ECLI:NL:PHR:2021:34

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 januari 2021
Publicatiedatum
11 januari 2021
Zaaknummer
19/04813
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36h SvArt. 36b SvArt. 432 SvArt. 589 oud SvArt. 585 oud Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens te late indiening na verstek in hoger beroep

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld wegens medeplegen van opzetheling tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan twee voorwaardelijk. In hoger beroep verscheen de verdachte niet, waarna het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verstek verleende en de verdachte niet-ontvankelijk verklaarde omdat hij geen grieven schriftelijk of mondeling binnen de gestelde termijn had ingediend.

De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen dit arrest, maar de Procureur-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep te laat was ingesteld. Uit de stukken bleek dat de dagvaarding in hoger beroep op correcte wijze aan de verdachte persoonlijk was betekend, waarbij ook de akte van uitreiking voldeed aan de wettelijke vereisten.

De verdediging voerde aan dat onduidelijk was op welke dagvaarding de akte van uitreiking betrekking had, omdat meerdere parketnummers op één akte stonden en dat het hof had moeten onderzoeken of de betekening correct was en of de verdachte gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht.

De Hoge Raad oordeelde dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend en dat het cassatieberoep buiten de wettelijke termijn was ingesteld. Daarom werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/04813
Zitting12 januari 2021

CONCLUSIE

E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
Bij arrest van 3 juni 2019 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 23 november 2017 waarbij de verdachte bij verstek wegens “medeplegen van opzetheling” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren.
Namens de verdachte heeft mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelklaagt dat het hof verstek heeft verleend tegen de in hoger beroep niet verschenen verdachte op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen en heeft nagelaten het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen op een nadere terechtzitting te verschijnen, nu het hof er geen blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of de dagvaarding in hoger beroep op correcte wijze is betekend en of de verdachte gebruik wenste te maken van zijn aanwezigheidsrecht.
Voordat ik kan toekomen aan de bespreking van het middel, verdient de ontvankelijkheid van de verdachte in cassatie aandacht. Onder de in art. 432, eerste lid, Sv genoemde omstandigheden moet het cassatieberoep namelijk binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld.
Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden bevindt zich een akte van uitreiking van de “Dagvaarding van de verdachte in hoger beroep” (hier verder de akte van uitreiking te noemen). Uit de akte van uitreiking blijkt dat (i) de “gerechtelijke brief van de advocaat-generaal bij het bovengenoemde ressortsparket, genummerd als hieronder vermeld en bestemd voor: 21-006422-17 [1] +21-006172-17+21-006170-17+21-006422-17” op 3 april 2019 (om 17:02 uur) op het adres [a-straat 1] te [plaats] aan de verdachte in persoon is uitgereikt, (ii) de verdachte voor ontvangst van de in de akte van uitreiking bedoelde gerechtelijke brief heeft getekend en (iii) de zittingsdatum 3 juni 2019 is. De akte van uitreiking vermeldt voorts dat zij naar waarheid is opgemaakt en is ondertekend door een medewerker van de Interdepartementale Post- en Koeriersdienst (IPKD) Houten.
6. De gerechtelijke brief, waarop de akte van uitreiking in dit verband ziet en voor ontvangst waarvan de verdachte heeft getekend, is de “Dagvaarding van verdachte in hoger beroep”. Deze dagvaarding houdt in:
7. “De advocaat-generaal dagvaardt
8. parketnummer : 21-006422-17
naam
[verdachte]
voornamen
[...]
geboren
[geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats]
wonende te
[plaats]
adres
[a-straat 1]
om te verschijnen op maandag 3 juni 2019 te 15:50 uur, ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Walburgstraat 2-4 te Arnhem, teneinde in hoger beroep terecht te staan terzake van het hem in eerste aanleg tenlastegelegde bij de dagvaarding(en), met inbegrip van eventuele in eerste aanleg door het OM gevorderde en door de rechtbank toegestane wijzigingen, vanwege de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland betekend onder parketnummer 16-135247-17, met verwijzing naar de mededelingen aan de onderzijde van deze dagvaarding.”
Het hof heeft op de terechtzitting van 3 juni 2019 verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte en hem niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat hij niet binnen de termijn van veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, heeft ingediend en hij evenmin ter terechtzitting in hoger beroep mondeling de bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven.
Blijkens de daarvan opgemaakte akte is op 21 oktober 2019 namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof (alsmede tegen alle ter ’s hofs terechtzitting genomen beslissingen).
In de schriftuur wordt onder meer betoogd dat “op basis van de verstrekte akte van uitreiking niet kan worden vastgesteld op welke dagvaarding in hoger beroep de akte van uitreiking betrekking heeft, terwijl kan worden vastgesteld dat verzoeker tot cassatie in de zaak met ressortnummer 21/006172-17 is opgeroepen voor de terechtzitting van 3 juni 2019 te 14:10 uur, dat verzoeker tot cassatie in de zaak met ressortnummer 21/006170-17 is opgeroepen voor de terechtzitting van 3 juni 2019 te 15:00 uur en dat verzoeker tot cassatie in de zaak die thans centraal staat in cassatie is opgeroepen voor de terechtzitting van 3 juni 2019 te 15:50 uur”. Dat op de akte van uitreiking ook het parketnummer van de onderhavige zaak is vermeld zou niet tot de conclusie kunnen leiden dat de desbetreffende dagvaarding aan de verdachte is uitgereikt en hij daarmee op de hoogte is geraakt van de behandeling van zijn strafzaak op 3 juni 2019 om 15:50 uur, waarbij wordt vooropgesteld dat art. 36h, eerste lid, Sv [2] eist dat van iedere uitreiking een akte wordt opgemaakt die aan de gestelde eisen voldoet.
10. Uit de hierboven in de randnummers 5 en 6 vermelde gegevens, mede in onderling verband bezien, kan worden afgeleid dat op 3 april 2019 de dagvaarding in hoger beroep met betrekking tot het parketnummer 21-006422-17 – inhoudende om op 3 juni 2019 om 15:50 uur te verschijnen voor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem – als gerechtelijke brief aan de verdachte in persoon is betekend en uitgereikt. Dit impliceert dat de verdachte op correcte wijze op de hoogte is gesteld van zowel de inhoud van die dagvaarding, als van de dag en het tijdstip waarop de zaak met parketnummer 21-006422-17 op de terechtzitting van het hof zou worden behandeld. Dat op de akte van uitreiking ook nog de andere parketnummers zijn vermeld, maakt dat niet anders. Kennelijk heeft zich hier de situatie voorgedaan dat op één en hetzelfde moment meerdere dagvaardingen aan de verdachte zijn uitgereikt en dat hiervan één akte van uitreiking is opgemaakt. Overigens zij opgemerkt dat art. 36h, eerste lid, Sv zich daartegen niet verzet (en zo ook niet art. 589, eerste lid, oud Sv j° art. 585, tweede lid, oud Sv). Het eerste lid van art. 36h Sv schrijft ter zake enkel voor dat van iedere uitreiking als bedoeld in art. 36b, tweede lid, Sv een akte wordt opgemaakt. Dat is in onderhavige geval gebeurd.
11. Nu het cassatieberoep te laat is ingesteld, kan de verdachte in het beroep niet worden ontvangen.
12. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Dit is het parketnummer van de onderhavige zaak bij het hof en is op de akte van uitreiking tweemaal vermeld.
2.Artikel 36h, eerste lid, Sv luidt: “Van iedere uitreiking als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld: a. de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat; b. het nummer van de gerechtelijke mededeling; c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is; d. de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt; e. de plaats van uitreiking; f. de dag en het uur van uitreiking”. Art. 36b, tweede lid, Sv betreft de betekening van een gerechtelijke mededeling (aan een natuurlijke persoon) onder meer door middel van uitreiking.