Conclusie
advocaat: J. van Weerden
1.Feiten en procesverloop
De schuldbemiddelingsinstantie, te weten GEMEENTELIJKE KREDIETBANK D464, heeft de crediteuren namens verzoeker geen aanbod gedaan, omdat dit een verzoek betreft voor een directe aanvraag WSNP in verband met een aangevraagd faillissement. (…) In een eerdere verklaring is per abuis vermeld dat er sprake was van een uitgesproken faillissement, dat is echter niet het geval. Betrokkene heeft zelf geprobeerd om tot een akkoord te komen met zijn schuldeisers, gezien de hoogte van de vorderingen zijn er geen reële mogelijkheden om in een minnelijk traject tot een akkoord te komen.”
[A] Holding en met haar ook andere schuldeisers, te weten (…), verzetten zich hierbij uitdrukkelijk tegen een toelating van [betrokkene 2] en [verzoeker] tot de schuldsaneringsregeling. Bij brieven van 12 november 2020 (bijlage 1) en 19 november 2020 (bijlage 2) hebben zij hun bezwaren reeds kenbaar gemaakt in de WSNP-procedures in eerste aanleg. Hoewel de betrokken schuldeisers ervan uitgaan dat de betreffende brieven reeds onderdeel uitmaken van het procesdossier worden die hierbij zekerheidshalve nog een keer toegezonden.
[A] Holding verzet zich hierbij uitdrukkelijk tegen een toelating van [betrokkene 2] en [verzoeker] tot de schuldsaneringsregeling en zal dat hierna toelichtingen.(…)Geen sprake van vereiste goede trouw3. Bij de beoordeling weegt daarom mee dat [betrokkene 2] en [verzoeker] :
’ (bijlage 4);
Ook deze brief van 19 november 2020 vermeldt niet dat een afschrift aan [verzoeker] is verzonden.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
3.6.6 Voorts voldoet de aanvraag niet aan het bepaalde in art. 285 Fw Pro nu geen deugdelijk overzicht van de schulden is bijgevoegd. In het schuldenoverzicht van de aanvraag staat slechts een totaalbedrag aan schulden van € 3.902.563,= vermeld, terwijl uit de stukken volgt dat de totale schuldenlast van [verzoeker] minimaal € 22 miljoen bedraagt.”
In het bestreden oordeel ligt besloten dat het hof geen aanleiding heeft gezien aan T. gelegenheid te bieden de door het hof geconstateerde verzuimen te herstellen. Dat oordeel is onvoldoende begrijpelijk, nu de rechtbank aan de hand van de stukken waarover ook het hof beschikte een inhoudelijk oordeel had gegeven zonder aan de volledigheid van de beschikbare informatie een overweging te wijden en uit het oordeel van het hof niet kenbaar is waarom T. ermee rekening moest houden dat het hof de stukken ontoereikend zou achten.”
a. bij de motivering van het oordeel om aan de appellant in WSNP-zaken als deze, geen gelegenheid te bieden de in hoger beroep geconstateerde verzuimen te herstellen, rekening moet worden gehouden met de omstandigheid, zo deze zich voordoet, dat het in hoger beroep bestreden oordeel, aan de hand van de stukken waarover ook de hoger beroep rechter beschikte, een inhoudelijk oordeel is gegeven zonder aan de volledigheid van de beschikbare informatie een overweging te wijden,
2.2 Ingevolge artikel 287 lid 2 Fw Pro wordt een schuldenaar niet-ontvankelijk verklaard indien na een gegunde termijn van één maand ter aanvulling nog steeds gegevens als bedoeld in artikel 285 lid 1 Fw Pro ontbreken. Zo ontbreekt de schuld aan de hypotheekverstrekker in de schuldenlijst. Het verzoekschrift vormt derhalve niet het door de wetgever beoogde betrouwbaar kompas voor de rechter, en voldoet daarmee niet aan de gestelde eisen.”
Opmerkelijk is dat de rechtbank het verzoek wél compleet achtte en niets heeft gezegd over ontbrekende stukken. Het maakt verschil of de rechtbank een verzoek onvolledig acht en betrokkene vervolgens in hoger beroep komt met nog steeds een incompleet verzoekschrift, of dat de rechtbank over is gegaan tot een inhoudelijke beoordeling op grond van een in haar ogen compleet verzoekschrift. In dat laatste geval ligt het eerder in de rede dat de rechter gebruik maakt van de discretionaire bevoegdheid om een hersteltermijn te geven dan in het eerste geval.”