Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
“medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd”en
“medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte een taakstraf opgelegd voor de duur van 220 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 110 dagen hechtenis, een en ander met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sv Pro.
eerste middelklaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de boot ([A]) afkomstig is uit enig misdrijf.
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [medeverdachte] zich feitelijk als eigenaar gedroeg met betrekking tot de boot. Op 6 juni 2014 is de boot ingeruild bij [E] te Amsterdam voor een bedrag van € 34.500,- en een waterscooter met een nieuwwaarde van USD 16.999,-. [medeverdachte] heeft van verdachte de waterscooter gratis gekregen, naar zeggen van verdachte omdat [medeverdachte] de onderhandelingen heeft gevoerd. Na de verkoop van de boot is een bedrag van € 14.000,- cash aan verdachte betaald en € 20.000,- is gestort op de spaarbankrekening van de echtgenote van verdachte ( [betrokkene 1] ).
tweede middelkomt met een aantal deelklachten op tegen de motivering van de bewezenverklaringen van – wederom – feit 1 (medeplegen van witwassen) en feit 3 (medeplegen van het gebruiken van een vals of vervalst geschrift). De deelklachten houden telkens in dat het terzake gevoerde verweer, respectievelijk ingenomen standpunt, met een onvoldoende motivering is verworpen.
nu de verdachte hem heeft gezegd dat het bedrag van een privé rekening is overgeboekt. Dat er ‘kasboek’ boven staat zou een foutje van de boekhouder zijn. Erg overtuigend is dit allemaal niet. Dat het hof hier zijn eigen conclusies heeft getrokken omtrent de stukken die hij voor zich had vind ik dan ook niet vreemd.
Omdathet handgeschreven nummer 159 op deze factuur correspondeert met het nummer 159 achter de boekingspost van 28 augustus 2014 in de computeradministratie van de boekhouder én met het nummer 159 achter de post van 28 augustus 2014 in het kasboek, zouden de twee bedragen
duszien op de twee op 7 september 2014 via de rekening van verdachtes echtgenoot betaalde facturen van 26 en 28 augustus 2014, met factuurnummers 140020 en 140022. [1] En dus niet op de bij [medeverdachte] gevonden facturen van 2 en 15 september 2014 met factuurnummers 140024 en 140025, zo begrijp ik het verweer.
handgeschreven nummerop de factuur van 28 augustus 2014, en in het licht van zijn eigen feitelijke vaststellingen rondom het kasboek, geen aanleiding heeft gezien om de verwerping van het verweer nog uitgebreider te motiveren dan het al heeft gedaan, is noch onbegrijpelijk, noch in strijd met vaste rechtspraak inzake de motiveringeisen ter verwerping van verweren en/of uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.
“een eigen invulling gegeven van hetgeen op de facturen zou moeten staan in hun ogen, terwijl niet is gebleken van enig vergelijkingsmateriaal waaruit blijkt dat de datum werkzaamheden, door wie etc. op de factuur zou moeten staan”. Bovendien zouden de feitelijke vaststellingen van het hof over de bedrijfsgegevens van [F] BV en de omstandigheid dat de Belastingdienst evenmin beschikt over gegevens van [F] BV, niets zeggen over het al dan niet verricht zijn van de werkzaamheden.