ECLI:NL:PHR:2021:329
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte in cassatie wegens niet-indienen middelen
De verdachte is bij arrest van 1 april 2019 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken wegens diefstal. Tegen dit arrest is tijdig cassatieberoep ingesteld. De aanzegging van het cassatieberoep is op 7 november 2019 geldig betekend aan een huisgenoot van de verdachte.
Ondanks deze geldige aanzegging zijn namens de verdachte geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn. Hierdoor is niet voldaan aan het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Dit leidt ertoe dat de verdachte niet kan worden ontvangen in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert daarom dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. Er is tevens samenhang met een andere zaak, waarin een soortgelijke conclusie wordt getrokken.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.