ECLI:NL:PHR:2021:677

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 mei 2021
Publicatiedatum
2 juli 2021
Zaaknummer
20/02176
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 138b SvArt. 415 lid 1 SvArt. 365a SvArt. 359 lid 3 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontbrekende bewijsmiddelen bij diefstal in vereniging met braak

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij braak werd gepleegd. Het hof sprak de verdachte vrij van een ander ten laste gelegd feit en legde een gevangenisstraf van acht maanden op. In cassatie werd aangevoerd dat het arrest niet de wettelijk vereiste bewijsmiddelen bevatte die de bewezenverklaring ondersteunen.

De raadsman van de verdachte verzocht om aanvulling van de processtukken met de ontbrekende bewijsmiddelen. Het hof had echter een verkort arrest gewezen zonder deze bewijsmiddelen toe te voegen. Uit een bericht van de griffier bleek dat het politieonderzoek zoek was geraakt, waardoor de bewijsaanvulling niet kon worden opgemaakt.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof in strijd met de wet geen bewijsmiddelen heeft opgenomen die de bewezenverklaring ondersteunen, waardoor het middel slaagt. Het arrest wordt daarom gedeeltelijk vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een volledige hernieuwde berechting en beslissing over de tenlastegelegde feiten, strafoplegging en vordering van de benadeelde partij. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het arrest wordt gedeeltelijk vernietigd wegens ontbreken van bewijsmiddelen en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02176
Zitting25 mei 2021

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 24 juli 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3. ten laste gelegde, vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde, en wegens onder 2. en 4. telkens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Voorts is de teruggave aan de verdachte van een in beslag genomen geldbedrag gelast, en heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij, een en ander als in het arrest vermeld.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. [1]
3. Het
eerstemiddel houdt in dat de aanvulling bewijsmiddelen ontbreekt en dat daarom de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd.
4. Bij faxbericht van 18 september 2020 heeft verdachtes raadsman zich overeenkomstig art. 4.3.6.3. van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden gericht tot de rolraadsheer met het verzoek de processtukken te doen aanvullen met de bij de processtukken ontbrekende aanvulling bewijsmiddelen.
5. In het onderhavige geval heeft het hof een verkort arrest gewezen in de in art. 138b Sv bedoelde zin. Ingevolge het bepaalde in art. 415 lid 1 in Pro verbinding met art. 365a Sv wordt een verkort arrest in geval van beroep in cassatie aangevuld met bewijsmiddelen.
6. In een begeleidend schrijven bij de toezending van het strafdossier aan de Hoge Raad heeft de griffier van het hof het volgende bericht:
“(...)
Bij de uitwerking ten behoeve van cassatie is gebleken dat het bij deze zaak behorende politieonderzoek kennelijk zoek is geraakt bij de verwerking van het dossier na de zitting in hoger beroep. Zoekacties nadien hebben helaas geen resultaat opgeleverd.
Om deze reden is de zaak niet volledig uitgewerkt; de bewijsaanvulling kon niet worden opgemaakt.
(...)”
7. Nu het hof in strijd met art. 359, derde en achtste lid, Sv geen bewijsmiddelen heeft opgenomen houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, slaagt het middel voor zover het inhoudt dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd.
8. Het middel slaagt.
9. Het voorgaande betekent dat het tweede middel buiten bespreking kan blijven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 en 4 tenlastegelegde, de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Inmiddels heeft mr. H.P. Eckert onderhavige zaak overgenomen van zijn (oud)kantoorgenoot mr. M.C. van der Linde.