Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
niet alleenaf van hetgeen partijen over en weer redelijkerwijs mochten begrijpen en verwachten (conform de bekende Kribbebijtermaatstaf [24] ),
maar ookvan andere omstandigheden. Als zodanige andere omstandigheden noemt de steller van het middel wie baat of belang heeft bij de overeenkomst, jegens wie wordt gepresteerd, wie een prestatie kan vorderen, wie in geval van wanprestatie aanspraken heeft en hoe de overeenkomst is uitgevoerd en nageleefd. Dit lijkt mij niet juist. Wie baat of belang heeft bij de overeenkomst, jegens wie wordt gepresteerd, wie een prestatie kan vorderen, wie in geval van wanprestatie aanspraken heeft en hoe de overeenkomst is uitgevoerd en nageleefd, zijn omstandigheden die, evenals de overige omstandigheden van het geval, van invloed kunnen zijn op de redelijke wederzijdse verwachtingen van partijen, en zó op de vraag of iemand bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam en dus als contractspartij is opgetreden of als vertegenwoordiger van een ander. Wat het subonderdeel ons presenteert als alternatieve criteria voor de vraag wie contractspartij is, náást het criterium van de wederzijdse redelijke verwachtingen van partijen, zijn dus in werkelijkheid niet meer dan (potentiële) gezichtspunten bij de toepassing van laatstbedoeld criterium. [25]
juisterechtsopvatting presenteert. Wel is in verband met het beginsel van hoor en wederhoor vereist dat voor de wederpartij voldoende kenbaar is waartegen zij zich dient te verweren. [26] Welnu, ik meen dat een toets van de aangevallen overweging aan de juiste rechtsopvatting in dit geval zonder strijd met het beginsel van hoor en wederhoor kan plaatsvinden. Volgens de juiste rechtsopvatting zijn voor de redelijke wederzijdse verwachtingen van partijen omtrent de vraag wie als contractspartij optreedt alle omstandigheden van belang, waaronder ook de door de klacht bedoelde omstandigheden. Ik lees in de aangevallen overwegingen echter niet dat het hof van een andere opvatting is uitgegaan. Uit de enkele omstandigheid dat het hof niet ingaat op feitelijke stellingen die [handelsnaam] in dit verband heeft ingenomen (onder meer wat betreft baat en belang bij de overeengekomen prestatie), volgt dit niet. Die omstandigheid laat zich immers ook anders verklaren, namelijk in de zin dat volgens het hof de gestelde feitelijke omstandigheden, afgewogen tegenover andere omstandigheden, van onvoldoende gewicht zijn. Kortom, ik meen dat de klacht van het subonderdeel geen doel treft.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijk incidenteel beroep
zulkewerkzaamheden heeft uitgevoerd’, impliceert niet meer dan dat [verweerder] erkent dat er
in enige matewerkzaamheden zijn verricht. In die formulering kan dus niet worden gelezen dat [verweerder] de omvang (het aantal uren) en de kwaliteit van de werkzaamheden niet heeft betwist. De klachten van het onderdeel missen dus feitelijke grondslag.