het onduidelijk is hoe tot het bedrag van € 1.603.14 is gekomen.
Beoordeling door de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot het bedrag van € 136,14 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank wijst in totaal een bedrag van € 136,14, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2016, toe.
De rechtbank is, met de raadsman, van oordeel dat het uit de gokkasten weggenomen bedrag niet voldoende inzichtelijk is gemaakt. Op de ingebrachte stukken staan vier gokkasten vermeld en het is onduidelijk over welke gokkasten het gaat. Tevens is onduidelijk hoe de genoemde bedragen tot stand zijn gekomen en of het gaat om schade van benadeelde of van de gokkasteigenaar. Het aanhouden van de zaak, zodat de benadeelde partij hierover uitleg kan geven, levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. Om die reden verklaart de rechtbank [benadeelde] in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk.
Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van [benadeelde] , met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 2 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.’
7. De rechtbank heeft inzake de vordering van de benadeelde partij geoordeeld ‘dat het uit de gokkasten weggenomen bedrag niet voldoende inzichtelijk is gemaakt’; dat onduidelijk is ‘over welke gokkasten het gaat’ en dat onduidelijk is ‘hoe de genoemde bedragen tot stand zijn gekomen en of het gaat om schade van de benadeelde of van de gokkasteigenaar’. De rechtbank heeft bewezenverklaard dat de verdachte ‘heeft weggenomen twee geldlades (inhoudende een bedrag aan muntgeld), toebehorende aan [aangever] ’. Kennelijk abusievelijk heeft de rechtbank in de tenlastelegging de passage ‘, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte’ doorgestreept. Uw Raad kan de door het hof bevestigde bewezenverklaring verbeterd lezen. Die verbeterde lezing doet niet af aan de kwalificatie, aard en ernst van het bewezenverklaarde. Daarmee faalt het middel, dat slechts klaagt over innerlijke tegenstrijdigheid tussen de bewezenverklaring en de motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, bij gebrek aan feitelijke grondslag. [1]
8. Ik merk nog op dat het hof in het bestreden arrest heeft overwogen dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk heeft toegewezen en deze ten aanzien van het meer gevorderde ‘niet-ontvankelijk (heeft) verklaard in de vordering. Het hof is niet gebleken dat de benadeelde partij in hoger beroep de vordering heeft gehandhaafd, waardoor deze vordering slechts aan het oordeel van het hof is onderworpen voor zover deze is toegewezen door de rechtbank’. Dat brengt naar het mij voorkomt mee dat het hof de motivering die de rechtbank aan de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij ten grondslag heeft gelegd, niet heeft overgenomen. Daaruit volgt dat in het geval Uw Raad de bewezenverklaring niet verbeterd zou willen lezen het middel, dat klaagt over innerlijke tegenstrijdigheid tussen de bewezenverklaring en de gronden die aan de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij ten grondslag zijn gelegd, deswege zou falen.
9. Het eerste middel faalt.
10. Het
tweedemiddel klaagt over de bij de schadevergoedingsmaatregel opgelegde vervangende hechtenis.
11. Het middel slaagt, gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914,
NJ2020/409 m.nt. Ten Voorde. Uw Raad kan bepalen dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro gijzeling van de in het vonnis genoemde duur kan worden toegepast en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Zie de aan HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9511 (art. 81 RO Pro) voorafgaande conclusie van A-G Silvis.