Conclusie
Nummer20/00480
Het cassatieberoep
Het middel
middelkomt op tegen de afwijzende beslissing van het hof op het voorwaardelijk verzoek tot het oproepen en horen als getuige van [betrokkene 1] . Geklaagd wordt dat het ondervragingsrecht dat voortvloeit uit art. 6, derde lid onder d, EVRM is geschonden en/of de afwijzende beslissing van het hof niet zonder meer begrijpelijk is, althans dat het hof bij die beslissing op ontoelaatbare wijze is vooruitgelopen op hetgeen de getuige zou kunnen verklaren.
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag en een horloge en een tasje met geld, toebehorende aan die [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader, die [aangever] met een auto heeft achtervolgd en – nadat die [aangever] zijn auto tot stilstand had gebracht – met een aantal personen/medeverdachte uit de auto is gestapt en naar die [aangever] is gelopen, waarna verdachte en/of verdachtes mededader die [aangever] dreigend hebben/heeft aangesproken en dreigend hebben/heeft gezegd dat hij, [aangever] , verantwoordelijk was voor de dood van [betrokkene 2] , dat hij een “lijkenpikker” was en het geld (van de opbrengst van de auto) en een horloge en een tasje met geld moest afgeven en dreigend tegen die [aangever] hebben/heeft gezegd dat hij, [aangever] , op 12 maart bij restaurant [A] moest komen om het geld van de auto, het horloge en het tasje met geld te brengen en die [aangever] dreigend de woorden hebben/heeft toegevoegd: “jij gaat dat allemaal regelen, want jij bent een kankerinformant, jij hebt 15 jaar voor de mannen gewerkt” en “ik hoop dat je niet komt, dan kunnen we doen wat we eigenlijk willen doen”, althans dergelijke dreigende taal hebben/heeft geuit, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
Het hof merkt in het bijzonder nog op dat de betrokkenheid van verdachte bij het feit blijkt uit zijn eigen verklaring, de aangifte van [aangever] en de verklaring van de medeverdachte [betrokkene 3] . Overigens staat niet ter discussie dat er een pittig gesprek heeft plaatsgevonden en dat er woorden zijn gebruikt waaruit de angst van [aangever] kan blijken. Uit de inhoud van de verschillende tapgesprekken die zich in het dossier bevinden, blijkt ook dat bij de betrokkenen tijdens het feit sprake was van hevige emoties. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat het gesprek bedreigend was voor [aangever] en dat het gesprek dat in redelijkheid ook heeft kunnen zijn, gelet op de gebruikte bewoordingen en de gemaakte bewegingen, mede bezien in het licht van de fysieke overmacht (‘drie tegen één’) waarvan sprake was.
(…)
De verdediging heeft de advocaat-generaal verzocht [betrokkene 1] op te roepen als getuige in deze zaak. Dat verzoek is afgewezen.
Het hof acht de verklaring van [aangever] nodig en bruikbaar voor het bewijs van het onder 1 primair tenlastegelegde. Het verzoek van de verdediging is in een heel laat stadium van de procedure gedaan. Voor de beoordeling van het verzoek is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing. [betrokkene 1] is al eerder, zij het kort, gehoord over dit feit. [betrokkene 1] heeft niet belastend verklaard voor verdachte. De enige die belastend heeft verklaard, is [aangever] .
Keskin tegen Nederland, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 het kader dat de Nederlandse strafrechter dient te hanteren bij de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen die een verklaring met een belastende strekking hebben afgelegd, oftewel de ‘prosecution witnesses’, bijgesteld.
Murtazaliyeva tegen Rusland. [4] Dit kader laat de nationale rechter aanzienlijk meer beoordelingsruimte dan dat ten aanzien van ‘prosecution witnesses’. In de genoemde uitspraak stelt de Grote Kamer uitdrukkelijk dat wat ontlastende getuigen betreft “only in exceptional circumstances (…) the Court will be led to conclude that the failure to hear a witness was incompatible with Article 6 of the Convention” en dat zelfs “[t]he dismissal of a request without giving reasons or the “silence” of the domestic courts in respect of a sufficiently reasoned and relevant request to call a defence witness does not necessarily lead to a finding of a violation of Article 6” (par. 148). In de benadering van het Europese Hof zijn drie vragen van belang: (1) was het verzoek “sufficiently reasoned and relevant to the subject matter of the accusation”; (2) heeft de nationale rechter de relevantie van (het horen van) de getuige onderzocht en zijn afwijzende beslissing voldoende gemotiveerd; en (3) ondermijnt de afwijzende beslissing het recht op een eerlijk proces (par. 158). Evenals de Hoge Raad, beschouwt de Grote Kamer hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd (de eerste vraag) en de gronden waarop de afwijzende beslissing op het verzoek berust (de tweede vraag) als communicerende vaten: “the stronger and weightier the arguments advanced by the defence, the closer must be the scrutiny and the more convincing must be the reasoning of the domestic courts if they refuse the defence's request to examine a witness” (par. 166). Met de derde vraag wil het Europese Hof voorkomen dat het beoordelingskader rigide of mechanisch wordt. In de regel zal aan de hand van de eerste twee vragen kunnen worden nagegaan of het strafproces eerlijk is verlopen. Slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen andere “considerations of fairness” tot een tegengestelde slotsom leiden (par. 168). [5]