ECLI:NL:PHR:2021:886

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 juni 2021
Publicatiedatum
28 september 2021
Zaaknummer
20/00502
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in profijtontnemingszaak hypotheekfraude

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 5 februari 2020, waarin het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene uit hypotheekfraude heeft vastgesteld op €290.403,42 en hem heeft veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de staat.

De betrokkene voerde verweer dat de ontnemingsvordering moest worden afgewezen omdat in de hoofdzaak onherroepelijk was geoordeeld dat hij meer financieel nadeel dan voordeel had overgehouden aan de bewezenverklaarde feiten. De vraag was of het hof in de ontnemingszaak gebonden is aan dat oordeel uit de hoofdzaak.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het cassatieberoep faalt op de gronden zoals vermeld in het eerdere arrest HR:2021:789 en verwees naar een soortgelijke zaak met nagenoeg identieke middelen. Er werden geen gronden gevonden die tot vernietiging van het bestreden arrest leiden.

De Hoge Raad volgt deze conclusie en verwerpt het cassatieberoep, waarmee het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden in stand blijft. De zaak maakt deel uit van een samenhangende reeks zaken waarin soortgelijke vragen spelen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/00502 P
Zitting29 juni 2021

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de betrokkene.
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 5 februari 2020 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 290.403,42. Na te hebben volstaan met de enkele constatering van een overschrijding van de redelijke termijn, heeft het hof aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van hetzelfde bedrag.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/05515, 19/05652, 19/05436, 19/05868, 19/05701 en 20/00543. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
4. Bij de beoordeling van de middelen stuitte ik op het arrest van Uw Raad van 1 juni 2021 [1] in de zaak met griffienummer 20/00533. Die zaak vertoont samenhang met de onderhavige zaak en met de overige zaken hierboven genoemd. [2] Bovendien zijn de middelen die in de zaak met griffienummer 20/00533 zijn voorgesteld qua volgorde, vormgeving en inhoud nagenoeg identiek aan de middelen voorgesteld in de onderhavige zaak en eveneens afkomstig van mr. R. Zilver.
5. Ik volsta hier dan ook met een verwijzing naar de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt in de zaak met griffienummer 20/00533. [3] Op de gronden als genoemd in die conclusie moeten de middelen in de onderhavige zaak eveneens falen.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:789.
2.Op de inhoudelijke zitting van het hof van 22 januari 2020 zijn de zaken tegen de betrokkenen [betrokkene 1] (21-007048-15), [betrokkene 2] (21-007047- 15) en [betrokkene] (21-007046-15) gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld; zie p. 1 van voornoemd proces-verbaal. Deze samenhang is in de cassatieprocedure kennelijk – tot nu toe – deels onopgemerkt gebleven.
3.Conclusie van 6 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:297.