ECLI:NL:PHR:2021:620

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 mei 2021
Publicatiedatum
18 juni 2021
Zaaknummer
19/02625
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 SrArt. 36f SrArt. 6:4:20 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende hechtenis omzetting in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel openlijke geweldpleging

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens openlijke geweldpleging in vereniging tegen personen tot een taakstraf van zestig uur, subsidiair dertig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd waarbij vervangende hechtenis werd toegepast.

In cassatie werd betoogd dat de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel onjuist was. De Procureur-Generaal stelde dat de Hoge Raad met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur kan opleggen. Tevens werd aangevoerd dat de inzendtermijn voor het cassatieberoep was overschreden.

De Hoge Raad oordeelde dat de overschrijding van de inzendtermijn gegrond was, maar dat dit geen gevolgen had voor het cassatieberoep gezien de aard van de opgelegde straf. Er werd geen aanleiding gezien om ambtshalve te vernietigen.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor zover het vervangende hechtenis betrof bij de schadevergoedingsmaatregel en bepaalde dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast. Het cassatieberoep werd voor het overige verworpen. Deze uitspraak sluit aan bij een samenhangende zaak (19/03561) waarin gelijke overwegingen gelden.

Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast in plaats van vervangende hechtenis bij een schadevergoedingsmaatregel.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/02625
Zitting11 mei 2021

CONCLUSIE

E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 28 mei 2019 door het gerechtshof Amsterdam wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Voorts heeft het hof beslissingen genomen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en heeft het ter zake van het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest bepaald.
Er bestaat samenhang met de zaak 19/03561. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelklaagt over de vervangende hechtenis die aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel is verbonden.
5. Het middel is terecht voorgesteld. Gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914,
NJ2020/409, m.nt. Ten Voorde kan de Hoge Raad met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
6. Het
tweede middelklaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
7. Namens de verdachte is op 29 mei 2019 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 14 april 2020 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat de inzendtermijn is overschreden.
8. Het middel is in zoverre gegrond. Gelet echter op de aan de verdachte opgelegde straf is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden. [1]
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,