Conclusie
Inleiding en samenvatting
De kantonrechter heeft in zijn overwegingen opgenomen (eindbeschikking p. 1-2) dat de curator deze beloning uitsluitend voor de jaren waarvan de rekening en verantwoording nog niet is vastgesteld in rekening mag brengen. Dit zijn de jaren 2017 en 2018. Voor de jaren 2017 en 2018 moet de curator op de jaarbeloning de reeds in rekening gebrachte kosten voor de accountant in mindering brengen. Vanaf 2019 brengt de curator alleen de jaarbeloning in rekening bij [de dochter] . De kosten van de accountant zijn vanaf 2019 voor rekening van de curator.
2016: € 1.078,70
2017: € 1.078,70
2018: € 1.078,70
2019: € 1.106,-;
3.Bespreking van het cassatiemiddel
“Feitelijk verloop”) die geen klachten bevat (nrs. 1.1-1.7) en twee onderdelen (nrs. 2.1-2.2).
TOELICHTING
1. Algemeen
Daarom stel ik in deze regeling eenduidige bindende regels voor de beloning vast.
uitzonderlijke omstandigheden voordoen, waarop deze regeling niet onverkort kan worden toegepast. De kantonrechter wordt daarom de ruimte gelaten om vanwege uitzonderlijke omstandigheden in het specifieke geval de beloning van de vertegenwoordiger op andere wijze vast te stellen (vgl. art. 1, achtste lid, art. 2, zesde lid, art. 3, zesde lid, art. 4, vijfde lid, art. 6, zesde lid, art. 7, zesde lid, art. 8, zesde lid, art. 9, zevende lid, art. 10, vijfde lid). In geval van bewind kan daarnaast worden afgeweken van de regeling indien het bewind zich niet uitstrekt over alle goederen (vgl. art. 3, zesde lid, art. 7, zesde lid en art. 9, zevende lid).
Naar aanleiding van reacties op de conceptregeling is de formulering gewijzigd van ‘bijzondere omstandigheden’ in ‘uitzonderlijke omstandigheden’, om te benadrukken dat niet te snel mag worden aangenomen dat van de regeling kan worden afgeweken. Indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, kan de kantonrechter door deze ingebouwde ‘noodklep’ bijvoorbeeld een hogere beloning toekennen dan door deze regeling wordt voorgeschreven. Een bijstelling van de jaarbeloning naar beneden is evenwel ook mogelijk.
Wat onder uitzonderlijke omstandigheden wordt verstaan, kan niet in een limitatieve opsomming in deze regeling worden vastgesteld. Deze omstandigheden zijn immers toegesneden op de omstandigheden die zich in een specifiek geval kunnen voordoen en zijn naar hun aard niet alle voorzienbaar. Als voorbeeld noem ik extra werkzaamheden vanwege het feit dat de betrokkene is vertrokken naar het buitenland en de vertegenwoordiger allerlei extra inspanningen moet doen om hem naar Nederland te laten brengen. Wat in geen geval onder uitzonderlijke omstandigheden kan worden verstaan zijn de werkzaamheden die blijkens de toelichting vallen onder de verschillende voor professionele vertegenwoordigers onderscheiden categorieën werkzaamheden (zie voor een omschrijving van deze werkzaamheden de toelichting bij art. 2, tweede lid, art. 3, tweede lid, en art. 4, tweede lid). Van belang is om te benadrukken dat het dient te gaan om incidentele extra werkzaamheden.” [10] (Onderstrepingen A-G)
C Beloning van de curator
niet voor alle extra werkzaamheden een extra beloning kan worden gevraagd. In de toelichting op de regeling is expliciet aangegeven dat extra beloning alleen mogelijk is in uitzonderlijke situaties en dat niet te snel mag worden overgegaan tot afwijking van de regeling. Verzoeken om extra beloning zullen worden getoetst aan dit criterium.” (Onderstreping A-G)
“de door de curator gevraagde bedragen vanaf de gevraagde datum ter hoogte van het gevraagde had moeten toewijzen, nu die bedragen niet- of niet voldoende zijn weersproken.”Het hof zou dit hebben miskend
,althans zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) hebben gemotiveerd.
nietvan toepassing is in verzoekschriftprocedures als de onderhavige, dat de bestreden passage rechtens onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is: het hof zou in strijd met art. 24 Rv Pro de verjaring ambtshalve hebben toegepast, terwijl geen procespartij daarop een beroep heeft gedaan.
ambtshalvekan aanpassen, zoals weergegeven in 3.3 [13] . Dat impliceert volgens mij dat het hof bij de vaststelling van de beloning zonder schending van art. 24 Rv Pro
ambtshalverekening kon houden met het feit dat de algemene verjaringstermijn voor rechtsvorderingen vijf jaar bedraagt, ook indien daar geen beroep op is gedaan. Dit behelst geen verboden ambtshalve toepassing van de verjaringsregeling, maar een aan de rechter voorbehouden wijze van vaststellen van een curatorvergoeding, in welk kader steun is gezocht bij de algemene verjaringsregeling. Dat lijkt mij geen verboden gezichts- of oriëntatiepunt voor de rechter in zo’n geval; integendeel.
(“In afwijking van het eerste lid kan de kantonrechter wegens uitzonderlijke omstandigheden de beloning van de curator, bewindvoerder of mentor op andere wijze vaststellen.”)en heeft gesteld dat
“de beloning hoger (conform de vergoeding voor een professioneel curator dan wel een vergoeding die het hof juist acht) moet worden vastgesteld, vanwege de uitzonderlijke omstandigheden.”(verzoekschrift tot cassatie p. 6).
“essentiële”stellingen van de curator heeft gepasseerd. Althans is de klacht dat onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is waarom het hof (op grond van art. 1 lid 8 van Pro de Regeling) niet een hogere beloning dan die uit art. 1 lid 2 sub a van Pro de Regeling voortvloeit heeft vastgesteld. De motivering dat de curator geen professioneel curator is, is volgens de klacht onvoldoende, omdat de curator dat niet heeft gesteld; en sterker nog: de curator zou hebben gesteld dat zij een
familiaircurator is [14] . Dit wordt uitgewerkt in drie nadere subonderdelen (nrs. 2.I-IIIa-2.I-IIIc).
professioneelcurator is. Als zij een professioneel curator was, had zij ook geen uitdrukkelijk verzoek om een beloning hoeven doen. Blijkens de literatuur bij artikel 1:386 BW Pro wordt de jaarbeloning aan de familiecurator alleen op diens verzoek door de kantonrechter toegekend en is m.b.t. de professionele vertegenwoordiging voor het verkrijgen van de geldende standaardbeloning en voor extra beloningen aan te nemen dat geen uitdrukkelijk verzoek nodig is. [15] De curator heeft puur verzocht om aansluiting bij de beloning voor professioneel curatoren, dan wel een door het hof zelf te bepalen hoogte van de vergoeding, in verband met uitzonderlijke omstandigheden (zie hierna sub b). Het hof laat dit ten onrechte onbesproken.”
professioneelcurator is, mist dat feitelijke grondslag: het arrest biedt geen aanknopingspunten voor die lezing, zie ook hierna in 3.15.
verworpen,zie ook hierna in 3.15.
subonderdeel 2.I-IIIcklagen in essentie dat het bestreden oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is in het licht van de volgende stellingen van de curator [16] :
feitelijkebeoordeling door het hof behelst die in impliciet afwijzende zin kan worden begrepen te zijn gegeven in rov. 5.3.