Conclusie
Inleiding
subsidiair
Op 9 september 2015 heeft [medeverdachte 1] [verdachte] ontmoet op of nabij het adres [a-straat 2] te [plaats] . Op dat adres, waar [verdachte] elke week een aantal keer kwam, woonden de ex-partner van [verdachte] en hun dochter.
Tijdens de doorzoeking van de door [medeverdachte 4] gebruikte auto is op 10 november 2015 een notitie aangetroffen met daarop de gegevens: “ [betrokkene 2] , [a-straat 1] [plaats] ”. Op dat naast [a-straat 2] gelegen adres woonde alleen [betrokkene 2] .
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben geregeld dat zij op 28 september 2015 als douaneambtenaren dienst hadden bij DHL op Schiphol Oost en stonden die dag daar klaar om, in het geval de hierna genoemde zending door de Douane/Belastingdienst voor controle zou zijn geselecteerd, deze niet aan een deugdelijke controle te onderwerpen en door te laten. Zij hebben daarvoor van [medeverdachte 4] geld gekregen. Op 28 september 2015 is door DHL om 11:52 uur op het adres [a-straat 1] [plaats] afgeleverd een op 24 september 2015 vanuit Venezuela verzonden pakket van 3.59 kilogram. Als gegevens van de verzender waren bekend “Centro Cultural Lirerias Del Sur” en de inhoud zou volgens de vrachtbrief “Boeken (libros)” betreffen. Als ontvanger stond vermeld “ [betrokkene 2] , [a-straat 1] [plaats] ”. Uit van de Douane ontvangen gegevens volgt dat deze zending niet voor controle is geselecteerd en rechtstreeks door DHL bij de ontvanger is afgeleverd. Uit de administratie van DHL blijkt dat op 25 september 2015 melding is gedaan van een beschadiging. DHL Venezuela laat na een dergelijke melding een Engels- en Spaanstalige brief achter in de zending.
Voor ontvangst van deze zending is getekend door “ [betrokkene 2] ”. [betrokkene 2] heeft als getuige verklaard dat zij de handtekening niet herkend als de hare en dat zij nooit een pakket uit Venezuela in ontvangst heeft genomen. Zij was op 28 september 2015 tot 16 à 17 uur niet thuis. [verdachte] heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij wist dat er een pakketje zou komen, dat naar hem zou worden verzonden en dat hij de zending op 28 september 2015 van DHL in ontvangst heeft genomen.
Het eerste middel en de bespreking daarvan
ditspecifieke feit, dat de verdachte volgens de tenlastelegging onder subsidiair en de bewezenverklaring daarvan tezamen en in vereniging met anderen heeft begaan.
Het tweede middel en de bespreking daarvan
NJ2019/103, m.nt. Wolswijk heeft overwogen: “Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. (vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552). […]. Onder 'de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met de thans gebruikelijke formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in HR 9 november 1954, NJ 1955/55, gebruikte formulering "de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans".”